Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:3654

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-11-2018
Datum publicatie
22-11-2018
Zaaknummer
18-1880 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1) WGA-uitkering ten onrechte ingetrokken. De door de rechtbank ingeschakelde onafhankelijke deskundige heeft geconcludeerd dat betrokkene rond 16 februari 2016 niet over in reguliere arbeid inzetbare mogelijkheden beschikte. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat er geen aanleiding is om af te wijken van het in vaste rechtspraak besloten liggende uitgangspunt dat het oordeel van de onafhankelijke, door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige wordt gevolgd. 2) Met ingang van 1 mei 2016 geen recht op WIA-uitkering. Gezien het oordeel over besluit 1, wordt besluit 2 vernietigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2019/19 met annotatie van A.C. Hendriks
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 1880 WIA, 18/3752 WIA

Datum uitspraak: 14 november 2018

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Den Haag van

26 februari 2018, 16/5100, gerectificeerd op 30 maart 2018, 16/5100 (aangevallen uitspraak 1) en 19 juni 2018, 17/2283 (aangevallen uitspraak 2)

Partijen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Het Uwv heeft hoger beroep ingesteld tegen aangevallen uitspraak 1.

Namens betrokkene heeft mr. F. Güner, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Namens betrokkene heeft mr. Güner hoger beroep ingesteld tegen aangevallen uitspraak 2.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

De zaken zijn gevoegd behandeld ter zitting op 24 oktober 2018. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Güner en zijn dochter [naam dochter] . Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. de Rooy-Bal.

OVERWEGINGEN

1.1.

Betrokkene was laatstelijk werkzaam als medewerker tuinbouw voor 38 uur per week. Hij heeft zich op 15 december 2006 ziek gemeld wegens lichamelijke klachten. Naar aanleiding van de aanvraag van betrokkene om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft het Uwv vastgesteld dat betrokkene vanaf 12 december 2008 recht heeft op een WGA-uitkering volledige arbeidsongeschiktheid.

1.2.

In het kader van een herbeoordeling is betrokkene onderzocht op het spreekuur van een verzekeringsarts van het Uwv. Deze arts heeft de beperkingen van betrokkene weergegeven in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 9 november 2015. Een arbeidsdeskundige heeft vervolgens functies geselecteerd en op basis daarvan de mate van arbeidsongeschiktheid van betrokkene berekend. Het Uwv heeft bij besluit van 14 december 2015 vastgesteld dat betrokkene vanaf 16 februari 2016 geen recht meer heeft op een WGA-uitkering omdat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid met ingang van die datum minder dan 35% is.

1.3.

Het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 14 december 2015 is bij besluit van

10 mei 2016 (bestreden besluit 1) ongegrond verklaard. Daaraan heeft het Uwv ten grondslag gelegd een rapport van 25 april 2016 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een rapport van 10 mei 2016 van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep.

1.4.

Op 19 mei 2016 heeft betrokkene opnieuw een WIA-uitkering aangevraagd. Naar aanleiding van deze melding is betrokkene gezien door een verzekeringsarts. Deze arts heeft de beperkingen van betrokkene weergegeven in een FML van 11 juli 2016. Een arbeidsdeskundige heeft vervolgens functies geselecteerd en op basis daarvan de mate van arbeidsongeschiktheid van betrokkene berekend. Bij besluit 3 augustus 2016 heeft het Uwv vastgesteld dat voor betrokkene met ingang van 1 mei 2016 geen recht op een uitkering op grond van de Wet WIA is ontstaan, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt was.

1.5.

Het Uwv heeft het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 3 augustus 2016 bij besluit van 14 februari 2017 (bestreden besluit 2) ongegrond verklaard onder verwijzing naar een rapport van 13 februari 2017 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep.

2.1.

