Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:3580

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-11-2018
Datum publicatie
20-11-2018
Zaaknummer
15/5896 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afgewezen aanvragen in verband met onvoldoende duidelijkheid over financiële situatie. Buiten behandeling gestelde aanvragen in verband met niet volledig verstrekte informatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15 5896 WWB, 16/716 PW, 16/3677 PW, 16/4881 PW, 16/7411 PW, 17/4291 PW,

17/5521 PW

Datum uitspraak: 6 november 2018

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Den Haag van

24 juli 2015, 15/1983 (aangevallen uitspraak 1), 15 december 2015, 15/5755 (aangevallen uitspraak 2), 2 mei 2016, 16/910 (aangevallen uitspraak 3), 1 juli 2016, 16/1701 (aangevallen uitspraak 4), 20 oktober 2016, 16/3655 (aangevallen uitspraak 5), 3 mei 2017, 16/6068 (aangevallen uitspraak 6) en 26 juni 2017, 16/10006 (aangevallen uitspraak 7)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. L. Kuijper, hoger beroepen ingesteld.

Het college heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 augustus 2018. Namens appellante is verschenen mr. Kuijper. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. Punter.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante heeft op 24 juni 2013 bijstand aangevraagd op grond van de

Wet werk en bijstand (nu Participatiewet), naar de norm voor een alleenstaande ouder. Appellante heeft daarbij verklaard dat zij enkele maanden van haar spaargeld heeft geleefd, dat dit geld op is, dat zij op 23 december 2008 € 123.000,- van haar moeder heeft geleend en dat dit geld nog op één van haar bankrekeningen staat. Het college heeft deze aanvraag bij besluit van 4 september 2013 afgewezen op de grond dat appellante geen recht heeft op bijstand omdat zij beschikt over een vermogen van € 146.615,67. Appellante kan daarmee onder gelijkblijvende omstandigheden 82 maanden in haar eigen levensonderhoud voorzien. Tegen dit besluit heeft appellante geen rechtsmiddel ingesteld.

1.2.

Op 28 oktober 2014 en 11 februari 2015 heeft appellante opnieuw aanvragen ingediend. Deze aanvragen zijn bij besluiten van 1 december 2014 en 2 april 2015 buiten behandeling gesteld, omdat appellante niet binnen de daarvoor gestelde termijn de door het college gevraagde gegevens, waaronder afschriften van alle op haar naam geregistreerde betaal- en spaarrekeningen vanaf 1 januari 2014, heeft overgelegd. Bij besluiten van 16 februari 2015 (bestreden besluit 1) en 6 juli 2015 (bestreden besluit 2) heeft het college deze besluiten gehandhaafd.

1.3.

Op 3 december 2014 had appellante ook een aanvraag ingediend. Bij deze aanvraag heeft appellante verklaard dat zij het van haar moeder geleende geld in 2013 heeft teruggeboekt en inmiddels contant geld leent van haar moeder om in haar levensonderhoud te voorzien. Haar moeder komt het geld vanuit Duitsland bij appellante brengen omdat zij dit beiden liever contant doen. Bij besluit van 3 februari 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 29 juni 2015, heeft het college deze aanvraag afgewezen op de grond dat appellante onvoldoende inzage heeft gegeven in haar financiële situatie waardoor niet kan worden beoordeeld of zij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert. In het besluit van 29 juni 2015 heeft het college onder meer het volgende vermeld:

“(…) Ten tijde van haar eerste aanvraag van 24 juni 2013 beschikte [appellante] over een vermogen van € 146.615,-, een bedrag dat het vrij te laten vermogen van € 11.590,- ver te boven gaat. Uit de stukken die toen niet voor handen waren en nu wel beschikbaar zijn, blijkt ook dat er naast dit vermogen tot 1 januari 2014 een bedrag van € 9.084,92 heeft gestaan op de groter groeien spaarrekening van haar zoontje. Het saldo op deze rekening is op 3 april 2014 overgeboekt naar een van de bankrekeningen van [appellante].

