Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:3683

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-11-2018
Datum publicatie
23-11-2018
Zaaknummer
16/6349 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

ZW-uitkering terecht beëindigd. Zorgvuldig medisch onderzoek. Geen twijfel aan de bevindingen van de artsen van het Uwv. Voldoende gemotiveerd dat de aan de EZWb ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht geschikt zijn voor appellante. De grond van appellante dat zij niet aan de gestelde opleidingseis van de functies voldoet, slaagt niet. De arbeidsdeskundige heeft onderbouwd dat appellante juist hoger is opgeleid dan benodigd, dat de opleidingen die appellante heeft gevolgd onder de sector economie vallen, dat zij in die opleidingen ook administratieve/secretariële vakken heeft gevolgd en dat zij ook administratieve/secretariële werkzaamheden heeft verricht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 6349 ZW

Datum uitspraak: 22 november 2018

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van

1 september 2016, 16/1248 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. S.S. Sahtoe hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 augustus 2018. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. Smit.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is laatstelijk werkzaam geweest als kwaliteitsmedewerker voor 24 uur per week. Haar dienstverband liep tot 14 september 2013. Zij heeft met ingang van

17 september 2013 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet ontvangen. Op

6 december 2014 heeft zij zich ziek gemeld met lichamelijke en psychische klachten. Het Uwv heeft appellante in aanmerking gebracht voor ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW).

1.2.

In het kader van een eerstejaars ZW-beoordeling (EZWb) heeft een arts van het Uwv appellante op 5 oktober 2015 gezien. Deze arts heeft appellante belastbaar geacht met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 9 oktober 2015. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellante niet in staat is haar eigen werk te verrichten, vervolgens vijf functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen berekend dat appellante nog 91,85% van haar zogeheten maatmaninkomen zou kunnen verdienen. Het Uwv heeft bij besluit van 27 oktober 2015 vastgesteld dat appellante met ingang van 7 december 2015 geen recht meer heeft op ziekengeld, omdat zij meer dan 65% kan verdienen van het loon dat zij verdiende voordat zij ziek werd. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van

24 maart 2016 (bestreden besluit) gegrond verklaard, in die zin dat de uitkering wordt beëindigd per 6 januari 2016. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft zich kunnen verenigen met de bevindingen en conclusies van de primaire arts. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft twee functies niet geschikt geacht voor appellante en heeft deze verworpen. Appellante kan nog 91,23% van haar maatmaninkomen verdienen, zodat er nog steeds geen recht meer is op een uitkering op grond van de ZW.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe is overwogen dat het onderzoek naar de beperkingen van appellante zorgvuldig is geweest en dat die beperkingen op juiste wijze zijn weergegeven in de FML. Uitgaande van de FML is het aannemelijk dat appellante de functies kan verrichten. Door het Uwv is terecht het standpunt ingenomen dat er geen recht bestaat op een ZW-uitkering per

6 januari 2016.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat ze meer beperkingen heeft dan is weergegeven in de FML. Appellante is ook beperkt voor koude, duwen of trekken, tillen of dragen, frequent lichte voorwerpen hanteren en zitten. Zij heeft ook beperkingen voor persoonlijk en sociaal functioneren. In de FML van 9 december 2011, die is opgesteld in het kader van een aanvraag voor een uitkering op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wajong) zijn dergelijke beperkingen wel opgenomen en die zouden in de FML van 9 oktober 2015 ook opgenomen moeten worden. Appellante heeft na haar bevalling Sertraline voorgeschreven gekregen en zij heeft hier enorm veel bijwerkingen van ondervonden. De functie Secretarieel medewerker (SBC-code 315030) is niet geschikt omdat appellante niet voldoet aan de opleidingseis. De opleidingen die appellante heeft gevolgd zijn gericht op horeca en iedere vorm van scholing in een secretariële administratieve richting ontbreekt. De functie administratief medewerker

(SBC-code 315133) is ook niet geschikt. Als de FML juist zou zijn ingevuld (met de beperkingen van de FML van 2011) is er een onaanvaardbare overschrijding van de belastbaarheid op de aspecten duwen/trekken en tillen/dragen. Appellante heeft haar stellingen onderbouwd met een medisch advies van verzekeringsarts E.C. van der Eijk van

6 september 2017 (aangevuld op 12 april 2018) en een advies van registerarbeidsdeskundige C.J. Hoogendoorn van 8 februari 2017. Appellante heeft voorts een brief van psychiater T.R.W.M. Walrave van 15 mei 2017 en de bijsluiter van Sertraline bijgevoegd.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapporten van 12 februari 2018 en 1 juni 2018 geconcludeerd dat de nieuw ingebrachte medische stukken geen nieuwe gegevens bevatten. De verzekeringsarts bezwaar en beroep handhaaft, onder verwijzing naar eerdere rapporten, het standpunt dat met de beperkingen van appellante voldoende rekening is gehouden. Dat er in een Wajong-beoordeling meer beperkingen zijn opgenomen, wil niet zeggen dat deze bij een latere beoordeling ongewijzigd aanwezig zijn. Bij een beoordeling op een later moment kunnen er veranderingen zijn. De gegevens betreffende de mutatie en het medicatiegebruik hebben geen betrekking op de in geding zijnde datum. Op de datum in geding zijn er geen bijwerkingen vermeld. Uitgaande van de FML van 9 oktober 2015 zijn er geen overschrijdingen van de belastbaarheid op de onderdelen duwen en trekken en tillen en dragen. Hierover is overleg geweest met een verzekeringsarts bezwaar en beroep op 15 maart 2016.