Bij de aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit 1 vernietigd, het besluit van 14 december 2015 herroepen en bepaald dat haar uitspraak in de plaats komt van het bestreden besluit 1, met bepalingen omtrent proceskosten en griffierecht. De rechtbank heeft zelf in de zaak voorzien door te bepalen dat betrokkene per 16 februari 2016 onverminderd in aanmerking komt voor uitkering ingevolge de Wet WIA, naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. De rechtbank heeft daarmee het oordeel van de door haar ingeschakelde deskundige, verzekeringsarts

H.M.Th. Offermans, gevolgd en het commentaar van de verzekeringsarts bezwaar en beroep op de bevindingen van de deskundige verworpen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de deskundige in de rapporten van 18 oktober 2017 en de aanvulling van 15 januari 2018 op een heldere en adequate wijze – aan de hand van de stukken die op deze beroepsprocedure betrekking hebben en de gegevens verkregen bij het eigen onderzoek, zoals het dagverhaal en de medische informatie van de behandelend sector – beargumenteerd op grond waarvan betrokkene rond de datum in geding (16 februari 2016) niet over in reguliere arbeid inzetbare mogelijkheden beschikte. De rechtbank heeft hieruit afgeleid dat betrokkene geen benutbare mogelijkheden heeft als bedoeld in artikel 2, vijfde lid, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten. Hieruit volgt dat per de datum in geding sprake is van volledige arbeidsongeschiktheid, zijnde de arbeidsongeschiktheidsklasse 80 tot 100%.

2.2.

Bij aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen bestreden

besluit 2 niet-ontvankelijk verklaard. Betrokkene heeft naar het oordeel van de rechtbank, gelet op de aangevallen uitspraak 1, geen procesbelang bij de beoordeling van het bestreden besluit 2.

3.1.

Het Uwv kan zich niet verenigen met de aangevallen uitspraak 1. In hoger beroep heeft het Uwv gesteld dat er redenen zijn om af te wijken van het advies van de door de rechtbank ingeschakelde deskundige Offermans. Daartoe is door het Uwv aangevoerd dat zowel Offermans, als de door betrokkene ingeschakelde deskundige, bedrijfsarts F.H. van den Burg, hun oordeel voornamelijk hebben gebaseerd op de ernst van de psychische klachten van betrokkene. De door het Uwv geraadpleegde psychiater Van der Meer komt blijkens zijn rapporten van 13 oktober 2017 en 7 augustus 2018 nu juist tot het oordeel dat er geen aanleiding bestaat om in het geval van betrokkene een ernstig psychiatrisch toestandsbeeld te veronderstellen.

3.2.

Betrokkene heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak 1 bepleit. Betrokkene heeft aangevoerd dat de rechtbank met de aangevallen uitspraak 2 zijn beroep ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In geschil is of het Uwv terecht heeft vastgesteld dat betrokkene per 16 februari 2016 en

1 mei 2016 geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wet WIA, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.

4.2.

Op grond van artikel 4 van de Wet WIA is volledig en duurzaam arbeidsongeschikt hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Op grond van artikel 5 van de Wet WIA is gedeeltelijk arbeidsgeschikt hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, doch die niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is.

4.3.

In de eerste plaats wordt vastgesteld dat uit wat door het Uwv in hoger beroep is aangevoerd kan worden afgeleid – ter zitting is dit door de gemachtigde van het Uwv bevestigd – dat het Uwv van mening is dat voor betrokkene op beide data dezelfde beperkingen – ook naar aard en mate daarvan – aan de orde zijn.

4.4.

De door de rechtbank ingeschakelde onafhankelijke deskundige, verzekeringsarts Offermans, heeft in zijn rapport van 18 oktober 2017 geconcludeerd dat er bij betrokkene rond 16 februari 2016 sprake was van depressieve problematiek, onvoldoende gereguleerde diabetes mellitus, radiculaire klachten in relatie tot een HNP op het niveau L5-S1 en cardiale problematiek. De deskundige is tot de conclusie gekomen dat betrokkene rond 16 februari 2016 niet over in reguliere arbeid inzetbare mogelijkheden beschikte. De deskundige heeft, mede op basis van medische informatie van GZ-psycholoog C. Dedei van 2 juni 2017, vastgesteld dat de ernst van de psychische problematiek in de loop der jaren lijkt te zijn toegenomen, waardoor betrokkene in toenemende mate afhankelijk is geworden van hulp en ondersteuning door derden. Uit de onderzoeksresultaten heeft de deskundige de conclusie getrokken dat betrokkene disfunctioneert op het vlak van zelfverzorging en in de gezins- en sociale rolvervulling.

