Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:3706

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-11-2018
Datum publicatie
28-11-2018
Zaaknummer
16/7670 AW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2016:8355, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De straf van vermindering van het salaris met de laatste twee periodieke verhogingen gedurende twee jaar acht de Raad niet onevenredig aan de aard en de ernst van het plichtsverzuim. Daarbij neemt de Raad met de rechtbank in aanmerking dat sprake is van een terugkerend patroon, waarbij appellant zijn gedrag, ondanks eerder opgelegde disciplinaire straffen, niet heeft aangepast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/7670 AW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

3 november 2016, 15/7876 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

Datum uitspraak: 15 november 2018

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 oktober 2017. Appellant is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.H.E. van Veeren en M.J.G. Maagdenberg.

Het onderzoek ter zitting is geschorst om het college in de gelegenheid te stellen te reageren op de door appellant ingediende nadere stukken. Met toestemming van appellant zijn door de bedrijfsarts vragen gesteld aan een medisch deskundige. Het college heeft aan de hand van deze informatie op de nadere stukken gereageerd.

Het onderzoek ter zitting is vervolgd op 18 oktober 2018. Appellant is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Van Veeren en Maagdenberg.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was sinds 18 oktober 1999 werkzaam bij de gemeente Rotterdam, laatstelijk in de functie [naam functie A].

1.2.

Sinds 2012 was sprake van regelmatig ziekteverzuim. Vanaf januari 2013 is appellant op advies van de bedrijfsarts gaan re-integreren. Op 17 juli 2014 heeft de bedrijfsarts geoordeeld dat er geen medische beperkingen zijn en heeft hij geadviseerd appellant verder te laten re-integreren aan de hand van een opbouwschema.

1.3.

Op 29 september 2014 heeft het college met appellant in het kader van het re- integratietraject afspraken gemaakt over zijn werktijden. Bij e-mailbericht van 1 oktober 2014 zijn deze afspraken schriftelijk aan appellant bevestigd. Afgesproken is dat zijn werktijd uiterlijk om 9.30 uur aanvangt en uiterlijk om 18.00 uur eindigt. Op woensdag moet appellant uiterlijk om 13.00 uur starten. Op maandag, dinsdag, donderdag en vrijdag werkt appellant acht uur per dag en op woensdag vier uur. Het is volgens het college van belang dat appellant zich aan de werktijden houdt, omdat daardoor een adequate bezetting op de afdeling wordt gewaarborgd en omdat appellant tijdens deze werktijden collegiaal begeleid kan worden.

1.4.

Vanwege het te laat op het werk verschijnen op 5, 12, 23 en 26 januari 2015, heeft het college bij besluit van 26 februari 2015 aan appellant de disciplinaire straf van een schriftelijke berisping opgelegd.

1.5.

Vanwege het opnieuw te laat op het werk verschijnen op 6, 16, 20, 24 en 30 maart 2015 heeft het college bij besluit van 3 juni 2015 aan appellant de disciplinaire straf van een vermindering van het recht op jaarlijkse vakantie met 24 uur opgelegd.

1.6.

Nadat het college een voornemen daartoe bekend had gemaakt, waarop appellant mondeling zijn zienswijze heeft gegeven, heeft het college bij besluit van 6 augustus 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 30 oktober 2015 (bestreden besluit), aan appellant wegens plichtsverzuim op grond van artikel 79, eerste lid, aanhef en onder f, van het Amtenarenreglement, de disciplinaire straf opgelegd van vermindering van het salaris met een bedrag van de laatste twee periodieke verhogingen gedurende twee jaar vanwege het bij herhaling te laat op het werk verschijnen op 4, 10, 16, 18, 26 en 29 juni 2015 en 3 juli 2015.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard. Daartoe is - samengevat - het volgende overwogen. Appellant heeft niet betwist dat hij zich, door op meerdere dagen niet op tijd op het werk te verschijnen, schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim. Dit plichtsverzuim is volledig aan appellant toe te rekenen, nu hij zijn standpunt dat hij vanwege medische redenen niet in staat was om op tijd op het werk te verschijnen, niet met stukken heeft onderbouwd, terwijl de bedrijfsarts heeft geoordeeld dat er geen medische beperkingen zijn en appellant in november 2014 volledig hersteld is verklaard. Dat appellant in zijn positie zou zijn benadeeld, vanwege zijn rol in de ondernemingsraad (OR), is niet onderbouwd. Besluitvorming over (de omvang van) zijn nevenwerkzaamheden voor de OR valt buiten de omvang van dit geding. Het college was dan ook bevoegd appellant disciplinair te bestraffen en de opgelegde straf is niet onevenredig aan de aard en de ernst van het plichtsverzuim.

