Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:3606

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-11-2018
Datum publicatie
16-11-2018
Zaaknummer
17/418 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De nadere besluiten komen niet geheel aan de bezwaren van betrokkene tegemoet en de Raad zal deze besluiten mede in zijn beoordeling betrekken. De motivering van de rechtbank wijkt niet wezenlijk af van de motivering van de Raad in de uitspraken van 18 juli 2016 in vergelijkbare zaken. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Het betoog van betrokkene dat sprake is van direct en daarom verboden onderscheid naar burgerlijke staat bij de arbeidsvoorwaarden als bedoeld in de Algemene wet gelijke behandeling, slaagt niet, uitspraak van de Raad van 22 februari 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:526. Geen sprake van een excessieve inbreuk op zijn gerechtvaardigde aanspraak op grond van overgelegd inkomensoverzicht, vaste rechtspraak. Veroordeling staatssecretaris in proceskosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 418 AW, 17/4210 AW, 17/5066 AW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van
28 november 2016, 15/5314 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Minister van Defensie, thans de Staatssecretaris van Defensie (staatssecretaris)

[Betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

Datum uitspraak: 15 november 2018

PROCESVERLOOP

Dit geding, dat aanvankelijk is gevoerd ten name van de Minister van Defensie, is in verband met wijziging van taken voortgezet ten name van de staatssecretaris. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van staatssecretaris, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de Minister van Defensie.

Namens de staatssecretaris heeft mr. R. van Arkel, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft de staatssecretaris op 17 januari 2017 een nader besluit genomen. Op 13 juli 2017 heeft de staatssecretaris een aanvullend besluit genomen.

Namens betrokkene heeft mr. H. Nummerdor-Buijs een verweerschrift ingediend en op de besluiten van 17 januari 2017 en 13 juli 2017 gereageerd.

Bij brief van 8 augustus 2018 heeft de staatssecretaris de Raad een individueel inkomensoverzicht toegezonden. Bij brief van 27 augustus 2018 heeft mr. Nummerdor-Buijs meegedeeld dat betrokkene geen op- of aanmerkingen heeft met betrekking tot dit overzicht.

Onder toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1. Betrokkene was als [naam functie] werkzaam bij het Ministerie van Defensie. Aan hem is met ingang van 1 maart 2015 ontslag wegens vervroegd uittreden (functioneel leeftijdsontslag) verleend met toepassing van artikel 114, eerste lid, en artikel 171a, tweede lid van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie (Bard). Bij besluit van 20 maart 2015 (toekenningsbesluit) heeft de staatssecretaris aan betrokkene op grond van het Besluit uitkering wegens functioneel leeftijdsontslag burgerlijke ambtenaren defensie een uitkering (FLO-uitkering) toegekend tot de eerste dag van de maand volgend op die waarin hij de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt. Bij besluit van 5 juni 2015 (bestreden besluit) heeft de staatssecretaris het toekenningsbesluit gehandhaafd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen over proceskosten en griffierecht - het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit wegens verboden onderscheid naar leeftijd vernietigd en de staatssecretaris opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak.

3.1.

Bij het besluit van 17 januari 2017 heeft de staatssecretaris, met handhaving van de beëindigingsdatum van de FLO-uitkering, aan betrokkene voor de periode vanaf de beëindiging van de bovenwettelijke uitkering tot hij de AOW-leeftijd heeft bereikt, in aanvulling op de tegemoetkoming waarop betrokkene recht heeft op grond van ‘Voorlopige voorziening tegemoetkoming inkomensderving als gevolg van ophoging AOW-leeftijd’, Stcrt. 28 september 2015, nr. 31772 (Voorlopige voorziening), een maandelijkse bruto uitkering toegekend die een netto uitkering oplevert die gelijk is aan de netto AOW-uitkering, inclusief vakantiegeld (tegemoetkoming AOW-hiaat). Daarnaast is aan betrokkene voor diezelfde periode een compensatie (bruto) toegekend in verband met het feit dat hij (mogelijk) zijn ouderdomspensioen vervroegd laat ingaan bij het bereiken van de leeftijd van 65 jaar (compensatie).

3.2.

Bij besluit van 13 juli 2017 heeft de staatssecretaris het besluit van 23 december 2016 aangevuld. Indien de periode vanaf het bereiken van de leeftijd van 65 jaar tot aan het bereiken van de AOW-leeftijd het totaalbedrag van de tegemoetkoming AOW-hiaat en de compensatie, vermeerderd met het (vervroegd ingegane) ouderdomspensioen, netto minder bedraagt dan 90% van de gerechtvaardigde aanspraak van betrokkene, dan wordt dit bedrag bruto zodanig aangevuld dat deze in ieder geval gelijk is aan 90% van de gerechtvaardigde aanspraak van betrokkene (aanvullende maatregel).

