Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:362

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-02-2018
Datum publicatie
06-02-2018
Zaaknummer
17/7912 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Opschorting uitbetaling WIA-uitkering. De voorzieningenrechter ziet geen aanknopingspunten om te concluderen dat van verzoekster niet kan worden gevergd het diagnostisch onderzoek te ondergaan in het door het Uwv aangewezen [naam ziekenhuis]. Verzoekster heeft niet met (medische) stukken onderbouwd dat er medische bezwaren zijn om de diagnostische opname in genoemd ziekenhuis te ondergaan. Het Uwv heeft afdoende gemotiveerd dat voor de diagnostische opname is gekozen voor het [naam ziekenhuis], gelet op de positieve ervaringen die het Uwv met dit ziekenhuis heeft. Het ziekenhuis is in staat gebleken de diagnostische observatie efficiënt te verrichten en gedurende de opname van 5 dagen tot een diagnose te komen. De stelling van verzoekster dat het [naam ziekenhuis] ver van haar woonplaats en haar familie is verwijderd, is geen reden om een opname aldaar onredelijk te achten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17/7912 WIA, 18/137 WIA-VV

Datum uitspraak: 5 februari 2018

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

Uitspraak met toepassing van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 27 oktober 2017, 17/2542 (aangevallen uitspraak) en op het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Awb van 5 januari 2018

Partijen:

[Verzoekster] te [woonplaats] (verzoekster)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens verzoekster heeft mr. D.D. Pietersz, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak en een verzoek om een voorlopige voorziening gedaan.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 januari 2018. Voor verzoekster is

mr. Pietersz verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F.A. Put.

OVERWEGINGEN

1. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Verzoekster is werkzaam geweest als secretaresse voor 32 uur per week. Op 1 oktober

2009 heeft zij zich ziek gemeld met oogklachten. Daarnaast heeft zij psychische klachten. Met ingang van 29 september 2011 heeft verzoekster een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) ontvangen. Hieraan lag onder meer een psychiatrische expertise van Psyon van 12 maart 2011 ten grondslag. Vanaf 29 augustus 2012 is verzoekster in aanmerking gebracht voor een WGA-loonaanvullingsuitkering, gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%.

1.2.

Op 28 december 2015 heeft verzoekster bij het Uwv gemeld dat haar

gezondheidstoestand is verslechterd. Zij is van mening dat zij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Wet WIA en recht heeft op een IVA-uitkering. In verband met deze aanvraag heeft een verzekeringsarts van het Uwv verzoekster gezien tijdens een spreekuurcontact op 1 juli 2016. Tijdens dit spreekuurcontact heeft verzoekster geen enkele vraag van de verzekeringsarts beantwoord en vertoonde zij mutistisch gedrag. De verzekeringsarts heeft een psychiater van Psyon verzocht een psychiatrische expertise te verrichten. In het expertiseverslag van 26 september 2016 heeft psychiater G.E.A. de Waard vermeld dat afname van de anamnese en het psychiatrisch onderzoek niet mogelijk was omdat verzoekster geen antwoord gaf en niet reageerde op de gestelde vragen. Uit informatie van de zus van verzoekster bleek dat verzoekster nergens onder behandeling is. Omdat verzoekster geen toestemming voor het inwinnen van informatie kon geven, was het niet mogelijk om bij de huisarts verdere informatie op te vragen.

1.3.

De verzekeringsarts heeft geconcludeerd dat op basis van de beschikbare gegevens,

inclusief de psychiatrische expertise, geen zorgvuldige uitspraak kan worden gedaan over de arbeidsmogelijkheden van verzoekster. In een brief aan verzoekster van 19 oktober 2016 heeft de verzekeringsarts gemeld dat voor een goede oordeelsvorming een diagnostische opname noodzakelijk is in het [naam ziekenhuis]. Verzoekster is erop gewezen dat zij verplicht is aan dit onderzoek mee te werken. Op 20 oktober 2016 is verzoekster uitgenodigd voor een diagnostische observatie van 14 november 2016 tot en met 18 november 2016. Op 14 november 2016 is verzoekster niet verschenen voor deze opname. In een brief van

2 december 2016 heeft het Uwv verzoekster nogmaals in de gelegenheid gesteld om mee te werken aan een diagnostische opname in het [naam ziekenhuis]. Het Uwv heeft verzoekster er nogmaals op gewezen dat zij volgens artikel 27, vijfde lid, van de Wet WIA verplicht is hieraan mee te werken. Verzoekster is uitgenodigd voor een diagnostische observatie van 19 december 2016 tot en met 23 december 2016. Verzoekster is opnieuw niet verschenen.

1.4.

Bij besluit van 19 januari 2017 heeft het Uwv verzoekster meegedeeld dat haar

WIA- uitkering met ingang van 1 februari 2017 niet langer wordt uitbetaald, omdat zij niet meewerkt aan een diagnostische opname in het [naam ziekenhuis], waardoor niet kan worden vastgesteld of zij nog langer een uitkering kan krijgen. Bij besluit van 10 mei 2017 heeft het Uwv het bezwaar van verzoekster tegen het besluit van 19 januari 2017 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van verzoekster tegen het

besluit van het Uwv van 10 mei 2017 ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv, gelet op het onder 1.2 genoemde rapport van psychiater De Waard, voldoende heeft onderbouwd dat een diagnostische opname noodzakelijk is om een juist oordeel te kunnen vormen over de belastbaarheid van verzoekster.

3.1.