Er is dus sprake van veel vermogen. Dit vermogen is inmiddels vrijwel geheel verdwenen van alle 8 bankrekeningen van [appellante] en grotendeels overgemaakt naar de bankrekening van haar moeder. Zij verklaart dat € 123.000,- haar moeder toebehoorde. Als bewijs wordt een op 25 juni 2013 vastgelegde notariële akte overgelegd, waarin staat dat [appellante] dit geld in 2008 van haar moeder heeft geleend. Deze verklaring is (…) niets meer dat een vastlegging van een schuld, waar overigens geen aflossingsverplichtingen aan verbonden zijn, op een moment dat ligt enkele jaren nadat het geld zou zijn geleend. De notaris doet niets meer dan vastleggen wat beide partijen stellen te zijn overeengekomen. De notaris controleert of verifieert de geldlening niet. We zijn dan ook van oordeel dat deze verklaring niet als bewijs kan worden gezien voor het bestaan van een schuld van € 123.000,- aan de moeder te meer deze, één dag nadat [appellante] voor het eerst een bijstandsuitkering aanvroeg, notarieel is vastgelegd. Het complete vermogen dient aan haar te worden toegerekend.

We concluderen dat [appellante] in juni 2013 beschikte over € 146.615,00 aan vermogen. Daarnaast had haar zoon op 1 januari 2014 € 9.084,92 op zijn spaarrekening. Dit bedrag is zonder enige verklaring ook via een van de rekeningen van [appellante] verdwenen.

De vraag die nu beantwoord dient te worden is of het ontbreken van zichtbaar giraal vermogen de conclusie rechtvaardigt dat [appellante] in bijstandsbehoevende omstandigheden verkeert. Het college is van oordeel dat dit niet het geval is.

Uit de stukken blijkt namelijk dat [appellante], ondanks het feit dat zij ruim 2 jaar geen inkomsten heeft, geen moeite heeft met het betalen van haar rekeningen. Er is geen sprake van achterstanden of van problematische schulden. [Appellante] verklaart dat ze leeft van het geld dat ze van haar moeder leent en dat haar moeder deze persoonlijk steeds vanuit Duitsland komt brengen. Toen de medewerker van de dienst SZW naar aanleiding van de aanvraag telefonisch contact met haar had, heeft zij [appellante] gevraagd of het niet eenvoudiger was voor haar het geld via de bank te laten overmaken. [Appellante] antwoordde daarop dat ze dit liever contant doet. Alle transacties en betalingen die [appellante] van deze bedragen doet, gebeuren buiten het girale verkeer om en zijn daardoor onzichtbaar en niet verifieerbaar. Enig bewijs voor deze transacties overlegt [appellante] overigens niet. Wij achten het een zeer onwaarschijnlijke gang van zaken.

[Appellante] verklaarde eveneens dat ze heeft geleefd van haar spaargelden. We concluderen hieruit dat [appellante] grote bedragen die ze contant heeft opgenomen van haar bankrekeningen bij zich heeft gehouden en gebruikt voor haar levensonderhoud. (…)

Het heeft er alle schijn van dat [appellante] nog steeds beschikt over haar vermogen, maar [appellante] blijft zich op het standpunt stellen dat zij op bijstand is aangewezen. We moeten tot de conclusie komen dat [appellante] geen openheid van zaken geeft en daardoor onvoldoende inzage geeft in haar financiën waardoor er, ondanks de vele aanvragen en de overgelegde financiële bescheiden, nog steeds niet kan worden geconcludeerd dat [appellante] in bijstandsbehoevende omstandigheden verkeert.”

Met de uitspraak van 25 september 2015 heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 29 juni 2015 niet-ontvankelijk verklaard wegens niet verschoonbare termijnoverschrijding. Tegen deze uitspraak heeft appellante geen rechtsmiddel ingesteld.

1.4.

