Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:3666

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-11-2018
Datum publicatie
22-11-2018
Zaaknummer
16/5193 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Door de verzekeringsarts bezwaar en beroep is onvoldoende gemotiveerd dat op de datum in geding verbetering van de belastbaarheid op lange termijn te verwachten was en dat van een situatie van duurzame volledige arbeidsongeschiktheid op de datum in geding (nog) geen sprake was. Vernietiging uitspraak. Herroept het besluit van 26 mei 2015 en bepaalt dat ex-werkneemster met ingang van 23 maart 2015 recht heeft op een IVA-uitkering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 5193 WIA

Datum uitspraak: 21 november 2018

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

27 juni 2016, 16/935 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

Gemeente Den Haag; dienst Publiekszaken, te Den Haag (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft H.E. Wonnink, arts, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Beide partijen hebben nadere stukken ingediend.

Derde-belanghebbende [naam] (ex-werkneemster) heeft afgezien van de geboden mogelijkheid tot deelname aan het geding als partij. Omdat zij geen toestemming heeft gegeven om haar medische gegevens aan appellante te verstrekken, heeft de Raad onder toepassing van artikel 8:32, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald dat kennisneming van medische stukken is voorbehouden aan de gemachtigde Wonnink.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 oktober 2018. Appellante was vertegenwoordigd door O.E.H. Sartorius, arts. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J.J. Grasmeijer.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is eigenrisicodrager in de zin van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) en draagt het risico voor de WGA-uitkering van

ex-werkneemster. Bij besluit van 15 november 2012 heeft het Uwv vastgesteld dat

ex-werkneemster recht heeft op een loongerelateerde WGA-uitkering over de periode van

26 november 2012 tot 26 december 2014, waarbij is vastgesteld dat sprake is van volledige arbeidsongeschiktheid wegens een situatie van geen benutbare mogelijkheden tot het verrichten van arbeid. Bij besluiten van 3 september 2013 en 2 mei 2014, waarbij het laatstgenoemde besluit is gehandhaafd na bezwaar van appellante, heeft het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid ongewijzigd vastgesteld, omdat nog steeds sprake is van een situatie van geen benutbare mogelijkheden tot het verrichten van arbeid. Bij besluit van 23 september 2014 heeft het Uwv vastgesteld dat de loongerelateerde WGA-uitkering van ex-werkneemster met ingang van 26 december 2014 eindigt en dat zij met ingang van die datum recht heeft op een WGA-loonaanvullingsuitkering, waarbij de hoogte van de uitkering ongewijzigd is vastgesteld.

1.2.

Appellante heeft op 23 maart 2015 het Uwv verzocht om een medische herbeoordeling te verrichten in het kader van de aanspraken van ex-werkneemster op grond van de Wet WIA. Bij besluit van 26 mei 2015 heeft het Uwv, op basis van een rapport van een verzekeringsarts, vastgesteld dat de hoogte van de WGA-loonaanvullende uitkering van ex-werkneemster niet wijzigt, omdat haar arbeidsgeschiktheid niet is gewijzigd. Bij beslissing op bezwaar van

24 december 2015 (bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellante tegen het besluit van 26 mei 2015 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard, onder verwijzing naar een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat tussen partijen niet in geschil is dat ex-werkneemster volledig arbeidsongeschikt is. Het geschil is toegespitst op de vraag of het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de volledige arbeidsongeschiktheid van ex-werkneemster niet duurzaam is in de zin van artikel 4 van de Wet WIA en dat zij daarom niet in aanmerking komt voor een IVA-uitkering. De rechtbank is van oordeel dat door de verzekeringsarts bezwaar en beroep, onder toepassing van het door het Uwv ten behoeve van zijn verzekeringsartsen opgestelde beoordelingskader “Beoordeling van de duurzaamheid van arbeidsbeperkingen” (Beoordelingskader) inzichtelijk en toereikend is gemotiveerd dat geen sprake is van duurzaamheid van de arbeidsbeperkingen omdat, hoewel ex-werkneemster zeer beperkt belastbaar is, dit nog niet maakt dat alleen daarom al geen kans op herstel bestaat, noch het feit dat zij tevergeefs diverse therapieën heeft gevolgd. Nu tussen partijen niet in geschil is dat de klachten als gevolg van HNP een belangrijke factor zijn in het complex aan lichamelijke en psychische problematiek en naar het oordeel van de rechtbank niet is aannemelijk geworden dat een HNP-operatie de komende jaren uitgesloten is, heeft het Uwv volgens de rechtbank het standpunt mogen innemen dat thans nog geen sprake is van duurzaamheid.

