Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:365

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-01-2018
Datum publicatie
08-02-2018
Zaaknummer
16/7698 WW-T
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak. Onaanvaardbaar beleid. Appellant heeft aan zijn verzoek om terug te komen van het boetebesluit geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag gelegd. Het beleid van het Uwv met betrekking tot zijn bevoegdheid om terug te komen van rechtens onaantastbaar geworden boetebesluiten die zijn genomen op grond van het per 1 januari 2013 geldende boeteregime, houdt in dat onherroepelijke boetebesluiten die mogelijk niet in lijn zijn met de uitspraak van de Raad (ECLI:NL:CRVB:2014:3754) niet worden herzien indien niet is gebleken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. Door aanwending van zijn bevoegdheid tot herziening van de hier bedoelde besluiten categoraal uit te sluiten wordt geen redelijk gebruik gemaakt van die bevoegdheid. Het beleid van het Uwv is daarom niet aanvaardbaar. Het bestreden besluit is ondeugdelijk gemotiveerd. De Raad draagt het Uwv op het gebrek te herstellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2018/82 met annotatie van Redactie
SZR-Updates.nl 2018-0019
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/7698 WW-T

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

11 november 2016, 16/3635 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 31 januari 2018

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en een vraag van de Raad beantwoord.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 oktober 2017. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. de Rooy-Bal.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is met ingang van 1 augustus 2012 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW).

1.2.

Bij besluit van 4 juli 2014 heeft het Uwv aan appellant een boete van € 4.162,90, zijnde 100% van het benadelingsbedrag, opgelegd in verband met het niet doorgeven van zijn werkzaamheden via Uitzendbureau [naam uitzendbureau] in de periode van 17 juni 2013 tot en met 15 september 2013. Bij beslissing op bezwaar van 18 september 2014 heeft het Uwv het door appellant tegen het besluit van 4 juli 2014 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Appellant heeft daar geen rechtsmiddelen tegen aangewend.

1.3.

Appellant heeft voor de betaling van de boete en de terugbetaling van ten onrechte verstrekte WW‑uitkering een betalingsregeling met het Uwv getroffen.

1.4.

Bij brief van 21 februari 2016 heeft appellant aandacht gevraagd voor zijn benarde financiële situatie en het Uwv verzocht opnieuw naar de boete te kijken. Het Uwv heeft deze brief aangemerkt als een verzoek terug te komen van het besluit van 18 september 2014. Bij besluit van 29 maart 2016 heeft het Uwv dit verzoek afgewezen omdat door appellant geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden naar voren zijn gebracht.

1.5.

Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 29 maart 2016. Daarbij heeft hij aangevoerd dat hij sinds maart 2013 te kampen heeft ongemakken en dat op 22 mei 2013 de diagnose epilepsie is gesteld.

1.6.

Bij beslissing op bezwaar van 11 april 2016 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 29 maart 2016 ongegrond verklaard. Het Uwv heeft in dit besluit verwezen naar artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en zich op het standpunt gesteld dat door appellant geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden naar voren zijn gebracht, nu de diagnose al in de eerdere procedure naar aanleiding van het besluit van 4 juli 2014 bekend was.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen appellant geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden naar voren heeft gebracht die herziening van het besluit van 4 juli 2014 rechtvaardigen. Dat wat appellant in deze zaak heeft aangevoerd vormt een herhaling van wat al bij het Uwv bekend was of kan evident niet leiden tot wijziging van het besluit van 4 juli 2014.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep erkend dat hij geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden heeft aangevoerd. Hij vindt de weigering van het Uwv terug te komen van het boetbesluit van 4 juli 2014 echter (evident) onredelijk. Appellant stelt dat hij weliswaar verkeerd heeft gehandeld door zijn werkhervatting destijds niet schriftelijk te melden en acht een boete terecht, maar hij vindt een boete ter hoogte van 100% van het benadelingsbedrag te hoog.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. Het Uwv heeft erop gewezen dat het boetebesluit een vaststaand besluit is, geen duuraanspraak betreft, is genomen in overeenstemming met de toen geldende regelgeving en dat er geen zogenoemde nova zijn aangevoerd. Ondanks het feit dat destijds op grond van het vanaf 1 januari 2013 geldende boeteregime een boete van € 4.162,90 (100% van het benadelingsbedrag) is opgelegd, terwijl een berekening van de boete volgens het huidige boeteregime zou leiden tot een boete van € 2.081,45 (50% van het benadelingsbedrag), is er volgens het Uwv geen grond om de aan appellant opgelegde boete te herzien en acht het Uwv de afwijzing op grond van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb juist, mede omdat de wetgever te kennen heeft gegeven een besluit als hier aan de orde niet te willen corrigeren. Het Uwv heeft in dit verband verwezen naar de brief van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 30 april 2015 aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal (2015-0000078610). Het Uwv heeft besloten gevolg te geven aan het in die brief neergelegde verzoek om niet terug te komen van onherroepelijke boetebesluiten die mogelijk niet in lijn zijn met de uitspraak van de Raad van 24 november 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:3754). Naar de mening van het Uwv kan de afwijzing niet worden gezien als evident onredelijk. Verder heeft het Uwv betoogd dat een aanpassing van het boetebesluit een grote breuk zou betekenen met de rechtspraak tot nu toe, omdat een bestuursorgaan zich dan niet meer kan beroepen op zijn rechtszekerheid en omdat de vaste bezwaar- en beroepstermijnen in dat geval een dode letter zouden worden. Het zou ook betekenen dat de rechter de opvatting van de wetgever, zoals neergelegd in artikel 4:6, tweede lid, van de Awb, terzijde zou schuiven.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In artikel 4:6, eerste lid, van de Awb is bepaald dat, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden is nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. Op grond van het tweede lid van dit artikel kan, wanneer geen nieuwe gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, het bestuursorgaan zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 van de Awb de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking.

