Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:3572

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-11-2018
Datum publicatie
20-11-2018
Zaaknummer
18/604 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet melden van op geld waardeerbare werkzaamheden in café. Herhaling gronden in beroep. Houden aan afgelegde verklaring.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 604 PW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

22 december 2017, 17/3153 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] (appellant) en [appellante] (appellante), beiden te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

Datum uitspraak: 13 november 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. A. Aksu, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben verklaard geen gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellanten ontvangen sinds 10 april 2009 bijstand naar de norm voor gehuwden, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW).

1.2.

Bij besluit van 23 december 2016 heeft het college het recht op bijstand van appellanten over de periode van 21 september 2014 tot en met 29 maart 2016 herzien en de bijstand tot een bedrag van € 27.692,27 van appellanten teruggevorderd. Tevens heeft het college bij besluit van 4 januari 2017 de vordering met een bedrag van € 2.479,37 aan belasting en premies verhoogd.

1.3.

Bij besluit van 28 april 2017 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellanten tegen de besluiten van 23 december 2016 en 4 januari 2017 ongegrond verklaard. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellanten niet aan hun inlichtingenverplichting hebben voldaan door niet te melden dat appellant op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht in [naam café] (café).

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank als volgt overwogen, waarbij voor eiser appellant en voor eiseres appellante moet worden gelezen:

“(…) 4.1. Op grond van vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep; (bijvoorbeeld de uitspraak van 3 juni 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1947) veronderstelt de aanwezigheid tijdens reguliere arbeidsuren op een werkplek dat de desbetreffende persoon bij geconstateerde aanwezigheid ook daadwerkelijk op geld waardeerbare arbeid heeft verricht. Het is dan aan de betrokkene om het tegendeel aannemelijk te maken. Hier zijn eisers niet in geslaagd.

Eiser is welbewust als beheerder op de exploitatievergunning vermeld en als leidinggevende op de Drank- en Horecawetvergunning om bepaalde taken te kunnen verrichten. De verklaringen van eiser, zoals weergegeven in de door eiser en eiseres per pagina ondertekende gespreksverslagen van in ieder geval 29 maart 2016 en 19 april 2016, bieden daarbij een toereikende grondslag voor de conclusie dat eiser op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht bij [naam café] . Eiser heeft blijkens het verslag op

29 maart 2016 verklaard iedere dag naar het café te gaan, dat hij geen geld krijgt maar zijn drinken, sigaretten en soms eten gratis krijgt, dat hij koffie of cola inschenkt voor de klanten, soms afrekent, de bar schoonmaakt, lege flessen weggooit, het café opent maar niet altijd, en dat hij samen met een ander persoon tijdens de vakantie van de eigenaar de zaak heeft gerund. Blijkens het gespreksverslag van 19 april 2016 heeft eiser verklaard dat hij sinds twee jaar de eigenaar helpt. Bovendien heeft ook de eigenaar in zijn verklaring van 31 maart 2016 vermeld dat eiser dagelijks aanwezig is in het café. Dat, naar gesteld, geen gezagsverhouding tussen eiser en de eigenaar zou bestaan, betekent, anders dan eisers menen, niet dat geen sprake is van op geld waardeerbare werkzaamheden. Of eiser met het woord “patron” eigenaar zou hebben bedoeld in plaats van baas, is voor het oordeel of sprake is van op geld waardeerbare werkzaamheden (dan ook) niet van belang.

De rechtbank ziet in de gespreksverslagen geen aanknopingspunt voor het oordeel dat als gevolg van een taalachterstand van eiser de verklaringen onjuist zijn weergegeven. Eiseres heeft vertaald en na voorlezing van de verklaringen hebben eiser en eiseres de gespreksverslagen per pagina ondertekend. In de uitnodigingsbrief van verweerder is bovendien vermeld dat als eisers de Nederlandse taal slecht spreken en/of begrijpen, zij zelf een vertaler moeten regelen. Daarbij hebben meerdere gesprekken van eisers met verweerder plaatsgevonden, zodat het voor de hand zou hebben gelegen dat indien zich daadwerkelijk (ver)taalproblemen voordeden eisers na het eerste gesprek niet langer zonder vertaler zouden zijn verschenen. Daarom bestaat geen aanleiding in dit geval af te wijken van de vaste rechtspraak van de Raad, bijvoorbeeld van 12 september 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3127, dat van de juistheid van een tegenover een handhavingsspecialist afgelegde en ondertekende verklaring mag worden uitgegaan.

4.2.

Eveneens volgt uit vaste rechtspraak van de Raad (bijvoorbeeld de uitspraak van
9 augustus 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3021) dat het verrichten van op geld waardeerbare activiteiten een omstandigheid is die voor het recht op bijstand van belang kan zijn, ongeacht de intentie waarmee die werkzaamheden worden verricht en ongeacht of uit die werkzaamheden daadwerkelijk inkomsten worden genoten. Van betekenis is in dit verband dat voor de verlening van bijstand, gelet op het bepaalde in artikel 31, eerste lid, in verbinding met artikel 32, eerste lid, van de PW, niet alleen van belang is het inkomen waarover de betrokkene daadwerkelijk beschikt, maar ook het inkomen waarover hij redelijkerwijs kan beschikken.(…)”

2.1.

Verder heeft de rechtbank overwogen dat appellanten de inlichtingenverplichting hebben geschonden door geen melding te maken van de werkzaamheden van appellant, ten gevolge waarvan het recht op bijstand van appellanten niet kan worden vastgesteld en de vordering over 2016 terecht is gebruteerd.

3. Appellanten hebben in hoger beroep aangevoerd dat de besluitvorming van het college onzorgvuldig voorbereid en gebrekkig gemotiveerd is. Voor een onderbouwing van deze grond hebben zij verwezen naar de in bezwaar en beroep aangevoerde gronden. Deze gronden hielden, samengevat weergegeven, in dat appellant in het café geen op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht en dat het college de verklaringen van appellant in die zin niet juist heeft vertaald.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak de in beroep aangevoerde gronden, waarnaar appellanten in hoger beroep hebben verwezen, besproken en gemotiveerd waarom naar zijn oordeel die gronden niet slagen. Dit volgt uit wat onder 2 is overwogen. Appellanten hebben in hoger beroep volstaan met een herhaling van de beroepsgronden en geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde weerlegging van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist dan wel onvolledig is. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de overwegingen waarop dat oordeel berust.

4.2.

Uit 4.1 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door F. Hoogendijk, in tegenwoordigheid van A.M. Pasmans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 november 2018.

(getekend) F. Hoogendijk

(getekend) A.M. Pasmans

LO