Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:3630

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-11-2018
Datum publicatie
20-11-2018
Zaaknummer
16/2199 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het Uwv heeft terecht vastgesteld dat de hoogte van de WGA-loonaanvullingsuitkering niet wijzigt. Geen sprake van excessief ziekteverzuim.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 2199 WIA

Datum uitspraak: 14 november 2018

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van

29 februari 2016, 15/3421 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.S. Visser, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 oktober 2018. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Visser. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.R. Bos.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is in 2009 geopereerd aan een meningeoom. Zij was laatstelijk werkzaam als managementassistente voor 32,62 uur per week. Op 4 mei 2012 heeft zij zich ziek gemeld met epileptiforme klachten na een insult tijdens een vakantie in Shanghai. Op dat moment ontving zij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet. Het Uwv heeft appellante vervolgens in aanmerking gebracht voor ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW). Bij besluit van

12 maart 2014 heeft het Uwv vastgesteld dat appellante vanaf 2 mei 2014 recht heeft op een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). Daarbij is de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante vastgesteld op 100%. Bij besluit van 27 mei 2014 heeft het Uwv vastgesteld dat de loongerelateerde WGA-uitkering op 2 augustus 2014 eindigt en dat appellante vanaf die datum recht heeft op een WGA-loonaanvullingsuitkering gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2.

In het kader van een herbeoordeling heeft appellante op 22 januari 2015 het spreekuur van een verzekeringsarts bezocht. De verzekeringsarts heeft de mogelijkheden en beperkingen van appellante per 22 januari 2015 vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Een arbeidsdeskundige heeft daarna op basis van een drietal geselecteerde functies berekend dat appellante met passend werk nog 42,16% kan verdienen van het loon dat zij verdiende voordat zij ziek werd. Bij besluit van 16 februari 2015 heeft het Uwv vervolgens vastgesteld dat de hoogte van de WGA-loonaanvullingsuitkering niet wijzigt, maar dat de mate van arbeidsongeschiktheid is gewijzigd naar 42,16%.

1.3.

Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 16 juli 2015 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 13 juli 2015 en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 14 juli 2015 ten grondslag.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Zij heeft geoordeeld geen reden te hebben voor twijfel aan de zorgvuldigheid van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt. Daarbij is in aanmerking genomen dat de verzekeringsartsen informatie van de behandelend neurologen bij hun beoordeling hebben betrokken. De rechtbank heeft vervolgens geoordeeld dat in de verzekeringsgeneeskundige rapporten inzichtelijk en overtuigend is gemotiveerd welke beperkingen appellante ondervindt voor het verrichten van arbeid en waarom geen aanleiding bestaat om haar meer of verdergaand beperkt te achten. De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat van een excessief ziekteverzuim geen sprake was. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 13 juli 2015 toegelicht dat bij appellante grotendeels sprake is van pseudo-epileptische aanvallen, die niet zo zwaar zijn als een evidente tonisch-clonische gegeneraliseerde epilepsieaanval. Uit de medische stukken, ook die in beroep zijn overgelegd, heeft de rechtbank niet kunnen afleiden dat die toelichting voor onjuist moet worden gehouden. Aan de in beroep overgelegde informatie van Duitse artsen die appellante hebben onderzocht kan naar het oordeel van de rechtbank voorbij worden gegaan, omdat deze informatie naar haar oordeel niet ziet op de datum in geding. Voor een urenbeperking is geen aanleiding gezien, omdat de medische stukken ter zake van de voor appellante gestelde medische beperkingen daartoe niet nopen. De arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit is, uitgaande van de juistheid van de voor appellante aangenomen beperkingen, juist geacht.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank de medische gegevens uit de stukken van Duitse artsen ten onrechte niet inhoudelijk bij haar oordeel heeft betrokken. Zij heeft erop gewezen dat uit deze stukken blijkt dat haar aanvallen wel degelijk als epileptisch en niet pseudo-epileptisch van aard worden beoordeeld. Appellante heeft verder aangevoerd dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep onvoldoende gedetailleerd is ingegaan op het door appellante gestelde hoge ziekteverzuim als gevolg van de aanvallen en dat ook de rechtbank haar oordeel op dit punt onvoldoende heeft onderbouwd. Volgens appellante moet haar ziekteverzuim als gevolg van de aanvallen als excessief worden aangemerkt, omdat zij geruime tijd nodig heeft om van een aanval te herstellen.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit, onder verwijzing naar rapporten van 21 januari 2016, 31 augustus 2018 en 28 september 2018 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het geschil tussen partijen spitst zich toe op de vraag of het te verwachten ziekteverzuim van appellante zodanig is, dat van een werkgever in redelijkheid niet kan worden verlangd haar te werk te stellen.

