Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:367

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-02-2018
Datum publicatie
07-02-2018
Zaaknummer
14/4512 MAW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Achttal appellanten waarvan een aantal aangesteld (geweest) als burgerlijke ambtenaren en aantal als militair. Allen dezelfde plaats van tewerkstelling. De beëindiging hoge tegemoetkoming reiskosten per 1 januari 2014; plaats van tewerkstelling is altijd met het openbaar vervoer bereikbaar (geweest), dus ook op ongebruikelijke uren. De duidelijke tekst van VKRD biedt geen aanknopingspunten voor door appellanten voorgestane uitleg. De commandant heeft in redelijkheid de hoge tegemoetkoming per 1 januari 2014 kunnen beëindigen. Afwijzing hoge tegemoetkoming over periode vóór 2011: toekenningen hoge tegemoetkomingen vanaf medio 2011 zijn het gevolg zijn geweest van verkeerde interpretatie regelgeving en dus ten onrechte geweest. Geen grondslag voor toekenning vóór 2011. Gelijkheidsbeginsel strekt niet zover dat een in het verleden gemaakte fout moet worden herhaald.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/4512 MAW, 14/4515 MAW, 14/4516 MAW, 14/4517 MAW, 14/4518 MAW,
14/4519 MAW, 14/4520 MAW, 14/4521 MAW, 17/2915 MAW, 17/2916 MAW,
17/2917 MAW, 17/2918 MAW, 17/2919 MAW, 17/2920 MAW, 17/2921 MAW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Den Haag van

30 juni 2014, 13/7052, 13/7053, 13/7062, 13/7063, 13/7082, 13/7492, 13/7493, 13/7985 (aangevallen uitspraken) en op de beroepen tegen de besluiten van de Commandant Commando DienstenCentra van 29 maart 2017

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] en 7 anderen, zoals vermeld op de bij deze uitspraak behorende lijst (appellanten)

de Commandant Commando DienstenCentra (commandant)

Datum uitspraak: 1 februari 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellante 1 heeft mr. M. van Haandel hoger beroep ingesteld.

Namens appellanten 2 tot en met 8 heeft mr. P.M. Groenhart hoger beroepen ingesteld.

De commandant heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting in de zaken heeft gevoegd plaatsgevonden op 14 april 2016. Namens appellante 1 is verschenen mr. B.M. Jurgens, kantoorgenoot van mr. Van Haandel. Appellanten 6 en 8 zijn verschenen, bijgestaan door mr. Groenhart. Namens appellanten 2, 3, 4, 5 en 7 is verschenen mr. Groenhart. De commandant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.I. Biharie-Pronk. Het onderzoek ter zitting is geschorst.

Het onderzoek ter zitting is hervat op 21 december 2017. Namens appellante 1 is verschenen mr. Jurgens. Appellanten 2, 6 en 8 zijn verschenen, bijgestaan door mr. Groenhart. Namens appellanten 3, 4, 5 en 7 is verschenen mr. Groenhart. De commandant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Biharie-Pronk.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellanten zijn werkzaam (geweest) als [naam functie] in het [naam instelling] te [plaatsnaam] . Appellanten 1 - vanaf 1 november 2004 -, 3, 4 en 5 zijn aangesteld (geweest) als burgerlijke ambtenaren. Zij ontvingen een reguliere tegemoetkoming in de kosten van het dagelijks reizen (reiskosten) ingevolge de Verplaatsingskostenregeling burgerlijke ambtenaren defensie (VKRbad). Appellanten 1 - tot 1 november 2004 -, 2, 6, 7 en 8 zijn aangesteld (geweest) als militair. Zij ontvingen een reguliere tegemoetkoming in de reiskosten ingevolge de in dit opzicht identiek luidende Verplaatsingskostenregeling militairen (VKRm).

1.2.

In 2011 hebben appellanten verzocht om met terugwerkende kracht vanaf de datum van hun aanstelling in aanmerking te worden gebracht voor een verhoogde tegemoetkoming woon-werkverkeer in de kosten van het dagelijks reizen. De commandant heeft de gevraagde tegemoetkomingen van appellanten toegekend vanaf verschillende medio 2011 gelegen data. Voor wat betreft de periode voorafgaande aan de aanvraagdata heeft de commandant de aanvragen afgewezen, omdat geen bezwaar is gemaakt tegen de eerder toegekende tegemoetkoming in de reiskosten. De door appellanten tegen de afwijzing gerichte bezwaren heeft de commandant bij besluiten van 31 januari 2012 ongegrond verklaard. Bij uitspraken van 28 november 2012 heeft de rechtbank Den Haag de beroepen tegen de besluiten van

31 januari 2012 gegrond verklaard, deze besluiten vernietigd en de commandant opdracht gegeven nieuwe beslissingen op bezwaar te nemen met inachtneming van wat in de uitspraken is overwogen. De rechtbank heeft hiertoe - kort samengevat - overwogen dat de inhoud van de door appellanten overgelegde verklaring van collega B moet worden gekwalificeerd als een novum in de zin van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht. De commandant moet onderzoeken of hierin en in de door appellante 6 afgelegde verklaring aanleiding kan worden gevonden om te oordelen dat sprake is van gelijke gevallen als door appellanten bedoeld en tot welke juridische conclusie die vaststelling moet leiden.

