Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:3619

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-11-2018
Datum publicatie
19-11-2018
Zaaknummer
16/5474 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht meer op ziekengeld. Deugdelijke medische en arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 5474 ZW

Datum uitspraak: 14 november 2018

Centrale Raad van Beroep

enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

15 juli 2016, 16/1970 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.H. Klijnstra, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 oktober 2018. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Klijnstra. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

R.D. van den Heuvel.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante heeft zich op 2 februari 2010 ziek gemeld voor haar werkzaamheden als verkoopmedewerkster voor 34 uur per week. Het Uwv heeft vastgesteld dat appellante na afloop van de voorgeschreven wachttijd met ingang van 24 mei 2012 geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), omdat appellante per die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Appellante werd met haar beperkingen in staat geacht de functies van magazijn/expeditiemedewerker, productiemedewerker en wikkelaar/samensteller elektronische apparatuur te vervullen. Appellante is vervolgens in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet. In aansluiting op een uitkering op grond van de Wet arbeid en zorg heeft appellante zich op 25 augustus 2014 ziek gemeld in verband met depressieve klachten.

1.2.

In verband met deze ziekmelding heeft appellante op 15 oktober 2015 het spreekuur bezocht van een arts van het Uwv. Deze arts heeft appellante belastbaar geacht met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 15 oktober 2015. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat als maatstaf arbeid voor appellante geldt de in het kader van de WIA-beoordeling geselecteerde functies per

24 mei 2012 en dat appellante geschikt is voor de eerder geselecteerde functie van productiemedewerker. De verzekeringsarts heeft appellante vervolgens hersteld verklaard. Bij besluit van 27 november 2015 heeft het Uwv vastgesteld dat appellante per die datum geen recht meer heeft op ziekengeld. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 15 februari 2016 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 5 februari 2016 en een rapport van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 12 februari 2016 ten grondslag.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft hiertoe, samengevat, overwogen dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden en dat het bestreden besluit berust op een deugdelijke medische grondslag. Hierbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat alle door appellante aangevoerde lichamelijke en psychische klachten expliciet in het onderzoek zijn betrokken en beoordeeld. Verder is alle medische informatie van deskundigen en behandelaars bij de beoordeling betrokken. De rechtbank heeft in het door appellante overgelegde rapport van verzekeringsarts J.H. Wijers onvoldoende aanleiding gezien om te twijfelen aan het oordeel van de verzekeringsartsen van het Uwv. Wijers heeft in zijn rapport zijn mening over de klachten en de beperkingen van appellante gegeven, maar deze niet met feiten onderbouwd. Ook heeft Wijers, anders dan de verzekeringsarts bezwaar en beroep, appellante niet in persoon onderzocht en zich dus geen eigen beeld kunnen vormen van de medische situatie, in het bijzonder de psychische gesteldheid van appellante. De door Wijers gestelde urenbeperking is verder niet medisch onderbouwd. Voorts heeft de rechtbank vastgesteld dat de door de verzekeringsartsen van het Uwv gestelde diagnose overeenkomt met de door psychiater D. Straatsburg op 15 december 2014 gestelde diagnose van een matige depressieve stoornis, zodat geen aanleiding bestaat voor de conclusie dat de psychische beperkingen van appellante onjuist zijn vastgesteld. Voor zover Straatsburg zich heeft uitgelaten over de belastbaarheid van appellante voor werk, heeft de rechtbank overwogen dat een uitspraak daarover niet tot de expertise van een psychiater maar van een verzekeringsarts behoort. De rechtbank heeft verder overwogen dat appellante niet heeft onderbouwd dat zij aan haar arm meer beperkingen heeft dan door het Uwv is aangenomen waardoor zij de geduide functie van productiemedewerker niet zou kunnen uitvoeren. Omdat geen reden bestaat te twijfelen aan het oordeel van de verzekeringsartsen, heeft de rechtbank het verzoek van appellante om een externe deskundige in te schakelen afgewezen. Tot slot heeft de rechtbank overwogen dat de geselecteerde functie in overeenstemming is met de voor appellante vastgestelde belastbaarheid.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante herhaald dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is geweest, dat haar beperkingen zijn onderschat en dat zij niet geschikt is voor de functie van productiemedewerker. Specifiek heeft appellante aangevoerd dat, gelet op de rapporten van verzekeringsarts Wijers en psychiater Straatsburg, haar psychische beperkingen zijn onderschat. Verder heeft appellante, onder verwijzing naar het rapport van Straatsburg en het in hoger beroep overgelegde rapport van psychiater J. Benckhuijsen, aangevoerd dat ten onrechte geen urenbeperking is aangenomen. Tot slot heeft appellante aangevoerd dat ten onrechte geen extra beperkingen zijn vastgelegd voor het kunnen strekken van en reiken met de rechterarm.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de Ziektewet (ZW) heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. Deze regel lijdt in dit geval in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van de aanspraak van de verzekerde op een uitkering op grond van de Wet WIA. Van ongeschiktheid in de zin van de ZW is geen sprake indien de verzekerde geschikt is voor ten minste een van de functies die aan hem zijn voorgehouden bij de laatste vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid op grond van de Wet WIA.

4.2.

De gronden die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd zijn in essentie een herhaling van de gronden die zij in bezwaar en beroep naar voren heeft gebracht. De rechtbank heeft deze gronden in de aangevallen uitspraak volledig en voldoende gemotiveerd besproken. Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen worden onderschreven.

4.3.