Appellante heeft daarna vier aanvragen ingediend waarbij zij steeds heeft verklaard van haar spaartegoeden te hebben geleefd. Het college heeft deze aanvragen allemaal afgewezen. De aanvraag van 7 april 2015 bij besluit van 9 juli 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 28 december 2015 (bestreden besluit 3), de aanvraag van 27 augustus 2015 bij besluit van 28 augustus 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 25 januari 2016

(bestreden besluit 4), de aanvragen van 11 september 2015 en 10 november 2015 bij besluiten van 30 oktober 2015 en 9 december 2015, beide gehandhaafd bij besluit van 18 april 2016 (bestreden besluit 5).

1.5.

Ook bij de daarop volgende aanvraag, van 4 januari 2016, heeft appellante weer verklaard dat zij met spaargeld in haar levensonderhoud heeft voorzien. Op verzoek van het college heeft appellante een deel van de gevraagde afschriften van haar betaal- en spaarrekeningen van de laatste drie maanden overgelegd. Bij besluit van 1 maart 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 11 juli 2016 (bestreden besluit 6), heeft het college ook die aanvraag afgewezen.

1.6.

Bij de volgende aanvraag, van 21 juni 2016, heeft appellante verklaard dat zij van het contante geld heeft geleefd dat zij thuis had liggen en op dat moment nog € 500,- had om van te leven. Bij besluit van 12 september 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 21 november 2016 (bestreden besluit 7), heeft het college ook deze aanvraag afgewezen.

1.7.1.

Aan bestreden besluiten 1, 2 en 6 ligt ten grondslag dat appellante niet alle gevraagde stukken heeft overgelegd. Bij bestreden besluiten 1 en 2 zijn om die reden de aanvragen buiten behandeling gesteld. Bij bestreden besluit 6 heeft het college het standpunt ingenomen dat onduidelijk is gebleven of appellante in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde.

1.7.2.

Aan bestreden besluiten 3, 4, 5, en 7 ligt ten grondslag dat appellante niet heeft aangetoond dat sprake is van een wijziging van omstandigheden ten opzichte van de bij het besluit van 3 februari 2015 afgewezen aanvraag van 3 december 2014. Onduidelijk is gebleven hoe appellante in de periode voorafgaand aan de aanvragen in haar levensonderhoud heeft voorzien. Voor het college is niet komen vast te staan dat appellante niet meer kan beschikken over het vermogen dat zij in 2013 op een van haar rekeningen had staan.

2.1.

Bij aangevallen uitspraken 1 en 2 heeft de rechtbank de beroepen tegen bestreden besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat de gevraagde bankafschriften nodig zijn voor de beoordeling van de aanvragen van appellante. Om te kunnen beoordelen of de aanvrager in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert, is de financiële situatie immers een essentieel gegeven. Appellante heeft verzuimd om binnen de door het college gestelde termijn alle gevraagde afschriften van op haar naam staande bank- en spaarrekeningen vanaf 1 januari 2014 te overleggen.

2.2.

Bij aangevallen uitspraken 3, 4, 5 en 7 heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten 3, 4, 5 en 7 ongegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat appellante bij geen van deze aanvragen heeft aangetoond dat zij inmiddels wel voldeed aan de vereisten om bijstand te krijgen.

2.3.

Bij aangevallen uitspraak 6 heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 6 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft onder meer overwogen dat alleen al omdat appellante geen bewijs heeft overlegd van de opheffing van de bankrekening eindigend op 583 onduidelijk is of zij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert.

3. In hoger beroep heeft appellante zich tegen de aangevallen uitspraken gekeerd.

3.1.

Appellante heeft tegen aangevallen uitspraken 1 en 2 aangevoerd dat de gevraagde gegevens niet essentieel zijn voor het vaststellen van het recht op bijstand en dat zij alle gevraagde bankafschriften heeft overgelegd.

3.2.