1.3.

Bij besluiten van verschillende data in juli 2013 (bestreden besluiten 1) heeft de commandant de - aangevulde - bezwaren van appellanten andermaal ongegrond verklaard. De commandant heeft zich hierbij op het standpunt gesteld dat de omstandigheden van collega B, noch de verklaring van appellante 6 nopen tot herziening van de tegemoetkoming in de reiskosten van appellanten met terugwerkende kracht over de periode vóór 2011. Collega B heeft op oneigenlijke gronden een verhoogde tegemoetkoming in de reiskosten ontvangen. Voor zover sprake was van een foutieve toekenning hoeft deze niet herhaald te worden. In andere door appellanten naar voren gebrachte specifiek genoemde gevallen is geen sprake van gelijke omstandigheden zodat een beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slaagt. Evenmin is gebleken dat op enig moment appellanten als groep zijn aangewezen die, als gevolg van het regelmatig op ongebruikelijke uren werkzaamheden verrichten, de plaats van tewerkstelling niet met het openbaar vervoer kon bereiken.

2. Bij de aangevallen uitspraken heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden

besluiten 1 ongegrond verklaard.

3. Bij besluiten van 13 december 2013 heeft de commandant de aan appellanten, met uitzondering van appellant 8 die ten tijde van deze besluiten niet meer werkzaam was bij het [naam instelling] , per medio 2011 toegekende hoge tegemoetkoming in de reiskosten met ingang van

1 januari 2014 beëindigd. Uit onderzoek is gebleken dat deze vergoedingen ten onrechte zijn toegekend als gevolg van een onjuiste interpretatie van de van toepassing zijnde regelgeving. De commandant ziet af van terugvordering van de over de periode van 2011 tot 1 januari 2014 ten onrechte aan appellanten verstrekte vergoedingen. De door appellanten 1 tot en

met 7 gemaakte bezwaren tegen de besluiten van 13 december 2013 heeft de commandant bij beslissingen op bezwaar van 29 maart 2017 (bestreden besluiten 2) ongegrond verklaard.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Hangende de hoger beroepen heeft de commandant de bestreden besluiten 2 genomen. Appellanten, behoudens appellant 8, en de commandant hebben de Raad verzocht de bestreden besluiten 2 bij de beoordeling van de hoger beroepen tegen de bestreden besluiten 1 te betrekken. De Raad zal dit verzoek honoreren gelet op de samenhang tussen de bestreden besluiten 1 en 2 en het belang van definitieve geschilbeslechting.

4.2.

Per 1 maart 2012 zijn de VKRm en de VKRbad vervangen door de Verplaatsingskostenregeling Defensie (VKRD), die geldt voor zowel militairen als voor burgerlijke ambtenaren bij Defensie. De bepalingen over de tegemoetkoming in de reiskosten zoals opgenomen in de VKRm en de VKRbad waren identiek en zijn inhoudelijk niet gewijzigd in de VKRD.

Artikel 14 van de VKRD, voor zover relevant, luidt als volgt:

“Tegemoetkoming in de kosten van het dagelijks reizen naar niet per openbaar vervoer bereikbare plaatsen

1. Voor de defensieambtenaar, wiens plaats van tewerkstelling door de Minister is aangewezen als een plaats van tewerkstelling die niet per openbaar vervoer is te bereiken, is, in afwijking van artikel 13 de tegemoetkoming in de kosten van het dagelijks reizen tussen de woning en de plaats van tewerkstelling gelijk aan de in bijlage 1, Tabel N opgenomen bedragen.

2. De tegemoetkoming bedoeld in het eerste lid, is van overeenkomstige toepassing op de defensieambtenaar die behoort tot de door de commandant aangewezen groep voor wie de plaats van tewerkstelling niet per openbaar vervoer te bereiken is vanwege het regelmatig op ongebruikelijke uren verrichten van werkzaamheden.”

De beëindiging per 1 januari 2014

4.3.1.

