Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:3539

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-11-2018
Datum publicatie
20-11-2018
Zaaknummer
15/8054 WWB
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2015:7817, Bekrachtiging/bevestiging
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2016:6390, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking, terugvordering en boete in verband met verzwegen onroerend goed in Turkije.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15 8054 WWB, 16/5642 PW

Datum uitspraak: 13 november 2018

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Rotterdam van 4 november 2015, 15/2203 (aangevallen uitspraak 1) en van 17 augustus 2016, 16/1607 (aangevallen uitspraak 2)

Partijen:

[appellant] (appellant) en [appellante] (appellante), beiden te [woonplaats]

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. R. Küçükünal, advocaat, hoger beroepen ingesteld.

Het college heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 oktober 2018. Namens appellanten is
mr. Küçükünal verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C.A. Buskens.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving sinds januari 2011 een onvolledig ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW). Met ingang van 1 januari 2011 heeft de Svb aan appellanten met toepassing van artikel 47a van de Wet werk en bijstand (WWB) een aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO-aanvulling) toegekend. In verband met een verblijf langer dan vier weken in het buitenland heeft de Svb de AIO-aanvulling van appellante stopgezet en de AIO-aanvulling van appellant met ingang van 1 augustus 2013 herberekend naar de norm voor een alleenstaande.

1.2.

Op 2 oktober 2013 heeft appellante opnieuw een AIO-aanvulling aangevraagd. Zij heeft daarbij opgegeven dat appellant een huis en een stuk grond in Turkije bezit. De Svb heeft in het kader van de beoordeling van het recht op AIO-aanvulling appellanten bij brief van 25 oktober 2013 verzocht een taxatierapport toe te sturen waaruit de waarde van de woning en de grond in Turkije blijkt. De zoon van appellanten heeft op 1 november 2013 telefonisch aan een medewerker van de Svb laten weten dat appellanten geen taxatierapport hebben en dat ze dat pas kunnen laten opmaken als ze het volgende jaar weer op vakantie gaan naar Turkije. De Svb heeft op 7 november 2013 opdracht gegeven voor een buitendienstonderzoek. Op 11 november 2013 heeft de Svb aan appellanten met ingang van 1 november 2013 weer een AIO-aanvulling naar de norm voor gehuwden toegekend, omdat appellante toen weer terug was van vakantie.

1.3.

Op 15 mei 2014 heeft de Svb opnieuw een opdracht gegeven voor een buitendienstonderzoek, omdat aan de vorige opdracht geen uitvoering was gegeven. Bij besluit van 19 mei 2014 heeft de Svb aan appellanten meegedeeld dat vanaf 1 mei 2014 de betaling van de AIO-aanvulling wordt stopgezet. Daarbij heeft de Svb als toelichting gegeven dat de toekenning van de AIO-aanvulling per 1 november 2013 nooit had mogen plaatsvinden aangezien appellanten hadden verklaard een woning en grond in Turkije te bezitten, waardoor het vermogen niet is vast te stellen. Appellant heeft op 8 oktober 2014 aan de Svb stukken overgelegd betreffende aangifte onroerende zaakbelasting van de gebouwen, die op zijn naam staan.

1.4.

Op 18 september 2014 is een medewerker van het Bureau Sociale Zaken van de Nederlandse ambassade in Ankara (rapporteur) in opdracht van de Svb een onderzoek in Turkije gestart. Uit het door de rapporteur verrichte onderzoek bij de afdeling onroerende zaakbelasting (OZB) van de gemeente in Turkije, bleek dat bij deze instantie op naam van appellant een woning, vier werkplaatsen en drie percelen landbouwgrond geregistreerd staan. De woning is verworven in 1997, de werkplaatsen op 2 augustus 1999 en de gronden op 24 juli 2013. De rapporteur heeft vervolgens op dezelfde datum een buurtonderzoek verricht, waarbij hij appellant bij de betreffende woning heeft aangetroffen en een kort gesprek met hem heeft gevoerd. De actuele waarde van de woning en de werkplaatsen is op 3 oktober 2014 door een lokale taxateur vastgesteld op in totaal 85.000 Turkse Lira (omgerekend € 29.264,-). De landbouwgronden zijn niet getaxeerd. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in de Rapportage Vermogensonderzoek Turkije van 20 oktober 2014.

1.5.

Bij besluit van 13 november 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 3 maart 2015 (bestreden besluit 1), heeft de Svb de AIO-aanvulling van appellanten over de periode van januari 2011 tot en met april 2014 (periode in geding) ingetrokken en de over deze periode betaalde AIO-aanvulling tot een bedrag van € 11.655,40 van hen teruggevorderd. Aan bestreden besluit 1 heeft de Svb ten grondslag gelegd dat appellanten vanaf januari 2011 de beschikking hadden over vermogen in de vorm van onroerende zaken in Turkije. Door hiervan geen melding te maken bij de Svb, hebben appellanten de op hen rustende inlichtingenverplichting geschonden. Als gevolg van deze schending kan het recht op

AIO-aanvulling in de periode in geding niet worden vastgesteld.

1.6.

Bij besluit van 4 mei 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 27 januari 2016 (bestreden besluit 2), heeft de Svb aan appellanten een boete opgelegd van € 1.180,-. Aan bestreden besluit 2 heeft de Svb ten grondslag gelegd dat appellanten niet tijdig hebben gemeld dat zij vermogen in het buitenland hebben en dat dit hen kan worden verweten. De hoogte van de boete is vastgesteld op 50% van het benadelingsbedrag.

2. Bij de aangevallen uitspraken heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraken 1 en 2 gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Intrekking en terugvordering (15/8054)

4.1.