4.5.

Het Uwv heeft als reactie rapporten van psychiater Van der Meer van 13 oktober 2017 en 7 augustus 2018 ingebracht. Op verzoek van het Uwv heeft Van der Meer een expertise verricht. Van der Meer heeft geconcludeerd dat er bij betrokkene sprake was van een ongespecificeerde aanpassingsstoornis. Van der Meer heeft gerapporteerd dat een aanpassingsstoornis in algemene zin is op te vatten als lichte problematiek die niet gepaard gaat met ernstige beperkingen. In het geval van betrokkene lijkt de meest plausibele en consistente beperking dan ook gelegen in de aggraverende klachtenpresentatie als zodanig, waarbij de neiging om de huidige stressvolle omstandigheden niet zozeer actief aan te pakken als wel te vertalen in een uitgebreid klachtenpatroon, zou kunnen worden opgevat als een passieve manier van coping. Het is volgens Van der Meer aannemelijk dat het huidige beeld reeds lange tijd bestaat, en dus ook op de beide data in geding.

4.6.

De rechtbank heeft de reacties van het Uwv en het rapport van Van der Meer voorgelegd aan de deskundige. Uit het tweede rapport van de deskundige van 15 januari 2018 volgt dat hij geen aanleiding ziet om zijn eerder verwoorde conclusies ten aanzien van de belastbaarheid van betrokkene te herzien.

4.7.

Als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke door hem ingeschakelde deskundige kan volgen indien de door deze deskundige gebezigde motivering hem overtuigend voorkomt. Terecht heeft de rechtbank de deskundige gevolgd, nu deze zorgvuldig en met inachtneming van alle beschikbare informatie tot zijn conclusie is gekomen, zijn rapport inzichtelijk en consistent is en zijn advies overtuigend heeft gemotiveerd, waarbij hij op de hoogte was van de visie van Van der Meer. Dat het rapport afwijkt van de opvatting van een andere, door een der partijen geraadpleegde, deskundige is op zichzelf niet voldoende om tot een ander oordeel te komen. De deskundige heeft inzichtelijk de bezwaren tegen het gestelde in zijn rapport besproken en de Raad heeft geen aanleiding aan zijn bevindingen te twijfelen. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat er geen aanleiding is om af te wijken van het in vaste rechtspraak besloten liggende uitgangspunt dat het oordeel van de onafhankelijke, door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige wordt gevolgd (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 4 augustus 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2902).

4.8.

Gelet op de overwegingen 4.1 tot en met 4.7 slaagt het hoger beroep van het Uwv niet. De aangevallen uitspraak 1 waarbij het bestreden besluit 1 is vernietigd, wordt bevestigd.

4.9.

Uit het vorenstaande vloeit tevens voort dat de aangevallen uitspraak 2 voor vernietiging in aanmerking komt, dat het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit 2 gegrond dient te worden verklaard en dat het bestreden besluit dient te worden vernietigd onder herroeping van het primaire besluit van 3 augustus 2016.

5. Er is gezien het overwogene over aangevallen uitspraak 1, aanleiding het Uwv te veroordelen in de kosten van betrokkene begroot op € 1.002,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand. Gelet op hetgeen is overwogen over aangevallen uitspraak 2 bestaat daarin eveneens aanleiding om het Uwv te veroordelen in de kosten van betrokkene. Deze worden begroot op € 1.002,- in bezwaar, € 1.002,- in beroep en € 1.002,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand. De door het Uwv te vergoeden kosten worden in totaal begroot op een bedrag van € 4.008,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    bevestigt aangevallen uitspraak 1;

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak 2;

  • -

    verklaart het beroep tegen het bestreden besluit 2 gegrond en vernietigt dat besluit;

  • -

    herroept het besluit van 3 augustus 2016 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het bestreden besluit 2;

  • -

    veroordeelt het Uwv in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 4.008,-;

  • -

    heft van het Uwv een griffierecht van € 508,-.

Deze uitspraak is gedaan door A.T. de Kwaasteniet, in tegenwoordigheid van
M.A.E. Lageweg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 november 2018.

(getekend) A.T. de Kwaasteniet

(getekend) M.A.E. Lageweg

IvR