Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:3597

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-11-2018
Datum publicatie
16-11-2018
Zaaknummer
16/5370 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De lezing van appellant over de wijze waarop, door wie en wanneer de gestelde toezegging is gedaan, is niet eenduidig. Wel is duidelijk dat [naam X] de contactpersoon van appellant was en dat zij volgens appellant met betrekking tot de toezegging een centrale rol heeft gespeeld. De Raad heeft [naam X] opgeroepen om als getuige ter zitting te verschijnen. De verklaring van [naam X] biedt geen steun voor de stelling van appellant dat hem is toegezegd dat het door hem in de startperiode genoten salaris niet zou worden teruggevorderd. Ander bewijs voor zijn stelling dat het Uwv hem toezeggingen over het op een afwijkende wijze berekenen van zijn inkomen in de betreffende periode heeft gedaan, heeft appellant niet geleverd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2019/16 met annotatie van L.J.A. Damen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 5370 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 6 juli 2016, 16/300 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 15 november 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. D.P. Kant, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 augustus 2018. Voor appellant is mr. Kant verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.K. Affia. Als getuige is opgeroepen en verschenen [naam X] .

De Raad heeft het onderzoek ter zitting geschorst wegens ziekte van appellant en voortgezet op 18 oktober 2018. Appellant en mr. Kant zijn verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door Affia. Als getuige is gehoord [naam X] te [plaats] , adviseur werk bij het Uwv.


OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is met ingang van 1 januari 2010 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). Bij besluit van 25 januari 2010 heeft het Uwv appellant toestemming verleend om in de periode van 4 januari 2010 tot en met 4 juli 2010 gebruik te maken van de zogenoemde startersregeling op grond van artikel 77a van de WW. Bij besluit van 7 juli 2010 is deze periode verlengd tot en met 31 oktober 2010. In de genoemde periode is appellant in de gelegenheid gesteld om met behoud van zijn
WW-uitkering werkzaamheden te verrichten om een eigen bedrijf, [naam B.V.] ( [naam B.V.] ), van start te laten gaan. In de betreffende besluiten heeft het Uwv vermeld dat op de WW-uitkering 70% van de inkomsten als zelfstandige in mindering wordt gebracht en dat, omdat de hoogte van de inkomsten als zelfstandige pas na de startperiode bekend zal zijn, de WW-uitkering in de startperiode wordt uitgekeerd als voorschot.

1.2.

Appellant heeft met ingang van 1 januari 2010 salaris genoten, gefinancierd uit het bedrijfskrediet van [naam B.V.] . Met ingang van 1 november 2010 is de WW-uitkering van appellant beëindigd, omdat hij op dat moment volledig als zelfstandig ondernemer werkzaam was.

1.3.

Bij brief van 17 november 2014 heeft het Uwv appellant ervan op de hoogte gesteld dat voor de hoogte van de te verrekenen inkomsten wordt uitgegaan van de definitieve belastingaanslagen over de jaren 2010 en 2011, welke inmiddels waren ontvangen van de Belastingdienst, en dat, nu was gebleken dat appellant zijn inkomsten had ondergebracht in een B.V., voor het berekenen van zijn inkomsten wordt uitgegaan van het belastbaar loon (en niet van de winst) uit onderneming. Appellant is verzocht zijn jaaropgave of belastingaangifte over 2010 en 2011 over te leggen. Bij besluit van 17 juni 2015 heeft het Uwv aan de hand van de definitieve belastingaanslagen van appellant vastgesteld dat appellant in de periode van 4 januari 2010 tot en met 4 juli 2010 teveel voorschot aan

WW-uitkering heeft ontvangen en heeft hij een bedrag van € 10.429,90 van appellant teruggevorderd. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. In zijn bezwaarschrift heeft appellant gesteld dat hij zichzelf met toestemming van het Uwv salaris heeft uitbetaald en dat hem, na gesprekken met zijn werkcoach [naam X] op 28 januari 2010 en met [naam Y] op 18 februari 2010, de toezegging is gedaan dat vanwege zijn bijzondere persoonlijke omstandigheden, als uitzondering op de regels, geen verrekening van inkomsten zou plaatsvinden. Op de hoorzitting heeft appellant in zoverre anders verklaard, dat bij het gesprek op 28 januari 2010 aan de zijde van het Uwv ook [naam Z] aanwezig was en dat [naam X] en [naam Z] na intern overleg akkoord zijn gegaan met het opnemen van een bedrag uit het bedrijfskrediet van [naam B.V.] ten behoeve van salarisbetalingen aan hem. Appellant heeft hieraan toegevoegd dat het om een mondelinge afspraak ging die niet schriftelijk is vastgelegd.

1.4.

Het Uwv heeft navraag gedaan bij [naam X] en [naam Z] , waarop [naam X] per e-mail heeft gereageerd. Op grond van de door [naam X] gegeven informatie heeft het Uwv geen aanwijzingen gezien voor de aanname dat de door appellant gestelde toezegging is gedaan. Daarom heeft het Uwv bij beslissing op bezwaar van 15 december 2015 (bestreden besluit) appellants bezwaar tegen het besluit van 17 juni 2015 ongegrond verklaard.