Een belanghebbende is ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB verplicht om aan de Svb op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling te doen van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op AIO-aanvulling.

4.2.

Niet in geschil is dat de onder 1.4 vermelde onroerende zaken in het register van de onroerende zaakbelasting van de gemeente op naam van appellant stonden en dat deze zaken een bestanddeel vormen van het vermogen van appellanten waarover zij daadwerkelijk beschikken of redelijkerwijs kunnen beschikken.

4.3.

Appellanten hebben aangevoerd dat zij niet opzettelijk de inlichtingenverplichting hebben geschonden. Pas bij de aanvraag om AIO-aanvulling van appellante in 2013 heeft een medewerker van de Svb duidelijk gevraagd of zij vermogen in het buitenland bezitten. Appellanten stellen niet eerder te hebben begrepen dat dit van belang was. Deze beroepsgrond slaagt niet. Daartoe wordt het volgende overwogen.

4.3.1.

Het gaat hier om gegevens waarvan het appellanten redelijkerwijs duidelijk moet zijn geweest dat deze van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand. Voor zover bij hen twijfel bestond of deze gegevens voor de verlening van bijstand van belang konden zijn, hadden appellanten daarin aanleiding moeten zien om contact op te nemen met de Svb om op dit punt duidelijkheid te verkrijgen. Op zowel het in 2010 ingediende aanvraagformulier voor de

AIO-aanvulling als de in december 2011 en oktober 2012 ingeleverde heronderzoeksformulieren hebben appellanten de vraag of zij onroerende zaken bezitten, bijvoorbeeld een vakantiehuis in Nederland of buiten Nederland, steeds ontkennend beantwoord. Anders dan appellanten hebben aangevoerd, kan niet worden gezegd dat deze formulieren onduidelijk waren. Voorts is niet van belang dat appellanten, zoals zij hebben gesteld, het aanvraagformulier niet zelf hebben ingevuld, maar zich hebben laten bijstaan door derden in het wijkcentrum. De Svb heeft bij bestreden besluit 1 er terecht op gewezen dat appellanten zelf verantwoordelijk zijn voor wat zij op de formulieren invullen of laten invullen. Voorts is van belang dat de in artikel 17 van de WWB neergelegde verplichting een objectief geformuleerde verplichting is, waarbij opzet geen rol speelt.

4.3.2.

Anders dan appellanten hebben aangevoerd, geldt de schending van de inlichtingenverplichting voor de gehele periode in geding. Appellanten hebben weliswaar op 2 oktober 2013 melding gemaakt van het bezit van een woning en grond, maar niet van de eigendom van vier werkplaatsen. Anders dan appellanten ter zitting hebben aangevoerd, gaat het niet slechts om kleine kelderboxen die bij de woning horen. Uit de bevindingen van het onderzoek is gebleken dat de vier werkplaatsen afzonderlijk van de woning zijn aangekocht, ieder 29 m² groot zijn, een aanzienlijke waarde vertegenwoordigen en afzonderlijk zijn opgenomen in de aangifte voor de OZB.

4.4.

De beroepsgrond dat een onrechtmatig huisbezoek heeft plaatsgevonden wegens het ontbreken van ‘informed consent’, treft geen doel. De aan het bestreden besluit 1 ten grondslag gelegde bevindingen zijn immers niet gebaseerd op informatie die is verkregen tijdens het bezoek van de rapporteur aan het appartementencomplex op 18 september 2014 en het toen met appellant gevoerde gesprek.

4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 1 niet slaagt, zodat deze uitspraak moet worden bevestigd.

Boete (16/5642)

4.6.

Uit 4.3 volgt dat de Svb, nu appellanten geen melding hebben gemaakt van het bezit van de onroerende zaken, ook heeft aangetoond dat appellanten de op hen rustende inlichtingenverplichting hebben geschonden. Van deze gedraging kan niet worden gezegd dat elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. Anders dan appellanten hebben betoogd, had het hen, gelet op 4.3.1, ook redelijkerwijs duidelijk kunnen en ook moeten zijn dat het bezit van de onroerende zaken van invloed kon zijn op het recht op bijstand. Daarmee staat de verwijtbaarheid van de schending van de inlichtingenverplichting vast. De Svb was dan ook gehouden een boete op te leggen.

4.7.

De beroepsgrond dat sprake is van dringende redenen om van het opleggen van een boete af te zien, hebben appellanten niet onderbouwd en slaagt reeds om die reden niet.

4.8.

Appellanten hebben voorts aangevoerd dat sprake is van verminderde verwijtbaarheid en hebben daarvoor gewezen op de door hen gestelde, onder 4.3.1 weergegeven omstandigheden. Deze beroepsgrond slaagt niet. Reeds gelet op wat daarover onder 4.3.1 is overwogen, te weten dat de formulieren niet onduidelijk zijn en dat appellanten zelf verantwoordelijk zijn voor het invullen van de aanvraag- en heronderzoeksformulieren, geven deze omstandigheden geen aanleiding om de boete op grond van het evenredigheidsbeginsel te matigen wegens verminderde mate van verwijtbaarheid. De beroepsgrond dat appellanten onvoldoende draagkracht hebben voor de betaling van de boete, hebben zij niet onderbouwd, zodat deze grond evenmin slaagt.

4.9.

Uit 4.6 tot en met 4.8 volgt dat het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 2 niet slaagt, zodat deze uitspraak eveneens moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken.

Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens als voorzitter en J.T.H. Zimmerman en M. Schoneveld als leden, in tegenwoordigheid van J.M.M. van Dalen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 november 2018.

(getekend) W.F. Claessens

(getekend) J.M.M. van Dalen

sg