Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:3555

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-11-2018
Datum publicatie
15-11-2018
Zaaknummer
16/6777 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om herziening. Geen feiten of omstandigheden als bedoeld in art. 8:119, Awb.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 6777 WAO

Datum uitspraak: 8 november 2018

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 19 oktober 2016, 14/6376 WAO

Partijen:

[verzoekster] te [woonplaats] (verzoekster)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens verzoekster heeft mr. W.C. de Jonge, advocaat, verzocht om herziening van de uitspraak van de Raad van 19 oktober 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:3954).

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 27 september 2018.

Partijen zijn niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Aan verzoekster was naar aanleiding van haar uitval op 8 januari 1991 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend die, na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek, met ingang van 12 oktober 2008 is ingetrokken omdat de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op minder dan 15%.

1.2.

Bij besluit van 1 augustus 2013 heeft het Uwv de aanvraag van verzoekster om heropening van de WAO-uitkering afgewezen, omdat met ingang van 15 januari 2013 geen sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid. Bij besluit van 10 maart 2014 heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 1 augustus 2013 ongegrond verklaard.

1.3.

De rechtbank Rotterdam heeft bij uitspraak van 19 november 2014, 14/2684, het door verzoekster ingestelde beroep tegen het besluit van 10 maart 2014 ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft verzoekster hoger beroep ingesteld.

1.4.

Bij de uitspraak van 19 oktober 2016, waarvan herziening is verzocht, heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank vernietigd, het beroep gegrond verklaard en het besluit van

10 maart 2014 vernietigd, maar bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.

2.1.

Verzoekster heeft verzocht om herziening van de uitspraak van 19 oktober 2016 op de grond dat de Raad niet tot de uitspraak had kunnen komen zonder daartoe een onafhankelijke medische deskundige in te schakelen. Vanwege het gebrek aan medische deskundigheid bij de Raad heeft de Raad de medische feiten niet kunnen vaststellen. Omdat de gegevens van het Uwv door de Raad als hoofdbewijs zijn beschouwd, is er spanning met de vereisten van een eerlijk proces en is de uitspraak in strijd met het beginsel van “equality of arms” en met het arrest van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens van 8 oktober 2015 (ECLI:CE:ECHR:2015:1008JUD007721212) (Korošec). De overgelegde medische gegevens zijn aan te merken als nieuwe feiten als bedoeld in art 8:119 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat in de uitspraak geen medische feiten zijn vastgesteld.

2.2.

Het Uwv heeft zich op het standpunt gesteld dat het verzoek niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 8:119 van de Awb.

3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

3.1.

Ingevolge artikel 8:119, eerste lid, van de Awb kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:

a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,

b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en

c. waren zij bij de bestuursrechter eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden

3.2.

Het is vaste rechtspraak van de Raad dat het bijzondere rechtsmiddel van herziening er niet toe strekt om een hernieuwde discussie over de zaak te voeren, noch om een discussie over de betreffende uitspraak te openen, maar om een rechterlijke uitspraak die berust op een naderhand onjuist gebleken feitelijk uitgangspunt te redresseren. Dit betekent onder meer dat een vermeende onjuiste rechtsopvatting niet kan dienen als grond voor herziening. Gewezen wordt op de uitspraken van de Raad van 19 november 1998, ECLI:NL:CRVB:1998:ZB8180, van 3 oktober 2003, ECLI:NL:CRVB:2003:AN7982 en van 13 januari 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AS3516.

3.3.

Verzoekster heeft aan haar verzoek het argument ten grondslag gelegd dat de uitspraak van 19 oktober 2016 berust op een onjuiste rechtsopvatting, namelijk dat deze in strijd is met het beginsel van “equality of arms”. Zoals onder 3.2 is overwogen, kan op deze grond een discussie over de uitspraak van 19 oktober 2016 niet worden geopend.

3.4.

Bij het verzoek heeft verzoekster een aantal producties gevoegd. Dit betreft rapporten van Instituut Psychosofia die ook zijn overgelegd in de procedure die heeft geleid tot de uitspraak van 19 oktober 2016. Dit zijn geen feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 8:119 van de Awb.

3.5.

Het verzoek om herziening moet op grond van hetgeen hiervoor is overwogen worden afgewezen.

4. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om herziening af.

Deze uitspraak is gedaan door E. Dijt, in tegenwoordigheid van S.L. Alves als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 november 2018.

(getekend) E. Dijt

(getekend) S.L. Alves

JvC