Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:3745

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-11-2018
Datum publicatie
03-12-2018
Zaaknummer
17/3342 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet wonen op het uitkeringsadres. Onvoldoende onderzoek ten aanzien van het gewijzigd adres.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2019/18
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 3342 PW

Datum uitspraak: 20 november 2018

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

20 maart 2017, 16/6356 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E.B. Jobse, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft nadere stukken en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 augustus 2018. Namens appellant is verschenen mr. Jobse. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. V.E. van Dijk.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving sinds 23 oktober 2013 bijstand, laatstelijk ingevolge de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande. Appellant stond ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie, thans basisregistratie personen (BRP) op het adres

[adres 1] (uitkeringsadres).

1.2.

Op 9 februari 2016 heeft de politie Rotterdam in verband met openstaande boetes van appellant het uitkeringsadres bezocht. Daarbij is een andere bewoner [naam] ( [X] ) aangetroffen die heeft verklaard dat appellant niet meer op het uitkeringsadres woont. De politie heeft hiervan melding gemaakt bij het Centraal meldpunt BRP van de gemeente Rotterdam. De afdeling Adresonderzoek van de gemeente Rotterdam heeft appellant bij brief van 10 februari 2016 verzocht om aan te geven waar hij woont. Appellant heeft in een “verklaring woonadres” van 16 februari 2016 verklaard dat hij nog op het uitkeringsadres woont en nachtrust geniet. Naar aanleiding hiervan hebben controleurs van de dienst Stadsbeheer van de gemeente Rotterdam (controleurs) de woning op het uitkeringsadres op

2 maart 2016 en 9 maart 2016 bezocht. Bij deze bezoeken hebben zij appellant niet aangetroffen. Bij het laatste huisbezoek is een zogenoemde rode kaart achtergelaten. Daarbij hebben de controleurs appellant aangezegd dat op 17 maart 2016, in de avond, opnieuw een huisbezoek zou plaatsvinden. Ook bij dat huisbezoek is appellant niet aangetroffen. Hij heeft naar aanleiding van de rode kaart ook niet gereageerd.

1.3.

Op 9 maart 2016 heeft een medewerker van de afdeling “Overdacht domein Werk” met appellant een gesprek gevoerd in het kader van een voornemen een maatregel op te leggen. Tijdens dit gesprek heeft appellant verklaard dat hij in verband met een procedure van de eigenaar tegen de verhuurder een maand geleden is verhuisd naar nummer [adres 1] . Op het uitkeringsadres woont volgens appellant een gezin. De medewerker heeft met appellant afgesproken dat hij de verhuizing zo snel mogelijk aan de BRP doorgeeft, waarop appellant heeft verklaard dat hij dat nog dezelfde dag zou doen.

1.4.

Het adres [adres 1] is geen bestaand adres, het adres

[adres 2] wel. Appellant heeft niet ingeschreven gestaan op dit adres.

1.5.

Op 24 maart 2016 heeft het college een melding ontvangen dat appellant in de BRP sinds 10 februari 2016 niet meer op het uitkeringsadres staat ingeschreven en dat zijn verblijfplaats onbekend is.

1.6.

Bij besluit van 9 mei 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 17 augustus 2016 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand van appellant met ingang van

10 februari 2016 ingetrokken en de gemaakte kosten van bijstand over de periode van

10 februari 2016 tot en met 31 maart 2016 van appellant teruggevorderd tot een bedrag van € 1.561,35. Het college heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat uit onderzoek is gebleken dat appellant niet meer op het uitkeringsadres woont en niet duidelijk is op welk adres hij verblijft. Door van het eerste geen melding te maken en geen duidelijkheid te verschaffen over waar hij sindsdien verblijft, heeft hij de inlichtingenverplichting geschonden, als gevolg waarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De te beoordelen periode loopt van 10 februari 2016 tot en met 9 mei 2016.

4.2.

Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.

4.3.

De vraag waar iemand zijn woonadres heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De betrokkene is verplicht juiste en volledige informatie te verstrekken over zijn woonadres, aangezien dat gegeven van essentieel belang is voor de verlening van bijstand.

4.4.

Ter zitting van de Raad heeft het college de motivering van het bestreden besluit aldus toegelicht dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden, omdat hij niet onverwijld heeft gemeld dat hij niet meer op het uitkeringsadres woont en geen informatie heeft verstrekt over zijn nieuwe woonadres.

4.5.

Appellant heeft aangevoerd dat de onderzoeksbevindingen onvoldoende feitelijke grondslag bieden voor de conclusie dat hij in de te beoordelen periode niet op het uitkeringsadres woonde. Deze beroepsgrond slaagt niet. Appellant heeft zelf op 9 maart 2016 tegenover een medewerker van het college verklaard dat hij een maand geleden is verhuisd naar nummer [adres 1] en dat op het uitkeringsadres een gezin woont. Gelet op wat is overwogen onder 1.4 heeft appellant kennelijk bedoeld nummer [nummer] , althans, zoals ter zitting door de gemachtigde verklaard, de woning op de benedenverdieping. Deze verklaring komt overeen met de resultaten van het huisbezoek van de politie aan het uitkeringsadres op 9 februari 2016. Daarbij is een andere bewoner (M) aangetroffen die heeft verklaard dat appellant niet meer op dat adres woont. Voorts heeft appellant ook in zijn bezwaarschrift van 22 april 2016 tegen het besluit tot ambtshalve uitschrijving van het uitkeringsadres verklaard dat hij is verhuisd naar (lees:) nummer [nummer] van de [naam straat] . Hiermee heeft het college aannemelijk gemaakt dat appellant in de te beoordelen periode niet woonde op het uitkeringsadres.