4. Nu met het besluit van 17 januari 2017, zoals aangevuld bij besluit van 13 juli 2017, niet geheel aan de bezwaren van betrokkene is tegemoetgekomen, zal de Raad, gelet op de artikelen 6:19 en 6:24 van de Awb, deze besluiten mede in zijn beoordeling betrekken.

De aangevallen uitspraak

5.1.

De staatssecretaris betwist niet langer dat de beëindiging van de FLO-uitkering bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd zonder enige vervangende voorziening voor betrokkene een verboden onderscheid naar leeftijd oplevert als bedoeld in de Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij de arbeid (Wgbla). De staatssecretaris heeft aangevoerd dat de motivering van de rechtbank op onderdelen onjuist is en niet in overeenstemming is met de uitspraken van de Raad van 18 juli 2016 (zie onder meer ECLI:NL:CRVB:2016:2615). Deze beroepsgrond slaagt niet. De motivering van de rechtbank wijkt niet wezenlijk af van de motivering van de Raad in de uitspraken van 18 juli 2016 in vergelijkbare zaken. Ook de rechtbank is in de kern van oordeel dat de beëindiging van de uitkering van betrokkene bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd, zonder nadere door de staatssecretaris te treffen voorzieningen, een verboden onderscheid naar leeftijd oplevert als bedoeld in de Wgbla.

5.2.

Uit 5.1 volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

De nadere besluiten

5.3.

Betrokkene heeft betoogd dat het geheel van compenserende maatregelen, met inbegrip van de aanvullende maatregel tot 90% van de gerechtvaardigde aanspraak, direct en daarom verboden onderscheid naar burgerlijke staat bij de arbeidsvoorwaarden als bedoeld in de Algemene wet gelijke behandeling oplevert. Dit betoog slaagt niet. Hiertoe wordt, kortheidshalve, verwezen naar wat hierover is overwogen in de uitspraak van 22 februari 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:526 (overweging 4.7.5).

5.4.

Op grond van het overgelegde inkomensoverzicht komt de Raad tot het oordeel dat in het geval van betrokkene geen sprake is van een excessieve inbreuk op zijn gerechtvaardigde aanspraak. Voor de motivering van dit oordeel verwijst de Raad kortheidshalve naar de uitspraak van 26 april 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1473. Betrokkene heeft betoogd dat ondanks het geringe verlies aan inkomsten ten opzichte van de gerechtvaardigde aanspraak in het licht van de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) nog wel sprake kan zijn van een verboden onderscheid naar leeftijd, omdat betrokkene nog steeds een lager ouderdomspensioen zal moeten aanvaarden en onder die omstandigheid in feite van hem wordt verwacht dat hij zijn ouderdomspensioen vervroegd, bij het bereiken van de leeftijd van 65 jaar, laat ingaan. Dit betoog slaagt niet. Voor de motivering van dit oordeel verwijst de Raad kortheidshalve naar de uitspraak van 22 februari 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:526 (rechtsoverweging 4.7.4). Gelet op wat in die uitspraak is overwogen, wordt het verzoek van betrokkene om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof eveneens afgewezen.

5.5.

Uit 5.3 en 5.4 volgt dat het beroep tegen het besluit van 17 januari 2017, aangevuld bij het besluit van 13 juli 2017, ongegrond moet worden verklaard. Weliswaar is dat besluit in zoverre niet draagkrachtig gemotiveerd dat daaruit onvoldoende concreet blijkt wat de financiële gevolgen van de regeling voor betrokkene, uitgaande van ongewijzigde omstandigheden, bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd zijn, maar de Raad ziet aanleiding dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren, nu de staatssecretaris met het individuele inkomensoverzicht alsnog duidelijkheid heeft verschaft.

6. Aanleiding bestaat de staatssecretaris te veroordelen in de kosten van betrokkene voor verleende rechtsbijstand tot een bedrag van € 1.002,- (1 punt voor het verweerschrift, twee maal 0,5 punt voor de reacties op de nadere besluiten, € 501,- per punt).

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen de besluiten van 17 januari 2017 en 13 juli 2017 ongegrond;

- veroordeelt de staatssecretaris in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van
€ 1.002,-;

- bepaalt dat van de staatssecretaris een griffierecht van € 501,- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs, in tegenwoordigheid van

P.W.J. Hospel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 november 2018.

(getekend) E.J.M. Heijs

(getekend) P.W.J. Hospel

md