In hoger beroep heeft verzoekster aangevoerd dat zij wel bereid is mee te werken aan een diagnostische opname, maar niet in het door het Uwv aangewezen ziekenhuis. Zij heeft gesteld dat het [naam ziekenhuis] te ver weg is om bezoek te kunnen ontvangen van haar familie. Verder heeft zij er geen vertrouwen in dat dit ziekenhuis in staat is een zorgvuldig onderzoek uit te voeren. Ter zitting heeft de gemachtigde van verzoekster een brief van 17 november 2016 overgelegd, waarin de huisarts melding maakt van een beoordeling op 6 maart 2012 op de poli acute psychiatrie [locatie] (Altrecht), waarbij als diagnose is vermeld: depressieve periode, ernstig met psychotische kenmerken, PTSS, schizofrenie. Verzoekster heeft verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat het Uwv haar een WIA-uitkering toekent totdat op het hoger beroep is beslist. Ter onderbouwing van haar stelling dat zij een spoedeisend belang heeft bij haar verzoek, heeft verzoekster aangegeven dat zij in het geheel geen inkomsten meer heeft en dat zij de ziektekostenpremie niet kan betalen. Verzoekster woont bij familie en wordt door hen onderhouden. Verzoekster heeft een omgekeerd dag- en nacht ritme en wordt nergens behandeld.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. Ter zitting is van de kant van het Uwv toegelicht dat een diagnostische opname noodzakelijk is om de belastbaarheid van verzoekster vast te kunnen stellen. Minder belastende onderzoeken door de verzekeringsarts en psychiater De Waard hebben geen resultaat gehad. Als een diagnostische opname noodzakelijk is verwijst het Uwv sinds enkele jaren naar het [naam ziekenhuis]. De ervaringen met dit ziekenhuis zijn positief. Het Uwv weet niet wat van andere ziekenhuizen op dit gebied kan worden verwacht. Het ziekenhuis in Tilburg is bij uitstek geschikt om te komen tot een juiste diagnose.

4. De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van de artikelen 8:104, eerste lid, en 8:108, eerste lid, van de Awb in verbinding met artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

4.2.

Op grond van artikel 8:108, eerste lid, van de Awb in verbinding met artikel 8:86, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter, indien hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak, tevens onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

4.3.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat in dit geval de onder 4.2 bedoelde situatie zich voordoet en overigens geen sprake is van een beletsel om tevens onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

4.4.

Verzoekster heeft in hoger beroep niet langer betwist dat een diagnostische opname noodzakelijk is om een juist oordeel te vormen over haar belastbaarheid. Tussen partijen is in hoger beroep uitsluitend nog in geschil of het Uwv van verzoekster mag verlangen dat zij deze diagnostische opname ondergaat in het [naam ziekenhuis].

4.5.

Op grond van artikel 27, vijfde lid, van de Wet WIA is de verzekerde verplicht te voldoen aan het voorschrift van het Uwv om zich ter observatie te doen opnemen in een aangewezen inrichting. Op grond van artikel 67, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wet WIA is het Uwv gerechtigd de betaling van de WIA-uitkering op te schorten indien verzoekster een verplichting uit artikel 27 van de Wet WIA niet is nagekomen.

4.6.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat uit de in artikel 27 van de Wet WIA neergelegde verplichting van de verzekerde, om mee te werken aan een door het Uwv noodzakelijk geacht medisch onderzoek, volgt dat de verzekerde haar medewerking niet afhankelijk mag maken van door haar zelf gestelde voorwaarden (zie de uitspraak van de Raad van 16 oktober 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:3699).

4.7.

De voorzieningenrechter ziet geen aanknopingspunten om te concluderen dat van verzoekster niet kan worden gevergd het diagnostisch onderzoek te ondergaan in het door het Uwv aangewezen [naam ziekenhuis]. Verzoekster heeft niet met (medische) stukken onderbouwd dat er medische bezwaren zijn om de diagnostische opname in genoemd ziekenhuis te ondergaan. De ter zitting overgelegde medische informatie betreft een diagnose uit 2012. Recente medische informatie ontbreekt geheel. Verder maakt verzoeksters verwijzing naar een voorval van meer dan 15 jaar geleden niet dat haar veiligheid in het

[naam ziekenhuis] niet zou kunnen worden gegarandeerd. Het Uwv heeft afdoende gemotiveerd dat voor de diagnostische opname is gekozen voor het [naam ziekenhuis], gelet op de positieve ervaringen die het Uwv met dit ziekenhuis heeft. Het ziekenhuis is in staat gebleken de diagnostische observatie efficiënt te verrichten en gedurende de opname van 5 dagen tot een diagnose te komen. De stelling van verzoekster dat het [naam ziekenhuis] ver van haar woonplaats en haar familie is verwijderd, is geen reden om een opname aldaar onredelijk te achten. De afstand is niet extreem groot en het gaat slechts om vijf dagen. Het Uwv heeft zich dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de diagnostische opname in het [naam ziekenhuis] noodzakelijk was voor de vaststelling van het recht op een WIA-uitkering. Verzoekster heeft tot tweemaal toe niet voldaan aan de oproep voor een diagnostische opname in het door het Uwv aangewezen ziekenhuis. Zij is gewezen op de gevolgen van het niet gehoor geven aan de oproep. Onder deze omstandigheden heeft het Uwv terecht de betaling van verzoeksters

WIA-uitkering opgeschort.

4.8.

Uit 4.3 tot en met 4.7 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. Gelet daarop bestaat geen grond voor het treffen van een voorlopige voorziening, zodat het verzoek daartoe zal worden afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van B. Dogan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 februari 2018.

(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen

(getekend) B. Dogan

UM