Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:3577

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-11-2018
Datum publicatie
20-11-2018
Zaaknummer
17/2594 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanvraag om bijstand op moment dat bijstand niet was ingetrokken maar wel was opgeschort. Aanvraag was niet nodig zodat de beslissing op de aanvraag ongedaan dient te worden gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2019/6 met annotatie van E. van den Bogaard
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 2594 PW

Datum uitspraak: 6 november 2018

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

16 februari 2017, 16/8642 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Leiden (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. L. Kuijper, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft gevoegd met de zaak 18/725 PW plaatsgehad op

16 oktober 2018. Appellant is verschenen bij gemachtigde mr. Kuijper. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. L.J.A. Edelaar. Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving bijstand ingevolge de Participatiewet (PW). Op 23 augustus 2015 heeft appellant het college schriftelijk meegedeeld dat hij in juli 2015 een aantal dagen heeft gewerkt, dat een specificatie volgt, dat zijn verdiensten in augustus 2015 boven het uitkeringsniveau liggen en dat de uitkering met ingang van 1 augustus 2015 gestopt kan worden. Bij besluit van 27 augustus 2015 (opschortingsbesluit) heeft het college het recht op bijstand met ingang van 1 augustus 2015 opgeschort. Het college heeft hieraan ten grondslag gelegd dat appellant het wijzigingsformulier over de maand juli 2015 niet had ingeleverd of niet volledig had ingevuld en dat daarnaast ook loonspecificaties of andere bewijsstukken van zijn inkomsten ontbraken. Daarbij is appellant in de gelegenheid gesteld de ontbrekende gegevens alsnog uiterlijk 3 september 2015 in te leveren. Tegen het opschortingsbesluit heeft appellant geen rechtsmiddelen aangewend. Appellant heeft op 1 september 2015 een nieuwe aanvraag om bijstand ingediend. Bij brief van 8 september 2015 heeft het college appellant er op gewezen dat hij niet alle bij het opschortingsbesluit gevraagde gegevens had overgelegd. Appellant is in de gelegenheid gesteld dit verzuim te herstellen op 17 september 2015 door op gesprek te verschijnen en daarbij de ontbrekende gegevens over te leggen. Appellant heeft schriftelijk meegedeeld dat hij van die gelegenheid geen gebruik wenste te maken.

1.2.

Bij besluit van 22 september 2015 heeft het college de bijstand over de periode van

13 juli 2015 tot en met 31 juli 2015 herzien (lees: ingetrokken) en de kosten van bijstand over die periode tot een bedrag van € 590,- van hem teruggevorderd.

1.3.

Bij besluit van 23 september 2015 heeft het college de bijstand met ingang van 1 augustus 2015 beëindigd (lees: ingetrokken) en de aanvraag van 1 september 2015 buiten behandeling gesteld.

1.4.

Bij besluit van 20 september 2016 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren tegen de besluiten van 22 september 2015 en 23 september 2015 ongegrond verklaard. Het college heeft aan de intrekking van de bijstand over de periode van 13 juli 2015 tot en met 31 juli 2015 ten grondslag gelegd dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen mededeling te doen van zijn inkomsten uit arbeid, met als gevolg dat het recht op bijstand over de periode van 13 juli 2015 tot en met 31 juli 2015 niet kan worden vastgesteld. Het college heeft aan de intrekking van de bijstand met ingang van 1 augustus 2015 ten grondslag gelegd dat appellant heeft verzuimd om binnen de hersteltermijn de bij het opschortingsbesluit gevraagde gegevens over te leggen nu hij niet heeft voldaan aan de uitnodiging voor een gesprek op 17 september 2015, met medeneming van die gegevens. Het college heeft aan de buiten behandelingstelling van de aanvraag van 1 september 2015 ten grondslag gelegd dat ten tijde van die aanvraag aan appellant bijstand was toegekend en de bijstand niet was ingetrokken of beëindigd en dat de aanvraag daarom geen doel diende.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het bestreden besluit zo gelezen dat het college de aanvraag van 1 september 2015 op de genoemde grond heeft afgewezen. Voorts heeft de rechtbank de standpunten van het college onderschreven en het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant heeft in hoger beroep nagenoeg dezelfde gronden aangevoerd als in eerste aanleg.

De intrekking over de periode van 13 juli 2015 tot en met 31 juli 2015

4.1.

Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust. Het college mocht afgaan op de gegevens van Suwinet. Daaruit blijkt dat appellant in de periode van 13 juli 2015 tot en met 9 augustus 2015 loon heeft ontvangen tot een bedrag van € 1.916,76 bruto bij [naam B.V.]. Appellant heeft niet meer loongegevens overgelegd dan de loonspecificatie die betrekking heeft op week 31 van 2015 (27 juli tot en met 2 augustus). Daaruit blijkt dat appellant in die week een netto loon van € 329,39 heeft ontvangen, maar daarop zijn ook gegevens doorgestreept, zoals de naam van de werkgever. Appellant heeft daarmee niet aannemelijk gemaakt dat de gegevens van Suwinet niet juist zijn. Nu appellant van zijn inkomsten vanaf 13 juli 2015 geen opgave heeft gedaan, heeft appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden. Omdat uit de gegevens van Suwinet niet blijkt welk deel van het ontvangen loon betrekking heeft op de maand juli 2015 en welk deel op de maand augustus 2015, heeft het college het recht op bijstand over de periode van 13 juli 2015 tot en met 31 juli 2015 niet kunnen vaststellen. Nu aan de voorwaarden voor intrekking van de bijstand is voldaan was het college gehouden de bijstand over de periode van 13 juli 2015 tot en met 31 juli 2015 in te trekken.

De intrekking met ingang van 1 augustus 2015

4.2.

Appellant heeft tegen het opschortingsbesluit geen rechtsmiddel aangewend, zodat uitsluitend ter beoordeling voorligt de vraag of de intrekking van de bijstand ingaande

1 augustus 2015 op grond van artikel 54, vierde lid, van de PW, in rechte stand kan houden. Daarbij staat ter beoordeling of de betrokkene verzuimd heeft binnen de daartoe gestelde termijn de bij het opschortingsbesluit gevraagde gegevens of gevorderde bewijsstukken te verstrekken. Indien dat het geval is, dient vervolgens te worden nagegaan of de betrokkene hiervan een verwijt kan worden gemaakt. Die verwijtbaarheid kan ontbreken indien het gaat om gegevens of gevorderde bewijsstukken die niet van belang zijn voor de verlening van bijstand of om gegevens waarover de betrokkene niet binnen de gestelde hersteltermijn redelijkerwijs heeft kunnen beschikken. Het college heeft de bijstand ingetrokken op de grond dat appellant op 17 september 2015 niet op gesprek is verschenen en de bij het opschortingsbesluit gevraagde loongegevens niet heeft overgelegd.

4.3.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij alle gegevens heeft overgelegd waarover hij beschikte en dat hij aan de inlichtingenverplichting heeft voldaan. Appellant heeft echter verzuimd de volledige loongegevens over te leggen. Die gegevens zijn van belang voor de verlening van bijstand. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij niet redelijkerwijs daarover heeft kunnen beschikken. Het verzuim kan hem dan ook verweten worden, zodat college bevoegd was de bijstand per 1 augustus 2015 in te trekken.

De beslissing op de aanvraag van 1 september 2015

4.4.

Vaststaat dat het college geruime tijd voor 1 september 2015 aan appellant bijstand heeft toegekend en dat de bijstand op die datum niet was ingetrokken of beëindigd. Dat brengt mee dat de aanvraag van 1 september 2015 niet nodig was. Het college heeft niettemin op die aanvraag beslist. Deze beslissing dient daarom ongedaan te worden gemaakt. Daaraan staat niet in de weg dat ten tijde van de aanvraag van 1 september 2015 het recht op bijstand was opgeschort. De rechtbank heeft dat niet onderkend. Het hoger beroep slaagt in zoverre.

Conclusie

4.5.

Wat hiervoor onder 4.4 is overwogen betekent dat de aangevallen uitspraak moet

worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad

- met gegrondverklaring van het beroep - het bestreden besluit vernietigen voor zover dit betrekking heeft op de beslissing op de aanvraag van 1 september 2015. De Raad ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht zelf in de zaak te voorzien en het besluit van 23 september 2015 te herroepen voor zover dit betrekking heeft op de beslissing op de aanvraag van

1 september 2015.

5. Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de kosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 501,- in bezwaar, € 1.002,- in beroep en € 1.002,- in hoger beroep, in totaal € 2.505,- voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 20 september 2016 voor zover dit betrekking heeft op de beslissing op de aanvraag van 1 september 2015;

  • -

    herroept het besluit van 23 september 2015, voor zover dat ziet op de beslissing op de aanvraag van 1 september 2015;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit van 20 september 2016;

  • -

    veroordeelt het college in de kosten van appellant tot een bedrag van € 2.505,-;

  • -

    bepaalt dat aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 170,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman, in tegenwoordigheid van L.V. van Donk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 november 2018.

(getekend) J.J.A. Kooijman

(getekend) L.V. van Donk

LO