Tussen partijen staat niet ter discussie, en ook de Raad gaat ervan uit, dat de locatie [naam instelling] te [plaatsnaam] altijd, dus ook op ongebruikelijke uren, met het openbaar vervoer bereikbaar is (geweest). Appellanten hebben zich echter op het standpunt gesteld dat door alleen rekening te houden met de bereikbaarheid van het [naam instelling] per openbaar vervoer een te beperkte uitleg wordt gegeven aan de regelgeving. Een redelijke uitleg brengt met zich dat ook rekening wordt gehouden met de bereikbaarheid per openbaar vervoer van hun woonadres. Dit is vaak niet bereikbaar per openbaar vervoer, mede doordat appellanten regelmatig op ongebruikelijke uren werken.

4.3.2.

De Raad volgt appellanten niet in hun betoog. De duidelijke tekst van artikel 14 van de VKRD geeft geen aanknopingspunten voor de door appellanten voorgestane uitleg. In deze regeling wordt alleen rekening gehouden met de bereikbaarheid van de werklocatie per openbaar vervoer en niet met de bereikbaarheid van het woonadres van de belanghebbende. De Minister van Defensie heeft het [naam instelling] nimmer aangewezen als locatie van tewerkstelling die niet per openbaar vervoer bereikbaar is. De commandant heeft appellanten evenmin aangewezen als groep voor wie het [naam instelling] niet per openbaar vervoer is te bereiken vanwege het regelmatig op ongebruikelijke uren verrichten van werkzaamheden. De commandant heeft er voorts nog op gewezen dat voor appellanten geen verhuisplicht geldt, zodat zij vrij zijn in de keuze van hun woonplaats. De eventuele consequentie dat hun woonplaats niet of beperkt bereikbaar is per openbaar vervoer, komt voor hun rekening en risico.

4.3.3.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 15 maart 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BA1958) mag een bestuursorgaan in beginsel een gemaakte fout herstellen. Daarvoor geldt wel dat het besluit om te herstellen niet in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel. Nu van die strijd, gezien ook het feit dat de beëindiging alleen voor de toekomst heeft plaatsgevonden, niet is gebleken, heeft de commandant in redelijkheid de hoge tegemoetkoming in de reiskosten per 1 januari 2014 kunnen beëindigen.

4.4.

Uit 4.3.1 tot en met 4.3.3 volgt dat de beroepen tegen de bestreden besluiten 2 ongegrond moeten worden verklaard.

De afwijzing van de hoge tegemoetkoming over de periode vóór 2011

4.5.1.

Uit 4.3.2 en 4.3.3 volgt dat de toekenningen van de hoge tegemoetkomingen in de reiskosten vanaf medio 2011 het gevolg zijn geweest van een verkeerde interpretatie van de regelgeving en dus ten onrechte hebben plaatsgevonden. Nu de regelgeving vóór medio 2011 niet anders luidde dan erna en er dus ook vóór medio 2011 geen recht bestond op de verhoogde tegemoetkoming in de reiskosten, heeft de commandant ter zitting terecht betoogd dat er geen grondslag bestaat voor toekenning van de verhoogde tegemoetkoming in de reiskosten over een periode voorafgaande aan medio 2011.

4.5.2.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 29 oktober 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3770) strekt het gelijkheidsbeginsel niet zover dat het bestuursorgaan gehouden is om in het verleden gemaakte fouten te herhalen. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de twee met de situatie van appellanten vergelijkbare gevallen onvoldoende zijn om te kunnen oordelen dat de commandant alsnog aan appellanten de verhoogde tegemoetkoming in de reiskosten over een periode voorafgaande aan juli 2011 moest toekennen. De rechtbank heeft ook terecht geoordeeld dat de overige door appellanten aangevoerde gevallen geen gelijke gevallen zijn.

4.6.

Uit 4.5.1 en 4.5.2 volgt dat de hoger beroepen niet slagen en dat de aangevallen uitspraken, met enige verbetering van gronden, moeten worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraken;

- verklaart de beroepen tegen de besluiten van 29 maart 2017 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend als voorzitter en M. Kraefft en H. Benek als leden, in tegenwoordigheid van A. Mansourova als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 februari 2018.

(getekend) B.J. van de Griend

(getekend) A. Mansourova

HD

Bijlage

1) 14/4512 MAW en 17/2918 MAW [appellante] te [woonplaats]

2) 14/4515 MAW en 17/2915 MAW [appellant 2] te [woonplaats 2]

3) 14/4516 MAW en 17/2916 MAW [appellant 3] te [woonplaats 3]

4) 14/4517 MAW en 17/2917 MAW [appellant 4] te [woonplaats 4]

5) 14/4518 MAW en 17/2919 MAW [appellant 5] te [woonplaats 5]

6) 14/4519 MAW en 17/2920 MAW [appellant 6] te [woonplaats 6]

7) 14/4520 MAW en 17/2921 MAW [appellant 7] te [woonplaats 7]

8) 14/4521 MAW [appellant 8] te [woonplaats 8]