1.5.

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. In zijn beroepschrift heeft hij gesteld dat [naam X] hem heeft verzekerd dat hij salaris mocht opnemen uit de B.V., met behoud van zijn WW-uitkering en dat [naam Z] , met wie hij daarna in contact kwam, hem er niet op heeft gewezen dat de salarisbetaling zou leiden tot een terugvordering.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft vastgesteld dat de hoogte van het belastbare inkomen van appellant, zoals door het Uwv berekend, niet in geschil is, maar uitsluitend de vraag of het Uwv het vertrouwensbeginsel of het zorgvuldigheidsbeginsel heeft geschonden. De rechtbank heeft overwogen dat niet is in te zien dat het Uwv niet de benodigde zorgvuldigheid in acht heeft genomen, nu het Uwv appellant in de besluiten tot toekenning, onderscheidenlijk verlenging, van de startperiode heeft geïnformeerd over de verrekening van zijn inkomsten. De rechtbank heeft het beroep op het vertrouwensbeginsel afgewezen op de grond dat appellant zijn desbetreffende stelling niet heeft onderbouwd en de schriftelijke verklaring van [naam X] geen aanknopingspunten bevat voor het standpunt van appellant dat hem is toegezegd dat hij salaris uit de B.V. mocht halen zonder dat dat salaris later zou worden verrekend met het WW-voorschot.

3.1.

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak. Appellant heeft uitsluitend de afwijzing van zijn beroep op het vertrouwensbeginsel aangevochten. Ter zitting van de Raad heeft appellant verklaard dat hij op 28 januari 2010 over zijn financiële situatie heeft gesproken met [naam X] en [naam Z] , waarbij [naam X] hem heeft toegezegd een en ander te bespreken met [naam Y] , de regiomanager. Op 18 februari 2010 heeft [naam X] hem vervolgens verteld dat het Uwv ermee akkoord ging dat appellant salaris ontving uit de B.V. zonder dat dat later tot een terugvordering zou leiden en dat [naam Y] dat formeel aan hem zou meedelen, wat op dezelfde dag is gebeurd. Volgens appellant is destijds tevens gezegd dat de mondelinge toezegging in strijd met de regels was en daarom niet schriftelijk zou worden vastgelegd.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Voor de toepasselijke wet- en regelgeving wordt verwezen naar overweging 4.1 van de aangevallen uitspraak.

4.2.

Het gaat in dit geding om de vraag of het Uwv op grond van een mondelinge toezegging van een medewerker van het Uwv aan appellant, in afwijking van de wettelijke bepalingen, had moeten afzien van het terugvorderen van teveel betaalde WW-uitkering.

4.3.

Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is in ieder geval vereist dat van de kant van het tot beslissen bevoegde orgaan uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezeggingen zijn gedaan, die bij de betrokkene gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, is het aan degene die een beroep doet op het vertrouwensbeginsel om te bewijzen dat hem zulke toezeggingen zijn gedaan.

4.4.

Uit de hiervoor geschetste gang van zaken blijkt dat de lezing van appellant over de wijze waarop, door wie en wanneer de gestelde toezegging is gedaan, niet eenduidig is. Wel is duidelijk dat [naam X] de contactpersoon van appellant was en dat zij volgens appellant met betrekking tot de toezegging een centrale rol heeft gespeeld.

4.5.

De Raad heeft [naam X] opgeroepen om als getuige ter zitting te verschijnen. Ter zitting van 18 oktober 2018 heeft [naam X] onder meer verklaard dat zij destijds werkcoach was en contact heeft gehad met appellant. Zij gaf ook presentaties over de startersperiode, maar was niet deskundig in de financiële kant daarvan, noch betrokken bij de financiële afwikkeling. [naam X] heeft verklaard zich niet te herinneren of appellant er met haar over heeft gesproken dat hij zichzelf salaris wilde toekennen uit de B.V. en heeft gevraagd of dat gevolgen zou hebben voor zijn WW-uitkering. Als dergelijke vragen aan haar zouden zijn gesteld zou zij appellant hebben doorverwezen naar de uitkeringsafdeling. Desgevraagd heeft [naam X] ook verklaard dat zij alle gesprekken vastlegde en dat, als van de regels werd afgeweken, dat werd vastgelegd op het zogenoemde formulier ‘Werk boven regels’.

4.6.

De verklaring van [naam X] biedt geen steun voor de stelling van appellant dat hem is toegezegd dat het door hem in de startperiode genoten salaris niet zou worden teruggevorderd. Ander bewijs voor zijn stelling dat het Uwv hem toezeggingen over het op een afwijkende wijze berekenen van zijn inkomen in de betreffende periode heeft gedaan, heeft appellant niet geleverd. Het hoger beroep slaagt daarom niet. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en B.M. van Dun en J. Brand als leden, in tegenwoordigheid van G.D. Alting Siberg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 november 2018.

(getekend) H.G. Rottier

(getekend) G.D. Alting Siberg

md