3. Appellant heeft op hierna te bespreken gronden hoger beroep ingesteld.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Niet in geschil is of appellant zich schuldig heeft gemaakt aan plichtverzuim, nu appellant niet betwist dat hij op meerdere dagen niet op tijd op het werk is verschenen. Het geding in hoger beroep spitst zich toe op de vraag of het plichtsverzuim aan appellant kan worden toegerekend.

4.2.

Bij de vraag of plichtsverzuim is aan te merken als toerekenbaar plichtsverzuim is volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 20 november 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3895) van belang of de ambtenaar de ontoelaatbaarheid van het verweten gedrag heeft kunnen inzien en overeenkomstig dat inzicht heeft kunnen handelen. Het ligt op de weg van de ambtenaar om aannemelijk te maken dat het plichtsverzuim hem niet kan worden toegerekend.

4.3.

Appellant heeft aangevoerd dat hij om medische redenen niet in staat was om op tijd op zijn werk te verschijnen. Daartoe heeft hij op 23 september 2017 medische stukken overgelegd waaruit blijkt dat hij in februari 2016 is gediagnosticeerd met sarcoïdose, die zich met name uit in forse vermoeidheid. Op basis van deze informatie heeft de bedrijfsarts op verzoek van het college en met toestemming van appellant aan de behandelend arts van het Nationaal Expertisecentrum Sarcoïdose (NES) de vraag voorgelegd in hoeverre de in februari 2016 gestelde diagnose als oorzaak kan worden aangemerkt voor het gegeven dat appellant in de in het geding zijnde periode van juni-juli 2015 veelvuldig te laat kwam. Uit de rapportage van de bedrijfsarts van 23 mei 2018 blijkt dat namens de behandelend arts van het NES als volgt op de vraagstelling is geantwoord: “Onduidelijk is hoe lang de ziekte al bestaat. Mogelijk zijn al jaren bestaande vermoeidheidsklachten te wijten aan sarcoïdose.” De bedrijfsarts heeft vastgesteld dat het NES hiermee geen antwoord op de gestelde vraag heeft gegeven. Na bestudering van de overige medische stukken in het dossier komt de bedrijfsarts tot de conclusie dat het verband tussen het niet op de afgesproken tijd op het werk verschijnen tijdens de in geding zijnde periode en de diagnose sarcoïdose onaannemelijk is.

4.4.

De Raad stelt vast dat, hoewel uit de door appellant overgelegde stukken blijkt dat hij - mogelijk al in 1991 - gediagnosticeerd is met sarcoïdose, uit deze stukken niet blijkt dat hij vanwege deze diagnose niet in staat was om tijdig, dat wil zeggen op de afgesproken uiterlijke tijd van 9.30 uur, op het werk te verschijnen. Ook de behandelend arts van het NES heeft, ondanks de aan hem voorgelegde expliciete vraagstelling, geen verband gelegd tussen de diagnose sarcoïdose en het veelvuldig te laat komen. Het betoog van appellant dat hij om medische redenen niet in staat was op tijd op het werk te verschijnen slaagt dan ook niet. Dit leidt tot de conclusie dat het plichtsverzuim aan appellant kon worden toegerekend. Het college was bevoegd appellant disciplinair te straffen wegens plichtsverzuim.

4.5.

Appellant heeft voorts betoogd dat, anders dan de rechtbank heeft overwogen, er sprake is van benadeling en ongelijke behandeling als gevolg van het lidmaatschap van de OR. Het is volgens appellant aan het college om aannemelijk te maken dat dit niet het geval is.

4.6.

Dit betoog slaagt niet. Appellant heeft op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt dat het college hem vanwege zijn rol in de OR heeft benadeeld in zijn positie. Uit artikel 21 van de Wet op de ondernemingsraden blijkt niet dat het aan het college is om aannemelijk te maken dat geen sprake is van benadeling of ongelijke behandeling. Overigens merkt de Raad op dat het college erop heeft gewezen dat voor de werktijden van appellant juist een gunstige maatwerkoplossing was getroffen, waardoor hij ’s ochtends op een later tijdstip kon beginnen dan de andere werknemers.

4.7.

De straf van vermindering van het salaris met de laatste twee periodieke verhogingen gedurende twee jaar acht de Raad niet onevenredig aan de aard en de ernst van het plichtsverzuim. Daarbij neemt de Raad met de rechtbank in aanmerking dat sprake is van een terugkerend patroon, waarbij appellant zijn gedrag, ondanks eerder opgelegde disciplinaire straffen, niet heeft aangepast.

4.8.

Uit 4.1 tot en met 4.7 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door K.J. Kraan, in tegenwoordigheid van L.V. van Donk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 november 2018.

(getekend) K.J. Kraan

(getekend) L.V. van Donk

md