De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 15 februari 2018 geschreven dat er geen reden is om de geduide functies ongeschikt te achten. Ook voor wat betreft de opleidingseis zijn de functies geschikt. Ter onderbouwing van dit standpunt is verwezen naar een overzicht van de Dienst Uitvoering Onderwijs, waaruit blijkt dat de door appellante gevolgde opleidingen (MBO-4 opleiding tot horecaondernemer en -manager en HBO-BA International hospitality management) onder de sector economie vallen. Niet alleen is er scholing in administratieve richting geweest, ook heeft appellante ruime ervaring in administratieve taken opgedaan.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 19aa, eerste lid, van de ZW heeft een verzekerde zonder werkgever, na 52 weken ongeschiktheid tot werken, recht op ziekengeld als hij nog steeds ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid en hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Op grond van artikel 19aa, vijfde lid, van de ZW wordt onder het maatmaninkomen verstaan hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan met arbeid gewoonlijk verdienen. Op grond van artikel 19ab, eerste en derde lid, van de ZW wordt het percentage van het maatmaninkomen dat de verzekerde kan verdienen, bedoeld in artikel 19aa van de ZW, vastgesteld op basis van een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek en wordt onder arbeid als bedoeld in artikel 19aa van de ZW verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe een verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden in staat is. Voor de beoordelingssystematiek waarmee de verdiencapaciteit na het eerste ziektejaar wordt bepaald, wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de huidige uitvoeringssystematiek van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, waarbij aan de hand van geschikte functies wordt vastgesteld of de betrokkene beschikt over resterende verdiencapaciteit (zie de uitspraak van de Raad van 30 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4920).

4.2.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest en dat er geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan de bevindingen van de artsen van het Uwv. De verzekeringsarts heeft appellante op het spreekuur van 5 oktober 2015 lichamelijk en psychisch onderzocht. Hij heeft de informatie van de behandelend sector betrokken in zijn beoordeling en was op de hoogte van de lichamelijke klachten van appellante en de postpartum depressie. In de FML van 9 oktober 2015 heeft deze arts beperkingen als gevolg van de lichamelijke en psychische klachten opgenomen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft vervolgens naar aanleiding van het bezwaar van appellante dossierstudie verricht. Bij zijn beoordeling beschikte hij over informatie van de behandelend psychiater. Van de bevindingen van zijn onderzoek heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep kenbaar en gemotiveerd verslag gedaan in het rapport van 28 februari 2016. Niet kan worden geoordeeld dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep een onvolledig of onjuist beeld had van de medische situatie van appellante op de datum in geding van 6 januari 2016.

4.3.

Appellante kan niet worden gevolgd in haar stelling dat de beperkingen die in de FML van 2011 zijn opgenomen overgenomen hadden moeten worden in de FML van

9 oktober 2015. De situatie van appellante is in de jaren veranderd. Het is niet zo dat beperkingen op een eerder moment in latere procedures onverkort overgenomen moeten worden. Hierbij is ook van belang dat beperkingen in de FML van 2011 niet worden ondersteund door medische rapporten. Daarnaast gebruikte appellante in 2015 minder medicatie en was zij niet langer onder behandeling bij een fysiotherapeut.

4.4.

De rechtbank wordt ook gevolgd in haar oordeel dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat de aan de EZWb ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht geschikt zijn voor appellante. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in het rapport van 15 maart 2016 toereikend gemotiveerd waarom de voorgehouden functies, met inachtneming van de daarin voorkomende signaleringen, voor appellante geschikt zijn.

4.5.

De grond van appellante dat zij niet aan de gestelde opleidingseis van de functies voldoet, slaagt niet. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in het rapport van 15 februari 2018 onderbouwd dat appellante juist hoger is opgeleid dan benodigd, dat de opleidingen die appellante heeft gevolgd onder de sector economie vallen, dat zij in die opleidingen ook administratieve/secretariële vakken heeft gevolgd en dat zij ook administratieve/secretariële werkzaamheden heeft verricht.

6. Uit wat is overwogen in 4.2 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Daaruit volgt dat het verzoek om schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente moet worden afgewezen.

7. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen als voorzitter en H.C.P. Venema en J.P.A. Boersma als leden, in tegenwoordigheid van S.L. Alves als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 november 2018.

(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen

(getekend) S.L. Alves

TM