4.2.1.

In zijn uitspraak van 20 december 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:4872) heeft de Raad in navolging van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 23 november 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:3131) zijn rechtspraak over de toetsing door de bestuursrechter van besluiten over een herhaalde aanvraag of een verzoek om terug te komen van een besluit gewijzigd. In een geval als hier aan de orde, waar is verzocht om terug te komen van een besluit, leidt dat tot het volgende.

4.2.2.

Uitgangspunt is dat een bestuursorgaan in het algemeen bevoegd is om naar aanleiding van een verzoek om terug te komen van een besluit het oorspronkelijke besluit in volle omvang te heroverwegen. Het bestuursorgaan kan zo'n verzoek inwilligen of afwijzen, ook als de rechtzoekende aan zijn verzoek geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag heeft gelegd. Het bestuursorgaan kan er ingevolge artikel 4:6, tweede lid, van de Awb ook nog steeds voor kiezen om, als er volgens hem geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn, het verzoek om terug te komen van een besluit af te wijzen onder verwijzing naar dat eerdere besluit. Als het bestuursorgaan aldus – overeenkomstige – toepassing geeft aan artikel 4:6, tweede lid, van de Awb, dan toetst de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden en eventueel door het bestuursorgaan gevoerd beleid, of het bestuursorgaan zich terecht, en zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd, op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als de bestuursrechter tot het oordeel komt dat het bestuursorgaan zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn, dan kan dat de afwijzing van het verzoek om terug te komen van een besluit in beginsel dragen. De bestuursrechter kan aan de hand van wat de rechtzoekende heeft aangevoerd evenwel tot het oordeel komen dat het besluit op het verzoek om terug te komen van een eerder besluit evident onredelijk is. Als het bestuursorgaan beleid voert, toetst de bestuursrechter in de eerste plaats of het bestuursorgaan een juiste toepassing heeft gegeven aan zijn beleid.

4.3.

Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6, eerste lid, van de Awb worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd. Rechterlijke uitspraken worden op grond van vaste rechtspraak (onder meer de uitspraak van de Raad van 12 juni 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1984) niet aangemerkt als nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Gelet hierop is het door de rechtbank onderschreven standpunt van het Uwv dat appellant aan zijn verzoek geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag heeft gelegd, juist en kan dit, gelet op het in 4.2.2 weergegeven toetsingskader, de afwijzing van het verzoek om terug te komen van het boetebesluit in beginsel dragen.

4.4.

Vervolgens moet worden beoordeeld of het bestreden besluit om niet terug te komen van het besluit van 18 september 2014 evident onredelijk is. Het in 3.2 weergegeven beleid van het Uwv met betrekking tot zijn bevoegdheid om terug te komen van rechtens onaantastbaar geworden boetebesluiten die zijn genomen op grond van het per 1 januari 2013 geldende boeteregime, houdt in dat onherroepelijke boetebesluiten die mogelijk niet in lijn zijn met de uitspraak van de Raad van 24 november 2014 niet worden herzien indien niet is gebleken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. Dit beleid is gebaseerd op de brief van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 30 april 2015 over de gevolgen van bedoelde uitspraak voor reeds genomen boetebesluiten. Volgens dit beleid wordt nooit teruggekomen van eerder genomen besluiten en wordt daarop ook nooit een uitzondering gemaakt. Door aanwending van zijn bevoegdheid tot herziening van de hier bedoelde besluiten categoraal uit te sluiten wordt geen redelijk gebruik gemaakt van die bevoegdheid. Het beleid van het Uwv is daarom niet aanvaardbaar.

4.5.

Uit 4.4 volgt dat het bestreden besluit ondeugdelijk is gemotiveerd en is genomen in strijd met artikel 7:12 van de Awb.

4.6.

Er is aanleiding om met toepassing van artikel 8:51d van de Awb het Uwv op te dragen het gebrek in het bestreden besluit te herstellen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep draagt het Uwv op om binnen 3 maanden na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het besluit van 11 april 2016 te herstellen overeenkomstig hetgeen de Raad heeft overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en A.I. van der Kris en E. Dijt als leden, in tegenwoordigheid van J.W.L. van der Loo als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 januari 2018.

(getekend) H.G. Rottier

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

NW