3.1.

In hoger beroep is gebleken dat bij besluit van 4 oktober 2016 aan ex-werkneemster met ingang van 31 augustus 2016 een IVA-uitkering is toegekend, omdat sprake is van sterk wisselende mogelijkheden tot het verrichten van arbeid, welke situatie duurzaam van aard is omdat de verwachting is dat deze mogelijkheden in de toekomst niet wezenlijk zullen verbeteren. Tegen dit besluit heeft appellante bezwaar gemaakt wat betreft de ingangsdatum van de IVA-uitkering.

3.2.

Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat ex-werkneemster ook vóórdat de rugproblematiek speelde sinds november 2012 reeds volledig arbeidsongeschikt werd geacht door het Uwv wegens haar (complexe) ziektebeeld, omdat sprake was van een situatie van geen benutbare mogelijkheden tot het verrichten van arbeid. Een HNP-operatie zal dan ook niet leiden tot benutbare mogelijkheden voor het verrichten van arbeid. Verder heeft zij gewezen op het besluit van 4 oktober 2016 en gesteld dat de medische situatie op de datum in geding van 23 maart 2015 gelijk was aan die op 31 augustus 2016 en dat er daarom recht bestaat op een IVA-uitkering met ingang van de datum in geding.

3.3.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4.1.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.2.

Tussen partijen is uitsluitend in geschil de vraag of de bestaande volledige arbeidsongeschiktheid van ex-werkneemster moet worden geacht tevens duurzaam te zijn in de zin van artikel 4 van de Wet WIA, zodat zij ingevolge artikel 47 van de Wet WIA met ingang van de datum in geding van 23 maart 2015 recht zou hebben op een IVA-uitkering.

4.3.

Met juistheid heeft de rechtbank het wettelijk kader geschetst en, onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 4 februari 2009 (ECLI:NL:CRVB:2009:BH1896), overwogen dat de inschatting van de verzekeringsarts van de kans op herstel in het eerste jaar en daarna dient te berusten op een concrete en deugdelijke afweging van de feiten en omstandigheden die ten aanzien van een betrokkene aan de orde zijn. Terecht ook heeft de rechtbank overwogen dat het Beoordelingskader een interne werkinstructie van het Uwv betreft die niet in strijd is met een juiste uitleg van artikel 4 van de Wet WIA.

4.4.

Uit de door de rechtbank aangehaalde uitspraak van de Raad volgt eveneens dat in het geval de inschatting van de verzekeringsarts van de kans op herstel berust op een medische behandeling, een onderbouwing is vereist die ziet op het mogelijke resultaat daarvan voor de individuele verzekerde. Ook vloeit uit het beoordelingskader voort, naar het oordeel van de Raad, dat indien geen verbetering wordt verwacht in het eerste ter beoordeling voorliggende jaar, de ruimte voor de verzekeringsarts beperkt is om in het jaar of de jaren daarna aan te nemen dat de arbeidsongeschiktheid niet duurzaam is. Dit sluit mede aan bij het systeem van herbeoordeling van de duurzaamheid, zoals neergelegd in artikel 41 van de Wet WIA. Voorts heeft de Raad in zijn uitspraak van 25 juli 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:2519) geoordeeld dat in het geval van zeer aanzienlijke en blijvende arbeidsbeperkingen, het Uwv ter onderbouwing van het standpunt dat geen recht bestaat op een IVA-uitkering omdat geen sprake is van duurzaamheid van de arbeidsbeperkingen, niet zal kunnen volstaan met de enkele inschatting van de verzekeringsarts dat de belastbaarheid op een slechts beperkt (deel)terrein of in een slechts beperkte mate nog zal kunnen verbeteren. In een dergelijk geval zal tevens aannemelijk moeten worden gemaakt dat aan die beperkte verbetering van de belastbaarheid relevantie toekomt voor de beoordeling van de arbeidsmogelijkheden en het daaraan te ontlenen verdienvermogen.

