Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:3627

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-11-2018
Datum publicatie
20-11-2018
Zaaknummer
15/8059 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WIA-uitkering ten onrechte herzien. De door de Raad geraadpleegde deskundige heeft geconcludeerd dat bij appellant een persisterende depressieve stoornis aanwezig was, waarbij sprake was van een ernstige depressieve episode. Er zijn volgens deze deskundige meer beperkingen dan door de verzekeringsarts in de FML is aangenomen. Geen twijfel aan de conclusie van deze deskundige. Vernietiging bestreden besluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15 8059 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van

3 november 2015, 15/2506 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 8 november 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.P.J.L. Appelman, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 juni 2017. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Appelman. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door P.M.C. Beijen.

Na de behandeling van het geding ter zitting is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen.

De Raad heeft G.W. de Graaff, psychiater, als deskundige benoemd voor het instellen van een onderzoek.

De deskundige heeft op 17 mei 2018 een rapport uitgebracht waarover het Uwv zijn zienswijze naar voren heeft gebracht.

De deskundige heeft op 31 augustus 2018 nader gerapporteerd.

Met toestemming van partijen is een nadere zitting achterwege gebleven, waarna de Raad het onderzoek heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant heeft in een verzinkerij gewerkt. Op 2 mei 2011 heeft appellant zich, vanuit een situatie waarin hij een werkloosheidsuitkering ontving, ziek gemeld met psychische klachten en darm- en refluxklachten. Het Uwv heeft aan appellant vanaf 29 april 2013 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend, naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 62,38%.

1.2.

In oktober 2014 heeft een herbeoordeling plaatsgevonden van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant. Na een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 28 november 2014 vastgesteld dat appellant vanaf

29 januari 2015 recht heeft op een WGA-vervolguitkering, naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 57,23%. Daarbij is appellant ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse 55 tot 65%.

1.3.

Bij beslissing op bezwaar van 21 mei 2015 (bestreden besluit) is het bezwaar tegen het besluit van 28 november 2014, onder verwijzing naar het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 11 mei 2015, ongegrond verklaard. Het Uwv heeft daaraan ten grondslag gelegd dat appellant per 29 januari 2015 belastbaar is volgens de gewijzigde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 11 mei 2015 en dat de mate van arbeidsongeschiktheid wijzigt naar 57,21%. De indeling in de arbeidsongeschiktheidsklasse wijzigt echter niet.

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit, onder verwijzing naar aanvullende rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 11 juli 2015 en

1 oktober 2015, ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat zijn psychische klachten door het Uwv zijn onderschat. Hij verwijst daarvoor naar de in bezwaar ingebrachte brieven van

GZ-psycholoog Van Barneveld en psychiater Gerard, aangevuld door een verklaring van huisarts Verbree van 17 februari 2016, een werkplan van het Uwv en een verklaring van psychiater Severien van i-psy van 4 mei 2017. Verder is aangevoerd dat appellant ook anderszins meer beperkt is dan is aangenomen en dat de geduide functies niet geschikt zijn voor hem.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Gelet op de standpunten van partijen en de voorhanden zijnde medische gegevens, waaruit verschil van inzicht blijkt over de ernst van de klachten van appellant en de daaruit voortvloeiende beperkingen op 29 januari 2015, is aanleiding gezien psychiater De Graaff als deskundige te benoemen en hem te verzoeken op basis van onderzoek van appellant en op basis van de beschikbare gegevens een rapport uit te brengen.

4.2.

In zijn rapport heeft De Graaff geconcludeerd dat bij appellant op datum in geding een persisterende depressieve stoornis (dysthymie) aanwezig was, waarbij sprake was van een ernstige depressieve episode. Gezien de ernst van de depressie met sterke inactiviteit, de prikkelbaarheid en het sociaal isolement en de daaraan ten grondslag liggende sterke angst om naar buiten te gaan in verband met gemakkelijk optredende agressieve uitbarstingen, zijn er volgens deze deskundige meer beperkingen dan door de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de FML van 11 mei 2015 is aangenomen. De deskundige acht appellant meer beperkt dan is aangenomen ten aanzien van ‘vasthouden van de aandacht’, ‘herinneren’ en ‘zelfstandig handelen’. Verder kan de deskundige zich niet verenigen met het standpunt van de verzekeringsartsen dat appellant op datum in geding in staat was acht uur per dag/40 uur per week te werken. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat, gezien de ernst van het ziektebeeld, appellant op datum in geding geheel niet in staat was te werken.

