Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:3530

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-11-2018
Datum publicatie
20-11-2018
Zaaknummer
15/8295 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering in verband met onroerend goed in Turkije. Geen strijd met subsidiariteitsbeginsel. Beroepsgrond dat gegevens onrechtmatig in Turkije zijn verkregen slaagt niet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2018/311
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15 8295 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 13 november 2015, 15/1126 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant 1] en [appellant 2] , beiden wonende te [woonplaats] , Turkije (appellanten)

het Drechtstedenbestuur (bestuur)

Datum uitspraak: 6 november 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. R. Küçükünal, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 oktober 2018. Namens appellanten is mr. Küçükünal verschenen. Het bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen

mr. E.J. van Zwieten.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellanten ontvingen vanaf 11 november 2005 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden. De bijstand van appellanten is met ingang van 7 september 2014 beëindigd in verband met remigratie van appellanten naar Turkije.

1.2.

Bij besluit van 14 maart 2014 heeft de Sociale verzekeringsbank aan appellanten een tegemoetkoming in het kader van de Remigratieregeling toegekend met als uiterste vertrekdatum 14 september 2014. Tijdens gesprekken met zijn klantmanager op 8 juli 2014 en 11 augustus 2014 heeft appellant gemeld dat hij en zijn gezin verwachten rond 20 augustus 2014 voorgoed naar Turkije te vertrekken. Zij gaan wonen op het adres [adres] , te [woonplaats] , Turkije. Naar aanleiding van deze gegevens heeft het bestuur een onderzoek gestart naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand. In dat kader heeft het Bureau Attaché voor Sociale Zaken van de Nederlandse Ambassade in Ankara, Turkije (Bureau Attaché), in opdracht van het bestuur en met tussenkomst van het Internationaal Bureau Fraude van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (IBF), onderzoek laten verrichten naar bezit van onroerende zaken van appellanten in Turkije. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een rapportage vermogensonderzoek van 31 juli 2014. Uit die rapportage komt het volgende naar voren. Het onderzoek betreffende de eigendom van de woning aan de [adres] leverde geen relevante gegevens op. Uit gegevens van de afdeling onroerende zaakbelasting (OZB) van de gemeente [woonplaats] blijkt dat aldaar op naam van appellant een woning, gebouwd op een stuk grond van 172 m2 (perceel [nummer]), met verwervingsdatum 1 augustus 2005 staat geregistreerd. Een lokale makelaar heeft de waarde van de bouwgrond op 23 juli 2014 getaxeerd op 110.000 Turkse Lira (omgerekend € 38.975,-).

1.3.

Het bestuur heeft in de onderzoeksresultaten aanleiding gezien om bij besluit van 29 september 2014 de bijstand van appellanten over de periode van 1 augustus 2005 tot en met 1 september 2007 in te trekken en de gemaakte kosten van bijstand over die periode tot een bedrag van € 29.624,56 van appellanten teruggevorderd.

1.4.

Bij besluit van 6 januari 2015 (bestreden besluit) heeft het bestuur beslist op het bezwaar tegen het besluit van 29 september 2014. Hierbij heeft het bestuur laatstgenoemd besluit gehandhaafd onder aanpassing van de periode van intrekking in de periode van 1 januari 2012 tot 1 februari 2014 (periode in geding). Aan het bestreden besluit heeft het bestuur ten grondslag gelegd dat appellanten geen melding hebben gemaakt van de sinds 1 augustus 2005 op naam van appellant geregistreerde bouwgrond met een getaxeerde waarde boven de voor appellanten geldende vermogensgrens.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellanten hebben zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij hebben aangevoerd dat het bestuur de in Turkije verkregen onderzoeksgegevens niet aan de besluitvorming ten grondslag heeft mogen leggen, omdat deze onrechtmatig zijn verkregen. Daartoe hebben appellanten aangevoerd dat het bestuur op grond van het subsidiariteitsbeginsel, waaraan een inbreuk op het recht op eerbiediging van het privéleven als bedoeld in artikel 8, tweede lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) moet voldoen, eerst op een andere, minder belastende wijze onderzoek had moeten verrichten naar het vermogen van appellanten dan direct het IBF hiertoe opdracht te geven. Voorts hebben appellanten aangevoerd dat de onderzoeksgegevens in strijd met de Turkse wetgeving zijn verkregen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Strijd met het subsidiariteitsbeginsel

4.1.

