Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:3636

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-11-2018
Datum publicatie
20-11-2018
Zaaknummer
16/3512 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het Uwv heeft terecht vastgesteld dat appellant geen recht heeft op een WIA-uitkering. Voldoende medische grondslag. Voldoende gemotiveerd toegelicht dat voor een urenbeperking geen reden (meer) was. Voldoende gemotiveerd dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht voor appellant geschikt zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 3512 WIA

Datum uitspraak: 14 november 2018

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van

15 april 2016, 15/3140 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. C.J.M. van den Bos-Ackermans, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 oktober 2018. Appellant en zijn gemachtigde zijn niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

A.H.G. Boelen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is op 14 oktober 2010 uitgevallen voor zijn werk als
bezorger/expeditiemedewerker voor 40 uur per week. Op 28 oktober 2010 is hij geopereerd aan een goedaardige reusceltumor aan de bekkenkam. Na een wachttijd van 104 weken werd hij niet in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA), omdat werd vastgesteld dat zijn arbeidsongeschiktheidspercentage per 11 oktober 2012 minder dan 35 was.

1.2.

Appellant heeft vanaf 1 november 2012 gewerkt als leerling fietsenmaker bij een rijwielhandel op basis van een contract voor 3,79 tot 15 uur per week. Op 27 maart 2013 heeft hij zich ziek gemeld met toegenomen rugklachten. Het Uwv heeft appellant daarop in aanmerking gebracht voor ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW). Na een

eerstejaars ZW-beoordeling (EZWb) is deze uitkering voortgezet.

1.3.

In het kader van een WIA-aanvraag heeft appellant op 2 april 2015 het spreekuur van een verzekeringsarts bezocht. De verzekeringsarts heeft de mogelijkheden en beperkingen van appellant per 2 april 2015 vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van

2 april 2015. De daarin opgenomen urenbeperking heeft hij blijkens zijn rapport van 7 april 2015 laten vervallen, omdat er geen verzekeringsgeneeskundige argumenten waren voor een additionele urenbeperking binnen de reeds geformuleerde beperkingen. Een arbeidsdeskundige heeft daarna op basis van een drietal geselecteerde functies berekend dat appellant met passend werk meer dan 65% kan verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd. Het arbeidsongeschiktheidspercentage is vastgesteld op 21,10. Bij besluit van 10 april 2015 heeft het Uwv vervolgens vastgesteld dat appellant met ingang van 25 maart 2015 (datum in geding) geen recht heeft op een WIA-uitkering, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.

1.4.

Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van

17 september 2015 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 3 juli 2015 en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 14 september 2015 ten grondslag.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft zij overwogen dat niet gezegd kan worden dat het verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek onzorgvuldig is geweest. Appellant heeft geen medische gegevens in het geding gebracht die twijfel wekken over de volledigheid of de correctheid van de vaststelling van zijn belastbaarheid op de datum in geding. Er is naar het oordeel van de rechtbank geen reden om aan te nemen dat de mogelijkheden en beperkingen van appellant onvolledig of op onjuiste wijze in de FML van

7 april 2015 zijn neergelegd. Appellant moet medisch gezien in staat worden geacht de geselecteerde functies die aan het bestreden besluit ten grondslag liggen te vervullen.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat het Uwv de uit zijn rug- en bekkenklachten voortvloeiende beperkingen heeft onderschat. In de aan de EZWb ten grondslag gelegde FML van 21 maart 2014 is appellant aanzienlijk meer beperkt geacht. Volgens hem is die FML op de datum in geding nog steeds meer op hem van toepassing dan de FML van 7 april 2015. Ter ondersteuning van zijn standpunt dat zijn beperkingen zijn onderschat, heeft appellant een rapport van 23 maart 2017 van orthopedisch chirurg E.W. van Laarhoven overgelegd. Van Laarhoven, die appellant op 28 september 2016 heeft onderzocht, heeft te kennen gegeven dat appellant gering beperkt is voor staan, zitten, kruipen, hurken, duwen en gebogen werken en matig beperkt is voor lopen, traplopen, klimmen, klauteren, bukken en torderen.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit, onder verwijzing naar een rapport van 23 mei 2017 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 5 van de Wet WIA is de verzekerde gedeeltelijk arbeidsongeschikt als hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van onder meer ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, maar niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is.

4.2.

Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd vormt geen aanleiding anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. De verzekeringsarts bezwaar en beroep is uitgegaan van geobjectiveerde afwijkingen van het bekken en daardoor ontstane rugklachten en heeft in verband met deze klachten beperkingen aangenomen. Er is geen aanknopingspunt voor het oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de rug- en bekkenklachten op de datum in geding heeft onderschat. Daarbij wordt in aanmerking genomen zijn toelichting in dat het belangrijk is dat appellant aan de ene kant voldoende beweegt om het spierapparaat in conditie te houden, zodat dit zijn compensatoire, steun gevende functie kan uitoefenen, zonder daarbij aan de andere kant te forceren. Inactiviteit zal volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep alleen maar leiden tot een toename van klachten. Een verdergaande beperking voor lopen is vanwege het risico van vochtretentie niet aangewezen. Gezien de door de behandelend orthopeed beschreven afwezigheid van functionele beperkingen is een verdergaande beperking voor zitten en staan niet aan de orde. Voldoende is dat na maximaal een half uur aaneengesloten staan een substantiële onderbreking plaatsvindt, waarbij is betrokken dat door de combinatie van beperkingen voldoende afwisseling wordt bereikt. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft verder met een verwijzing naar het dagverhaal, waaruit geen bijzondere vermoeidheid blijkt, en naar de aard van de klachten voldoende gemotiveerd toegelicht dat voor een urenbeperking geen reden (meer) was.

4.3.

Het in hoger beroep overgelegde rapport van orthopedisch chirurg Van Laarhoven leidt niet tot een ander oordeel. Daartoe wordt overwogen dat het onderzoek door Van Laarhoven op 28 september 2016, en dus ruim een jaar na de datum in geding, is verricht. Van Laarhoven lijkt appellant met de door hem als gering en matig gekwalificeerde beperkingen in de rubrieken dynamische handelingen en statische houdingen in 2016 aanzienlijk minder beperkt te achten dan nog in de FML van 21 maart 2014 is aangenomen en noemt ook geen urenbeperking. In de FML van 7 april 2015 zijn op alle door Van Laarhoven genoemde aspecten beperkingen aangenomen, op het aspect klimmen na. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in dat kader navolgbaar verwoord dat de door Van Laarhoven genoemde geringe en matige beperkingen niet één op één kunnen worden vertaald naar een FML, omdat de daarin aangegeven normaalwaarde al aan de lage kant is.

4.4.

Dat de door Van Laarhoven genoemde beperking voor klimmen niet voorkomt in de FML van 7 april 2015 heeft bovendien reeds geen beslissende betekenis, omdat klimmen in de geselecteerde functies niet voor komt.

4.5.

De rechtbank wordt ook gevolgd in haar oordeel dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht voor appellant geschikt zijn.

5. De overwegingen in 4.2 tot en met 4.5 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D. Hardonk-Prins, in tegenwoordigheid van L. Boersma als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 november 2018.

(getekend) D. Hardonk-Prins

(getekend) L. Boersma

md