Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:379

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-02-2018
Datum publicatie
08-02-2018
Zaaknummer
17/3411 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terecht is aan appellant, in overeenstemming met zijn verzoek, ontslag verleend. De staatssecretaris was niet gehouden om vanwege eisen van goed werkgeverschap appellant ten tijde van zijn verzoek te wijzen op de in te voeren maatregel in het kader van VWNW-beleid dan wel hem te adviseren zijn verzoek aan te houden. Nu appellant reeds ontslag had genomen was bevordering van het vertrek niet meer nodig en zou toekennen van een stimuleringspremie in strijd komen met de strekking van de maatregel. Beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2018/61
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 3411 AW

Datum uitspraak: 1 februari 2018

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

23 maart 2017, 16/3393 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Staatssecretaris van Financiën (staatssecretaris)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P. Bots hoger beroep ingesteld.

Namens de staatssecretaris heeft mr. G.B. Honders, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 december 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Bots. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Honders.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was sinds 1969 werkzaam bij de [Dienst] in de functie van [functie ], met als standplaats [standplaats]. Vanaf 1 juli 2015 heeft appellant levensloopverlof opgenomen.

1.2.

Met een daartoe door hem op 23 december 2015 ingediend P-Direktformulier “Beëindigen dienstverband” heeft appellant de staatssecretaris verzocht hem per 1 april 2016 eervol ontslag te verlenen. Op dit formulier heeft appellant als reden voor het ontslag aangegeven: pensioen. De vraag of er bijzonderheden zijn heeft hij met ‘nee’ beantwoord.

1.3.

Bij besluit van 30 december 2015 heeft de staatssecretaris met toepassing van artikel 94 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) het gevraagde ontslag verleend.

1.4.

Vanaf 24 november 2015 zijn op het intranet van de [Dienst] berichten geplaatst waarin medewerkers worden geïnformeerd over de stand van zaken over in te voeren stimuleringsmaatregelen in het kader van het Van Werk Naar Werk (VWNW)-beleid.

1.5.

Op 8 februari 2016 heeft appellant bezwaar gemaakt tegen het ontslagbesluit van
30 december 2015. Daarbij heeft hij naar voren gebracht dat zijn leidinggevende hem ervan op de hoogte had moeten stellen dat appellant op grond van het VWNW-beleid per 1 januari 2016 in aanmerking had kunnen komen voor een stimuleringspremie.

1.6.

Bij besluit van 8 juni 2016 (bestreden besluit) heeft de staatssecretaris het bezwaar tegen het ontslagbesluit van 30 december 2015 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Met de rechtbank en anders dan appellant heeft aangevoerd is de Raad van oordeel dat appellant kon worden gehouden aan zijn ontslagverzoek.

4.2.

De staatssecretaris heeft op grond van de hem ter beschikking staande gegevens terecht aan appellant, in overeenstemming met zijn verzoek, bij besluit van 30 december 2015 ontslag verleend per 1 april 2016. Uit vaste rechtspraak van de Raad (uitspraken van 9 augustus 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX4798 en 22 juni 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2184) volgt dat de staatssecretaris niet gehouden was om vanwege eisen van goed werkgeverschap appellant ten tijde van zijn verzoek te wijzen op de in te voeren maatregel in het kader van VWNW-beleid dan wel hem te adviseren zijn verzoek aan te houden.

4.3.

Anders dan appellant heeft betoogd, is de staatssecretaris evenmin gehouden om medewerkers als appellant in de gelegenheid te stellen een reeds ingewilligd ontslagverzoek aan te passen teneinde in aanmerking te komen voor een stimuleringspremie. De Raad verwijst in dit verband naar zijn uitspraak van 28 april 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ3453, en zijn eerdergenoemde uitspraak van 9 augustus 2012. Daarbij is van belang dat ten tijde van het besluit van 30 december 2015 zowel de inhoud als de datum waarop het

VWNW-beleid van kracht zou worden nog onderwerp van bespreking waren tussen de staatssecretaris en de vakbonden, daarover nog geen duidelijkheid bestond en appellant dus geen aanspraak kon maken op dit beleid.

4.4.

Het betoog van appellant dat hij op grond van de tekst van artikel 49tt van het ARAR in aanmerking komt voor de stimuleringspremie, slaagt niet. In lijn met wat de Raad eerder heeft overwogen (uitspraken van 9 augustus 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX4798 en 18 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1836) acht de Raad de uitleg die de staatssecretaris heeft gegeven aan artikel 49tt van het ARAR rechtens aanvaardbaar. De stimuleringspremie is bedoeld om medewerkers door middel van een financiële prikkel ertoe te bewegen ontslag te nemen teneinde de aanwezige boventalligheid te verminderen. Nu appellant reeds ontslag had genomen was bevordering van het vertrek niet meer nodig en zou toekennen van een stimuleringspremie in strijd komen met de strekking van de maatregel. Dat het ontslag van appellant is ingegaan op 1 april 2016 en niet, zoals in de uitspraak van 18 mei 2017 het geval was op 1 februari 2016, maakt dit niet anders. De vraag of appellant vrijwillig

VWNW-kandidaat als bedoeld in artikel 49r, aanhef en onder i, van het ARAR is geworden, kan gelet op het voorgaande onbesproken blijven.

4.5.

Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt evenmin. De Raad is met de staatssecretaris en de rechtbank van oordeel dat appellant zijn beroep niet met concrete gegevens heeft onderbouwd en dat niet is gebleken van gelijke gevallen die ongelijk behandeld zijn.

4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.N.A. Bootsma, in tegenwoordigheid van L.V. van Donk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 februari 2018.

(getekend) J.N.A. Bootsma

(getekend) L.V. van Donk

HD