Naar aanleiding van het in hoger beroep overgelegde rapport van psychiater Benckhuijsen van 13 december 2016 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep geconstateerd dat er met betrekking tot de diagnostiek in grote lijnen geen verschil van inzicht bestaat. Het rapport van Benckhuijsen is voor de verzekeringsarts bezwaar en beroep wel aanleiding geweest om voor appellante extra beperkingen met betrekking tot het persoonlijk functioneren aan te nemen op de aspecten handelingstempo, het uiten van gevoelens, het omgaan met conflicten en ontmoeten van derden. Anders dan appellante ter zitting heeft gesteld is door de verzekeringsarts bezwaar en beroep inzichtelijk gemotiveerd waarom op grond van de bevindingen van Benckhuijsen meer of andere beperkingen voor appellante niet aan de orde zijn. Tijdens het onderzoek van Benckhuijsen bleek appellante zich gedurende twee uur goed te kunnen concentreren op het gesprek. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft daaruit kunnen afleiden dat appellante de aandacht ten minste een half uur kan vasthouden, hetgeen binnen de normaalwaarde van het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) valt.

4.4.

Uit de rapporten van 15 oktober 2015 en 5 februari 2016 blijkt dat de artsen van het Uwv de belastbaarheid van de rechterarm van appellante hebben onderzocht. In maart 2015 heeft appellante haar rechteronderarm gebroken. Tijdens het spreekuur op 15 oktober 2015 is gebleken dat appellante de rechterarm goed kan heffen, maar dat het strekken lastig is en appellante de rechterarm nog steeds niet volledig durft te belasten. Appellante is als gevolg hiervan onder meer beperkt geacht op de items duwen of trekken, tillen of dragen en het frequent hanteren van zware lasten. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft tijdens zijn onderzoek op 12 januari 2016 vastgesteld dat appellante aan de rechterarm nog lichte restklachten heeft en dat de fysieke beperkingen als gevolg van de breuk adequaat zijn verwoord in de FML. Er zijn in hoger beroep geen gegevens naar voren gekomen waaruit blijkt dat de belastbaarheid van de rechterarm door de artsen van het Uwv onjuist is ingeschat.

4.5.

Tot slot heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep gemotiveerd dat met de vermoeidheid van appellante in voldoende mate rekening is gehouden door de beperkingen die zijn aangenomen met betrekking tot de items binnen de rubrieken persoonlijk en sociaal functioneren. Een extra noodzaak voor een urenbeperking is er niet, mede gelet op het ontbreken van een aandoening die een sterke energetische belemmering oplevert. Het rapport van Benckhuijsen geeft evenmin aanleiding voor het aannemen van de door appellante voorgestane urenbeperking.

4.6.

Nu er geen aanknopingspunten zijn voor twijfel aan de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep in hoger beroep nader vastgestelde belastbaarheid, is er geen aanleiding voor het inschakelen van een deskundige.

4.7.

Uitgaande van de aanvullende beperkingen die de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 20 maart 2017 heeft gesteld, heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep geconcludeerd dat de functie van productiemedewerker nog steeds passend is voor appellante.

Met betrekking tot de vraag of daarbij de belasting bepalend dient te zijn zoals die in 2012 ten tijde van de WIA-beoordeling aan de functie verbonden was, dan wel de (deels gewijzigde) belasting van de functie op 27 november 2015, wijst de Raad op zijn uitspraken van

6 augustus 2002 (ECLI:NL:CRVB:2002:AF1507) en 7 november 2012 (ECLI:NL:CRVB:2012:BY2396). Uit die uitspraken volgt dat in een geval als het onderhavige, waarin de maatstaf “zijn arbeid” wordt gevormd door de in het verleden in het kader van een WIA-beoordeling geselecteerde functies, niet relevant is of die functies nog bestaan ten tijde van de ongeschiktheidsbeoordeling in het kader van de ZW. In het verlengde daarvan is evenmin relevant of de belasting, verbonden aan de destijds geselecteerde functies, ten tijde van de ongeschiktheidsbeoordeling in het kader van de ZW inmiddels op onderdelen is gewijzigd. Overigens wordt, ook indien uitgegaan zou moeten worden van de in 2015 geactualiseerde functie van productiemedewerker, de belastbaarheid van appellante niet overschreden.

4.8.

Appellante heeft in dit verband nog aangevoerd dat de functie van productiemedewerker een hoog handelingstempo kent, nu deze functie in de toelichting bij het CBBS als voorbeeld wordt genoemd bij het item hoog handelingstempo. Nu appellante is aangewezen op werk waarin geen hoog handelingstempo is vereist, is deze functie volgens appellante niet geschikt. Dit betoog slaagt niet. Gelet op de CBBS-functiebeschrijving van de functie productiemedewerker komt daarin een hoog handelingstempo niet voor. Volgens vaste rechtspraak (onder meer de uitspraak van 15 mei 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BI4364) dient in beginsel te worden uitgegaan van de juistheid van de aan het CBBS ontleende gegevens. Hetgeen appellante heeft aangevoerd geeft onvoldoende aanleiding tot twijfel omtrent de in het CBBS opgenomen belasting in de functie van productiemedewerker. In de toelichting bij het item hoog handelingstempo wordt in het CBBS slechts een algemene omschrijving gegeven van werkzaamheden die duiden op een hoog handelingstempo, zoals montagewerkzaamheden van kleine onderdelen met een korte cyclustijd. Anders dan appellante stelt, kan daaruit niet worden afgeleid dat daarmee specifiek gedoeld wordt op de functie van productiemedewerker. Het oordeel van de rechtbank over de geschiktheid voor de functie van productiemedewerker wordt daarom onderschreven.

5. De overwegingen in 4.2 tot en met 4.8 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.J.J.M Weyers, in tegenwoordigheid van H. Achtot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 november 2018.

(getekend) E.J.J.M Weyers

(getekend) H. Achtot

IvR