4.2.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad, bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2018:38, brengt een ziekteverzuim van rond 25% niet mee dat van een werkgever tewerkstelling van een werknemer in redelijkheid niet kan worden verlangd.

4.3.

Uit de beschikbare gegevens valt af te leiden dat, nadat zich bij appellante vanaf eind 2009 tot mei 2012 geen aanvallen hadden voorgedaan, vanaf april 2012 in wisselende frequentie en mate aanvallen zijn voorgekomen, waarbij er ook aanvalsvrije periodes waren, onder meer van november 2012 tot februari 2013. In mei 2013 is in Bonn epilepsie gediagnosticeerd. Na onderzoek door Sein eind 2013 is geconcludeerd dat appellante in mei 2012 in Shanghai waarschijnlijk een epileptische aanval heeft gehad en dat recente aanvallen van niet-epileptische aard zijn. In maart 2014 zijn bij een EEG geen eleptiforme afwijkingen waargenomen. Destijds zijn geen aanknopingspunten gezien voor tonisch clonische aanvallen. Ook in februari 2015 werd geen neurologische aanleiding gezien om te denken aan een mogelijk epileptische origine van de aanvallen, gelet op de onveranderde uitingsvorm daarvan. Daarbij is gemeld dat de aanvallen zich 4 à 5 maal per maand voordeden.

4.4.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft gesteld dat bij een pseudo-epileptische aanval een recuperatietijd van ongeveer een uur aan de orde is en bij een gegeneraliseerde epileptische aanval een recuperatietijd van ongeveer een dag. De vraag of de aanvallen die appellante heeft epileptisch dan wel pseudo-epileptisch van aard zijn, kan in deze procedure echter onbeantwoord blijven, gelet op het volgende.

4.5.

Appellante heeft bijgehouden dat zij in de periode 6 januari 2015 tot en met 10 april 2015 veertien aanvallen heeft gehad, waarbij zij twintig dagen nodig had om te herstellen, en is uitgegaan van een hersteltijd van gemiddeld een dag na een aanval. Zij heeft vervolgens aan de hand van het aantal uitkeringsdagen per maand berekend dat haar ziekteverzuim bij tewerkstelling daarmee zou uitkomen op 23,25%.

4.6.

Vastgesteld wordt dat, ook wanneer wordt uitgegaan van deze berekening van appellante, geen sprake is van een dusdanig ziekteverzuim dat haar tewerkstelling in redelijkheid niet van een werkgever kan worden verlangd. Daargelaten of deze berekening juist is, zijn er mede in het licht van hetgeen onder 4.3 is weergegeven daarom geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het Uwv ten onrechte het ziekteverzuim van appellante niet als excessief heeft bestempeld. Daarbij wordt ook het volgende betrokken.

4.7.

De aan de schatting ten grondslag gelegde functies wikkelaar, samensteller elektronische apparatuur, productiemedewerker (samenstellen van producten) en telefonist, receptionist en typist zijn niet persoonsgebonden en zijn eenvoudig van aard. Vervanging in die functies is, zoals het Uwv ter zitting overtuigend naar voren heeft gebracht, op eenvoudige wijze te realiseren. De door appellante in beroep genoemde functies met SBC-code 315150 vormen niet de basis voor de schatting. Verder zijn de kosten van ziekteverzuim voor de werkgever beperkt, gelet op artikel 29b van de ZW.

5. De overwegingen in 4.1 tot en met 4.7 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D. Hardonk-Prins, in tegenwoordigheid van L. Boersma als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 november 2018.

(getekend) D. Hardonk-Prins

(getekend) L.Boersma

OS