Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:3569

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-11-2018
Datum publicatie
16-11-2018
Zaaknummer
16/2835 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet is gebleken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden die ertoe leiden dat het eerder genomen besluit van 29 november 2002 onjuist was. Gelet op de bevindingen van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, kan het Uwv worden gevolgd in zijn standpunt dat buiten twijfel staat dat van een Amber-situatie geen sprake is. Het motiveringsgebrek kan met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) worden gepasseerd, nu aannemelijk is dat de belanghebbenden hierdoor niet zijn benadeeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 2835 WAO

Datum uitspraak: 14 november 2018

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

17 maart 2016, 15/6463 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. S.L. Soedamah, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 10 augustus 2018 heeft het Uwv desgevraagd een reactie en nadere stukken ingezonden.

Bij brieven van 10 september en 21 september 2018 heeft appellante stukken ingezonden. Het Uwv heeft desgevraagd, onder toezending van een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep, op deze stukken gereageerd. Hierop is door appellante gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 oktober 2018. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Soedamah en P. Cuijpers (tolk). Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Z. Seyban.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is op 2 juni 1998 uitgevallen voor haar werkzaamheden als schoonmaakster wegens rugklachten, knieklachten, anemie en polsklachten. Bij besluit van 29 november 2002 heeft het Uwv vastgesteld dat appellante met ingang van 31 mei 1999 geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), omdat zij minder dan 15% arbeidsongeschikt is. Het door appellante tegen dat besluit gemaakte bezwaar is bij besluit 19 augustus 2003 ongegrond verklaard. Na beroep is dit besluit in rechte komen vast te staan.

1.2.

Op 22 januari 2015 heeft appellante het Uwv verzocht om haar arbeidsongeschiktheid opnieuw te beoordelen. Bij besluit van 28 mei 2015 heeft het Uwv vermeld dat niet is gebleken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden die ertoe leiden dat het eerder genomen besluit van 29 november 2002 onjuist was.

1.3

Bij besluit van 31 augustus 2015 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 22 januari 2015 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.1.

Appellante is in hoger beroep gekomen van de aangevallen uitspraak.

3.2.

Onder verwijzing naar de lijnen uiteengezet in zijn uitspraak van 14 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1 heeft de Raad het Uwv verzocht om een nadere toelichting ten aanzien van de aanspraken van appellante op de regeling bij toegenomen arbeidsongeschiktheid (Amber). Het Uwv heeft erkend dat ten onrechte verzuimd is de Amber-aanspraken van appellante te beoordelen. Onder verwijzing naar rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar heeft het Uwv alsnog het standpunt ingenomen dat de Amber-claim van appellante niet kan slagen.

3.3.Gelet op het verhandelde ter zitting is het geschil in hoger beroep beperkt tot de beoordeling en afwijzing van verzoek van appellante om toepassing van de Amber-bepaling van artikel 43a, eerste lid aanhef en onder b, van de WAO.

4.1.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.2.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geconstateerd dat bij het verzekeringsgeneeskundig onderzoek in mei 1999 bij appellante beperkingen als gevolg van rugklachten en spataderen in het linkerbeen zijn aangenomen. In de beschikbare gegevens heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep terecht geen aanwijzingen gevonden dat de met de rugklachten en spataderen samenhangende beperkingen van appellante in de vijf jaren nadien zijn toegenomen. Uit de informatie van waarnemend huisarts J. Leenders van 18 juni 2018 blijkt dat de rugklachten eerst in 2015 en 2016 weer zijn opgetreden. Over de spataderen heeft de waarnemend huisarts verklaard dat in het huisartsenjournaal geen meldingen zijn dat deze klachten na de operatie in 2001 zijn verbeterd of verslechterd. Voor zover er in de periode van vijf jaren na 31 mei 1999 sprake is van toegenomen beperkingen bij appellante als gevolg van hand- en polsklachten en de in 2006 aangetroffen gonartrose heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep overtuigend gemotiveerd dat sprake is van een andere oorzaak. Over de stelling van appellante dat haar knieklachten ook reeds speelden in 1999, gelet op de informatie van de huisarts en het rapport van de verzekeringsarts van het Uwv van 18 mei 1999, heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep terecht aangegeven dat er voor de knieklachten destijds in mei 1999 door de verzekeringsarts geen beperkingen zijn vastgesteld. Niet gebleken is voorts van een mogelijk effect van de gonartrose op de rugklachten in de periode van vijf jaren na 31 mei 1999. Gelet op deze bevindingen van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, kan het Uwv worden gevolgd in zijn standpunt dat buiten twijfel staat dat van een Amber-situatie geen sprake is.

4.3.

Nu het Uwv pas in hoger beroep heeft gemotiveerd dat de Amber-bepaling niet van toepassing is, kleeft er een motiveringsgebrek aan het bestreden besluit. Dit gebrek kan met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) worden gepasseerd, nu aannemelijk is dat de belanghebbenden hierdoor niet zijn benadeeld. Ook als die gebreken zich niet zouden hebben voorgedaan, zou een besluit met gelijke uitkomst zijn genomen. De aangevallen uitspraak wordt, met verbetering van gronden, bevestigd.

5. Gelet op 4.3 bestaat er aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 501,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en € 1002,- in hoger beroep, in totaal € 1.503,-. Tevens is er aanleiding te bepalen dat het Uwv het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht aan appellante vergoedt.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.503,-;

- bepaalt dat het Uwv aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht

van in totaal € 169,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door E.J.J.M. Weyers, in tegenwoordigheid van H. Achtot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 november 2018.

(getekend) E.J.J.M. Weyers

(getekend) H. Achtot

KS