In wat appellant tijdens de onder 1.2 genoemde gesprekken heeft gemeld over het op handen zijnde vertrek naar zijn verblijfplaats in Turkije, had het bestuur een gerechtvaardigd belang om een vermogensonderzoek door het IBF te laten uitvoeren. Niet in geschil is immers dat appellanten zelf niet aan het bestuur hebben gemeld dat zij beschikken over vermogen in het buitenland, in de vorm van een woning en grond. Het bestuur behoefde daarom geen aanleiding te zien om, anders dan appellanten hebben betoogd, in dit geval eerst appellanten in de gelegenheid te stellen nadere gegevens hierover te verstrekken. Gelet hierop stond het bestuur geen minder ingrijpend onderzoeksmiddel ter beschikking om de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand te onderzoeken. Van strijd met het subsidiariteitsbeginsel is dan ook geen sprake.

Strijd met Turkse wetgeving

4.2.

In zijn uitspraak van 1 oktober 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2911 heeft de Raad overwogen dat geen regel van Nederlands recht, daaronder begrepen verdragenrecht, voorschrijft dat bewijs, vergaard door, in opdracht of onder verantwoordelijkheid van Nederlandse bestuursorganen, naar Turks recht rechtmatig moet zijn verkregen. Op grond van het Nederlandse recht dient wel, indien daartoe gronden worden opgeworpen, de toets te worden aangelegd of bijvoorbeeld het gebruik van dat bewijs in strijd komt met regels van een eerlijk proces, zoals beschermd door artikel 6 van het EVRM, het recht op respect voor het privéleven, zoals beschermd door artikel 8 van het EVRM, of anderszins indruist tegen wat van een behoorlijk handelend bestuursorgaan mag worden verwacht.

4.3.

In de onderhavige zaak is op verzoek van het bestuur, door tussenkomst van het IBF, door derden in Turkije informatie gegeven. Niet valt in te zien hoe appellanten hierdoor een eerlijk proces wordt ontnomen, nu zij de mogelijkheid hebben het verkregen bewijs met tegenbewijs te bestrijden. Voorts heeft de Raad al eerder geoordeeld (zie onder meer de uitspraak van 17 mei 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1910) dat met de in Turkije - ook in het geval van appellanten - gehanteerde onderzoeksmiddelen, zoals het raadplegen van gegevens van de afdeling OZB, een beperkte en aanvaardbare inbreuk wordt gemaakt op het in artikel 8 van het EVRM gewaarborgde recht op respect voor het privéleven van de betrokkenen en dat deze inbreuk gerechtvaardigd is. Geen aanleiding bestaat om in dit geval tot een ander oordeel te komen. Tot slot kan ook niet worden gezegd dat het gebruik van de resultaten van het onderhavige vermogensonderzoek anderszins zozeer indruist tegen wat van een redelijk handelend bestuursorgaan mag worden verwacht, dat dit ontoelaatbaar moet worden geacht.

4.4.

Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat de beroepsgrond dat de onderzoeksgegevens uit het onderzoek in Turkije onrechtmatig zijn verkregen, niet slaagt. Hieruit vloeit voort dat het hoger beroep ook niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens als voorzitter en J.T.H. Zimmerman en M. Schoneveld als leden, in tegenwoordigheid van J.M.M. van Dalen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 november 2018.

(getekend) W.F. Claessens

(getekend) J.M.M. van Dalen

IJ