4.5.

Niet in geschil is dat bij ex-werkneemster sprake is van een complex van lichamelijke en psychische klachten. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft, met toepassing van het Beoordelingskader, het standpunt ingenomen dat verbetering van de belastbaarheid niet zonder meer is uitgesloten (stap 1), maar dat doorslaggevende argumenten voor de aanname dat verbetering in het eerstkomende jaar is te verwachten ontbreken (stap 2b). Vervolgens is de verzekeringsarts bezwaar en beroep tot de conclusie gekomen dat verbetering van de belastbaarheid op de lange termijn te verwachten is (stap 3a), omdat een HNP-operatie vooralsnog niet uitgesloten is. Bij verbetering van de lichamelijke klachten ten gevolge van de HNP-operatie is ook op de psychische problematiek positieve invloed te verwachten bij de bestaande interventies.

4.6.

Het hoger beroep slaagt. De motivering van de verzekeringsarts bezwaar en beroep is niet overtuigend. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft onvoldoende gemotiveerd dat door een HNP-operatie het complexe ziektebeeld van appellante zodanig kan worden beïnvloed dat zij hierdoor, wellicht niet in het eerste jaar maar wel in de jaren daarna, benutbare mogelijkheden voor arbeid zal krijgen. Hierbij is van belang dat niet in geschil is dat appellante sinds 26 november 2012 wegens een complex ziektebeeld geen benutbare mogelijkheden voor arbeid heeft. Pas bij een herbeoordeling in mei 2014 bleek dat daar nog rugklachten bij waren gekomen, wat tot een verslechtering van haar medische toestand leidde. Ook is van belang, hoewel het puur gaat om de beoordeling rond maart 2015, dat het Uwv appellante inmiddels met ingang van 31 augustus 2016 in aanmerking heeft gebracht voor een IVA-uitkering wegens wisselende mogelijkheden voor het verrichten van arbeid op basis van het oorspronkelijke, complexe ziektebeeld zonder dat de later bijkomende rugproblematiek hierbij een rol speelde. Gelet op het voorgaande ziet de Raad aanleiding om vast te stellen dat op de datum in geding van 23 maart 2015 reeds sprake was van een situatie van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid. Door de verzekeringsarts bezwaar en beroep is onvoldoende gemotiveerd dat op de datum in geding verbetering van de belastbaarheid op lange termijn te verwachten was en dat van een situatie van duurzame volledige arbeidsongeschiktheid op de datum in geding (nog) geen sprake was.

4.7.

Uit de overwegingen 4.2. tot en met 4.6 volgt dat de rechtbank bij de aangevallen uitspraak ten onrechte het bestreden besluit in stand heeft gelaten. Die uitspraak komt dan ook voor vernietiging in aanmerking. Het beroep tegen het bestreden besluit wordt gegrond verklaard en dit besluit wordt vernietigd. Er is aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb het besluit van 26 mei 2015 te herroepen en te bepalen dat ex-werkneemster met ingang van 23 maart 2015 in aanmerking komt voor een IVA-uitkering.

4.8.

Er is aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden, onder toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op een bedrag van in totaal € 2.505,- wegens verleende professionele rechtsbijstand in bezwaar (1 punt), beroep (2 punten) en hoger beroep (2 punten).

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 24 december 2015 gegrond en vernietigt dat
besluit;

- herroept het besluit van 26 mei 2015 en bepaalt dat ex-werkneemster met ingang van

23 maart 2015 recht heeft op een IVA-uitkering;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 24 december 2015;

- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van in totaal € 2.505,-;

- bepaalt dat het Uwv aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van

in totaal € 837,- aan haar vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A.T. de Kwaasteniet in tegenwoordigheid van M.A.E. Lageweg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op

21 november 2018.

(getekend) A.T. de Kwaasteniet

(getekend) M.A.E. Lageweg

md