4.6.

Appellant heeft aangevoerd dat zijn verblijf op (lees:) nummer [nummer] van de [naam straat] tijdelijk was, omdat de woning op het uitkeringsadres werd verbouwd. Hij verkeerde in de veronderstelling dat hij zou terugkeren, maar hij kon zich niet meer inschrijven op dit adres. Het was volgens appellant niet te voorzien dat hij niet is teruggekeerd.

4.7.

Zoals de Raad eerder tot uitdrukking heeft gebracht (uitspraken van 26 februari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2320, en 23 februari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:584), is geen sprake van een verplaatsing van het feitelijke woonadres, indien het gaat om een wijziging van de woon- en verblijfsituatie met een vooropgezet tijdelijk karakter, deze wijziging van korte duur is geweest en verband houdt met het tijdelijk niet of niet goed kunnen bewonen van de eigen woning vanwege, bijvoorbeeld, een renovatie, er geen aanwijzingen zijn dat de betrokkene zich in die periode elders heeft gevestigd en de betrokkene na die - korte periode - in zijn woning terugkeert.

4.8.

Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake was van een wijziging van zijn woon- en verblijfsituatie met een vooropgezet tijdelijk karakter in de onder 4.7 bedoelde zin. In het bijzonder heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat hij de woning op het uitkeringsadres niet goed kon bewonen door een verbouwing en is hij bovendien niet naar

de woning teruggekeerd. Bij het huisbezoek van de politie aan het uitkeringsadres op

9 februari 2016 werd een andere bewoner aangetroffen. Dat appellant, naar hij stelt, in de veronderstelling verkeerde dat hij terug zou keren naar het uitkeringsadres, doet hieraan

niet af.

4.9.

Appellant heeft betwist dat hij de inlichtingenverplichting heeft geschonden. Appellant heeft pas op 9 maart 2016 gemeld dat hij sinds ongeveer een maand niet meer op het uitkeringsadres woonde. Door hiervan niet onverwijld bij het college melding te maken, heeft appellant in de periode voor 9 maart 2016 zijn inlichtingenverplichting geschonden. In zoverre slaagt de beroepsgrond niet.

4.10.

Dat appellant vanaf 9 maart 2016 niet op het door hem toen opgegeven adres, [adres 2] woonde, heeft het college niet aannemelijk gemaakt. Het college heeft appellant niet verzocht gegevens over te leggen die zijn verblijf aldaar ondersteunden, zoals bijvoorbeeld een huurcontract en/of bewijzen van huurbetalingen. Het college heeft ook niet op andere wijze gecontroleerd of de stelling van appellant dat hij in die woning verbleef juist was. Dat appellant zich, anders dan met hem afgesproken, niet in de BRP op nummer [nummer] heeft ingeschreven, betekent niet dat appellant over de periode vanaf 9 maart 2016 geen informatie heeft verstrekt over zijn woonadres. Hieruit volgt dat het bestreden besluit voor zover het betreft de intrekking van de bijstand van appellant over de periode vanaf 9 maart 2016 en in verband daarmee de terugvordering, niet in stand kan blijven. Dat heeft de rechtbank niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak moet

worden vernietigd. De Raad zal het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor zover dat betrekking heeft op de intrekking van bijstand vanaf 9 maart 2016 en, omdat de terugvordering ondeelbaar is, voor zover het betreft de terugvordering geheel. Nu het college ter zitting ook geen andere grondslag voor de besluitvorming heeft gegeven, zal de Raad het primaire besluit in zoverre herroepen en bepalen dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het bestreden besluit. Het college zal een nieuwe berekening van het terug te vorderen bedrag moeten maken over de periode vanaf 9 maart 2016. De Raad heeft onvoldoende financiële gegevens om in zoverre zelf in de zaak te voorzien. Nu het daarbij nog slechts gaat om een financiële uitwerking ziet de Raad geen aanleiding voor toepassing van de zogeheten bestuurlijke lus en zal hij het college op dit punt een opdracht geven om een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen.

4.11.

Wel bestaat aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen de nieuw te nemen beslissing op het bezwaar slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.

5. Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de kosten van appellant, in beroep van

€ 1.002,- en in hoger beroep van € 1.002,-, totaal € 2.004,- voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het besluit van 17 augustus 2016 voor zover dat betrekking heeft op de intrekking van de bijstand van appellant over de periode vanaf 9 maart 2016 en voor zover het de terugvordering betreft;

  • -

    herroept het besluit van 9 mei 2016 voor zover daarbij de bijstand van appellant is ingetrokken over de periode vanaf 9 maart 2016 en voor zover het de terugvordering

betreft en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit van

17 augustus 2016;

  • -

    bepaalt dat het college een nieuwe beslissing op het bezwaar neemt over de terugvordering en bepaalt dat tegen de nieuwe beslissing op het bezwaar slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld;

  • -

    veroordeelt het college in de kosten van appellant tot een bedrag van € 2.004,-;

  • -

    bepaalt dat het college het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van € 170,- aan hem vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M. ter Brugge, in tegenwoordigheid van C.A.E. Bon als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 november 2018.

(getekend) M. ter Brugge

(getekend) C.A.E. Bon

LO