Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:3607

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-11-2018
Datum publicatie
19-11-2018
Zaaknummer
17/7784 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het opgelegde onvoorwaardelijke strafontslag is gezien de aard en de ernst van de verweten gedraging en de terecht gestelde eisen van integriteit, betrouwbaarheid en verantwoordelijkheid van medewerkers van het gerechtshof niet onevenredig aan het gepleegde plichtsverzuim. Daarbij komt dat appellant zich al eerder schuldig heeft gemaakt aan (een andere vorm van) plichtsverzuim waarvoor hij is gestraft en waarom hij in het belang van de dienst tijdelijk is gedetacheerd bij de rechtbank.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 7784 AW

Datum uitspraak: 15 november 2018

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

24 oktober 2017, 17/3155 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het bestuur van het gerechtshof Amsterdam (bestuur)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.F.C. Strok, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 oktober 2018. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Strok. Het bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. H.T. van der Meer, mr. R.P. Pollard en J.M.T. Boelen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was sinds 17 januari 2002 in dienst bij het [Hof] , laatstelijk als [naam functie A] . Bij besluit van 26 februari 2015 heeft het bestuur appellant met toepassing van artikel 77, eerste lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) met onmiddellijke ingang de toegang tot het dienstgebouw en -terrein van het [Hof] ontzegd en hem het contact met collega’s verboden in verband met een onderzoek naar aanleiding van een melding van ongewenst gedrag van appellant. Bij besluit van 9 juli 2015, herzien bij besluit van
25 november 2015, heeft het bestuur appellant met toepassing van artikel 81, eerste lid, aanhef en onder k, van het ARAR, wegens ernstig plichtsverzuim met onmiddellijke ingang een schorsing opgelegd voor de duur van acht weken, waarvan zes weken voorwaardelijk, met inhouding van de bezoldiging gedurende twee weken. Bij afzonderlijk besluit van 25 november 2015 heeft het bestuur appellant met toepassing van artikel 58, eerste lid, van het ARAR, in het belang van de dienst, met ingang van 27 juli 2015 tijdelijk andere werkzaamheden opgedragen. Bij beslissing op bezwaar van 24 maart 2016 heeft het bestuur de schorsing teruggebracht naar twee weken onvoorwaardelijk met behoud van bezoldiging. Bij uitspraak van 20 januari 2017 (ECLI:NL:RBNHO:2017:271) heeft de rechtbank
Noord-Holland het beroep tegen die beslissing ongegrond verklaard. Bij uitspraak van

1 februari 2018 (ECLI:NL:CRVB:2018:387) heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

1.2.

Met ingang van 27 juli 2015 is appellant op basis van detachering geplaatst bij de [naam rechtbank] als [naam functie] . Op 26 juli 2016 is de detachering geëindigd.

1.3.

Naar aanleiding van een melding op 3 mei 2016 over een incident [op afdeling] van de rechtbank heeft het bestuur Capra gevraagd onderzoek te verrichten naar de gedragingen van appellant. In het rapport van Capra van 9 september 2016 is geconcludeerd dat appellant heeft geprobeerd een groot aantal geboortekaartjes op kosten van de rechtbank te versturen.

1.4.

Na het voornemen daartoe kenbaar te hebben gemaakt en na kennisneming van de zienswijze van appellant daarover heeft het bestuur bij besluit van 7 november 2016 appellant primair met toepassing van artikel 81, eerste lid, onder l, van het ARAR wegens plichtsverzuim per 8 november 2016 strafontslag verleend, subsidiair met toepassing van artikel 98, eerste lid, aanhef en onder g, van het ARAR wegens ongeschiktheid anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken ontslag verleend, meer subsidiair met toepassing van artikel 99 van het ARAR wegens het ontbreken van vertrouwen ontslag verleend en meest subsidiair met toepassing van artikel 81, eerste lid, aanhef en onder l, van het ARAR in verbinding met artikel 81, derde lid, van het ARAR voorwaardelijk strafontslag verleend. Aan het plichtsverzuim is ten grondslag gelegd dat appellant heeft geprobeerd een aanzienlijke hoeveelheid privé-post in de vorm van geboortekaartjes op kosten van de [naam rechtbank] te versturen.

1.5.

Bij besluit van 15 maart 2017 (bestreden besluit) heeft het bestuur het bezwaar tegen het besluit van 7 november 2016 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Voor wat betreft de stelling van appellant dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 10:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) omdat het is ondertekend door de ambtenaar die ook het besluit van 7 november 2016 heeft ondertekend, verwijst de Raad naar overweging 4.3 van de aangevallen uitspraak en maakt die tot de zijne. Het bestreden besluit is dus bevoegd genomen.

4.2.