4.3.

Als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter de conclusies van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde deskundige kan volgen indien de door deze deskundige gebezigde motivering hem overtuigend voorkomt. Deze situatie doet zich hier voor. Het rapport van de deskundige geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek en is inzichtelijk en consistent. Dat het rapport afwijkt van de opvatting van de verzekeringsarts bezwaar en beroep is op zichzelf niet voldoende om tot een ander oordeel te komen. In het geval van appellant heeft de deskundige, na kennisneming van de gegevens van de behandelende artsen en van de klachten van appellant alsmede na eigen onderzoek van appellant, de psychische klachten van appellant beschreven. Op grond daarvan heeft hij geconcludeerd dat er aanvullende beperkingen, waaronder een volledige urenbeperking, moeten worden aangenomen. Het behoort tot de specifieke deskundigheid van de medisch specialist te waarderen of er voldoende samenhang bestaat tussen de klachten van een verzekerde, de geconstateerde afwijkingen en de daardoor veroorzaakte stoornissen en beperkingen. Van de kant van het Uwv is in reactie hierop aangevoerd dat het rapport van de deskundige de nodige punten bevat, waarbij het Uwv vraagtekens plaatst. Volgens het Uwv is hooguit een aftopping op ‘vasthouden van de aandacht’ aan de orde, is er geen reden voor een beperking op ‘herinneren’ en alleen reden voor een beperking op subonderdeel 1 van ‘zelfstandig handelen’. Voor wat de urenbelasting betreft is het Uwv van mening dat een urenbelasting van 4 tot 6 uur per dag niet te belastend is. Wat het Uwv nader heeft aangevoerd leidt niet tot twijfel aan de conclusie van de door de Raad geraadpleegde deskundige. Van belang is dat de deskundige ook na kennisneming van de zienswijze van de verzekeringsarts bezwaar en beroep zijn standpunt heeft gehandhaafd.

4.4.

De overwegingen in 4.1 tot en met 4.3 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep van appellant slaagt. De aangevallen uitspraak en het bestreden besluit dienen te worden vernietigd. Het Uwv dient een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaar van appellant tegen het besluit van 28 november 2014, met inachtneming van de conclusies en bevindingen van deskundige De Graaff en de overweging in 4.2.

4.5.

Met het oog op een voortvarende afdoening van het geschil bestaat aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht te bepalen dat tegen het door het Uwv nieuw te nemen besluit slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.

5. Het verzoek van appellant om vergoeding van wettelijke rente kan nu niet worden toegewezen, omdat nadere besluitvorming door het Uwv noodzakelijk is. Het Uwv zal bij het nemen van een nader besluit ook aandacht moeten besteden aan de vraag of, en zo ja in hoeverre, er aanleiding is om schade te vergoeden.

6. Aanleiding bestaat het Uwv te veroordelen in de proceskosten die appellant in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten voor verleende rechtsbijstand worden begroot op € 1.002,- in beroep en op € 1.252,50 in hoger beroep.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    vernietigt de beslissing op bezwaar van 21 mei 2015;

  • -

    draagt het Uwv op een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak en bepaalt dat beroep tegen dit besluit slechts bij de Raad kan worden ingesteld;

  • -

    veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 2.254,50;

  • -

    bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 168,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.E. Bakker als voorzitter en M.A.H. van Dalen-van Bekkum en E.E.V. Lenos als leden, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 november 2018.

(getekend) R.E. Bakker

(getekend) M.D.F. de Moor

TM