Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:3773

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-11-2018
Datum publicatie
03-12-2018
Zaaknummer
17/4534 PW-PV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning bijstand per datum aanvraag. Niet is aannemelijk gemaakt dat appellanten niet eerder een aanvraag hadden kunnen indienen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 4534 PW-PV

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 19 mei 2017, 16/3040 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] (appellant) en [appellante] (appellante), beiden te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Alkmaar (college)

Datum uitspraak: 20 november 2018

Zitting heeft: F. Hoogendijk

Griffier: J. Tuit

Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door mr. R.J.A. Verhoeven, advocaat en waarnemend voor mr. R. Kiewitt. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door R. van Gelder.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.

1. Appellanten hebben op 21 januari 2016 bijstand aangevraagd op grond van de Participatiewet (PW). Bij besluit van 18 maart 2016 heeft het college aan appellanten met ingang van 21 januari 2016 bijstand toegekend naar de norm voor gehuwden, verlaagd in verband met hun woonsituatie. Bij besluit van 19 april 2016 heeft het college de bijstand met ingang van 8 april 2016 herzien naar de volledige gehuwdennorm. Appellanten hebben bezwaar gemaakt tegen laatst bedoeld besluit, omdat zij menen dat hen met ingang van 1 mei 2015 bijstand toekomt. Het college heeft dat bezwaar aangemerkt als mede te zijn gericht tegen het besluit van 18 maart 2016. Bij besluit van 20 juni 2016 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellanten ongegrond verklaard.

2. Appellanten hebben in beroep aangevoerd dat in april 2015 bij appellant de diagnose longkanker is vastgesteld. Zij hebben betoogd dat zij daardoor beiden geheel van slag waren en niet eerder dan op 21 januari 2016 in staat waren om bijstand aan te vragen. De rechtbank heeft appellanten de gelegenheid gegeven om deze stelling te onderbouwen door middel van een rapport van een onafhankelijke psychiater. Appellanten hebben een verklaring van een medisch maatschappelijk werker (W) overgelegd. Daarin is in algemene termen verwoord wat patiënten doormaken die een diagnose als die van appellant meegedeeld krijgen en dat het beschreven effect ook op appellant van toepassing was.

3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank - in de kern weergegeven - overwogen dat appellanten met de verklaring van W onvoldoende hebben onderbouwd, dat zowel appellant als appellante niet in staat was om eerder dan op 21 januari 2016 bijstand aan te vragen, dan wel hulp in te roepen om de aanvraag te doen.

4. Appellanten hebben in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank onvoldoende betekenis heeft toegekend aan de verklaring van W. Zij hebben daarnaast toegelicht hoe zeer zij door de levensbedreigende ziekte van appellant in beslag werden genomen. Zij hebben aangevoerd dat zij daardoor niet in staat waren eerder bijstand aan te vragen dan zij hebben gedaan. Appellant meende bovendien nog in december 2015 dat hij zijn werkzaamheden als zelfstandige zou kunnen hervatten. Pas toen in die maand zijn broers, die hem en appellante tot dan toe financieel hadden geholpen, te kennen hadden gegeven dat zij een andere oplossing voor hun financiële problemen moesten zoeken, was volgens appellanten tot hen doorgedrongen dat zij bijstand moesten aanvragen.

5. De beroepsgrond slaagt niet. Zoals ook de rechtbank heeft overwogen, ziet de verklaring van W slechts op de situatie van appellant en niet op die van appellante. Hoewel het begrijpelijk is, dat ook appellante in beslag werd genomen door de ziekte van appellant, hebben appellanten niet aannemelijk gemaakt dat zij niet in staat was om in de periode vanaf mei 2015 tot aan 21 januari 2016 bijstand aan te vragen. Daarbij komt dat appellanten, mede gezien de financiële hulp die de broers van appellant hebben geboden, niet aannemelijk hebben gemaakt dat appellante niet in staat was om hulp in te schakelen voor de aanvraag van bijstand.

6. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt daarom bevestigd.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Waarvan proces-verbaal.

De griffier Lid van de enkelvoudige kamer

(getekend) J. Tuit (getekend) F. Hoogendijk

md