Voor de constatering van plichtsverzuim dat tot het opleggen van een disciplinaire maatregel aanleiding kan geven is volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van
15 september 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BT1997) noodzakelijk dat op basis van de beschikbare, deugdelijk vastgestelde gegevens de overtuiging is verkregen dat de betrokken ambtenaar de hem verweten gedragingen heeft begaan.

4.3.

Het bestuur heeft appellant verweten dat hij heeft geprobeerd een aanzienlijke hoeveelheid privé-post in de vorm van geboortekaartjes op kosten van de rechtbank te versturen.

4.4.

De Raad stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat appellant in december 2015 [op afdeling] van de rechtbank enveloppen met geboortekaartjes heeft voorzien van het stempel “port betaald”, dat hij deze enveloppen wilde verzenden via de [afdeling] van de rechtbank en dat hij na tussenkomst van een collega hiervan heeft afgezien.

4.5.

Appellant heeft betwist dat hij van plan was de enveloppen met geboortekaartjes op kosten van de rechtbank te verzenden. Hij wilde de enveloppen op eigen kosten - met zelf meegebrachte postzegels - frankeren en om tijd te besparen via de [afdeling] van de rechtbank verzenden. Dat hij de enveloppen, alvorens deze met de zelf meegebrachte postzegels te frankeren, heeft voorzien van een stempel “port betaald”, berust op een vergissing en mag niet worden gezien als een poging om de enveloppen met geboortekaartjes op kosten van de rechtbank te verzenden. Dit betoog slaagt niet. Appellant heeft jarenlange ervaring op de [afdeling] van het [Hof] en weet hoe de frankering en verzending van post in zijn werk gaat. Hij weet ook waartoe het stempel “port betaald” dient en hoe dat gebruikt moet worden. Dat hij bij wijze van automatisme en per abuis het stempel “port betaald” ter hand heeft genomen en heeft gebruikt, acht de Raad dan ook niet geloofwaardig. Daar komt bij dat appellant pas in een later stadium, na aanvankelijk zeer terughoudend en wisselend te hebben verklaard, heeft verklaard dat hij de enveloppen met geboortekaartjes op eigen kosten had willen verzenden en daartoe postzegels bij zich had. Als dat inderdaad zo was, lag het in de rede dat appellant toen hij [op afdeling] door collega F op zijn handelen werd aangesproken had gezegd - en had laten zien - dat hij zelf postzegels had meegebracht en dat hij die postzegels op de enveloppen met geboortekaartjes had willen plakken. Dat heeft appellant echter niet gedaan en dit doet verder afbreuk aan de geloofwaardigheid van zijn verklaring dat hij de enveloppen met geboortekaartjes op eigen kosten, gefrankeerd met zelf meegebrachte postzegels, wilde verzenden.

4.6.

Voor zover appellant zich op het standpunt heeft willen stellen dat hij desgevraagd van de op de [afdeling] aanwezige collega R toestemming had gekregen om privé-post via de [afdeling] van de rechtbank te verzenden, overweegt de Raad dat appellant had kunnen weten dat collega R niet bevoegd was om hem daarvoor toestemming te verlenen. Voor zover al sprake was van ‘toestemming’ door R strekte deze zich niet uit tot het op kosten van de rechtbank verzenden van privé-post.

4.7.

Appellant heeft zich verder op het standpunt gesteld dat niet is gebleken dat het plichtsverzuim hem is toe te rekenen. Dit standpunt miskent dat het op de weg van de ambtenaar ligt om aannemelijk te maken dat het plichtsverzuim hem niet kan worden toegerekend. Nu appellant in dit verband niets naar voren heeft gebracht, is er geen grond voor het oordeel dat het plichtsverzuim hem niet kan worden toegerekend. Dit betekent dat het bestuur bevoegd was om appellant een disciplinaire maatregel op te leggen.

4.8.

Het opgelegde onvoorwaardelijke strafontslag is gezien de aard en de ernst van de verweten gedraging en de terecht gestelde eisen van integriteit, betrouwbaarheid en verantwoordelijkheid van medewerkers van het gerechtshof niet onevenredig aan het gepleegde plichtsverzuim. Daarbij komt dat appellant zich al eerder schuldig heeft gemaakt aan (een andere vorm van) plichtsverzuim waarvoor hij is gestraft en waarom hij in het belang van de dienst tijdelijk is gedetacheerd bij de rechtbank.

4.9.

Wat appellant verder nog naar voren heeft gebracht, kan niet afdoen aan wat de Raad hiervoor heeft overwogen.

4.10.

Uit 4.1 tot en met 4.9 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs als voorzitter en J.J.T. van den Corput en

H. Lagas als leden, in tegenwoordigheid van F. Demiroğlu als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 november 2018.

(getekend) E.J.M. Heijs

(getekend) F. Demiroğlu

md