Appellante heeft tegen aangevallen uitspraken 3, 4, 5 en 7 aangevoerd dat zij alle informatie heeft verschaft over haar financiële positie, waaronder een uitgebreide toelichting over op de wijze waarop zij in haar levensonderhoud heeft voorzien. Zij heeft enkele stukken overgelegd ter ondersteuning van haar stelling, zoals een uitgebreide verklaring van haarzelf, een verklaring van haar moeder en informatie over de spaarrekening van haar moeder.

3.3.

Appellante heeft tegen aangevallen uitspraak 6, voor zover van belang, aangevoerd dat zij alle gevraagde stukken heeft overgelegd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Buitenbehandelingstelling van de aanvragen van 28 oktober 2014 en 11 februari 2015 (aangevallen uitspraken 1 en 2)

4.1.

De gronden die appellante in hoger beroep tegen aangevallen uitspraken 1 en 2 heeft aangevoerd zijn een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is in die uitspraken gemotiveerd op deze gronden ingegaan. Appellante heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde weerlegging van de gronden in aangevallen uitspraken 1 en 2 onjuist of onvolledig is. De Raad kan zich geheel vinden in het oordeel van de rechtbank en in de overwegingen waarop dat oordeel rust.

Afwijzing van de aanvragen van 7 april, 27 augustus, 11 september, 10 november 2015 en

21 juni 2016 (aangevallen uitspraken 3, 4, 5 en 7)

4.2.

Indien een eerdere aanvraag om periodieke bijstand is afgewezen en de betrokkene een nieuwe aanvraag indient gericht op het verkrijgen van bijstand met ingang van een later gelegen datum, ligt het op de weg van de aanvrager om aan te tonen dat sprake is van een wijziging van omstandigheden in die zin dat hij op dat latere tijdstip wel voldoet aan de voorwaarden voor het recht op bijstand.

4.3.

Appellante heeft niet aangetoond dat zij ten tijde van de aanvragen van 7 april, 27 augustus, 11 september, 10 november 2015 en 21 juni 2016, anders dan ten tijde van de aanvraag van 3 december 2014, wel voldeed aan de voorwaarde dat zij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde, zodat deze aanvragen terecht zijn afgewezen. De herkomst van stortingen op de bankrekeningen van appellante en van contante geldbedragen, variërend van € 500,- tot € 9.400,-, die zij ten tijde van deze aanvragen in huis had, is onduidelijk gebleven. De verklaringen die appellante hiervoor op diverse momenten heeft gegeven hebben hierover geen enkele opheldering verschaft. Appellante heeft geen verifieerbare stukken overgelegd. Uit de bankafschriften blijken nauwelijks betalingen voor levensonderhoud terwijl er ook geen schuldenlast is gebleken, zodat er wel sprake moet zijn geweest van middelen waarover appellante kon beschikken en waarover zij het college niet heeft ingelicht. De enkele, verder niet onderbouwde verklaring van de moeder dat appellante haar een bedrag van € 100.000,- heeft teruggestort omdat dat geld toebehoort aan familieleden in Moskou, kan niet tot een ander oordeel leiden.

Afwijzing aanvraag van 4 januari 2016 (aangevallen uitspraak 6)

4.4.

De gronden die appellante in hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 6 heeft aangevoerd zijn een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is in die uitspraak gemotiveerd op deze gronden ingegaan. Appellante heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde weerlegging van de gronden in aangevallen uitspraak 6 onjuist of onvolledig is. De Raad kan zich geheel vinden in het oordeel van de rechtbank en in de overweging waarop dat oordeel rust.

Conclusie

4.5.

Uit 4.1, 4.3 en 4.4 volgt dat de hoger beroepen tegen de aangevallen uitspraken niet slagen, zodat die uitspraken moeten worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken 1, 2, 3, 4, 5, 6 en 7.

Deze uitspraak is gedaan door J.N.A. Bootsma als voorzitter en Y.J. Klik en A.M. Overbeeke als leden, in tegenwoordigheid van F. Dinleyici als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 november 2018.

(getekend) J.N.A. Bootsma

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

md