Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:3528

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-10-2018
Datum publicatie
20-11-2018
Zaaknummer
17/4488 PW-PV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekken en terugvorderen in verband met kasstortingen. De financiële situatie is niet duidelijk gemaakt. Het recht is niet vast te stellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 4488 PW-PV

Datum uitspraak: 30 oktober 2018

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 10 mei 2017, 16/7160 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

Zitting heeft: W.H. Bel, lid van de enkelvoudige kamer.

Griffier: C.A.E. Bon

Appellant is, met bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. Yaman.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.

1. Bij besluiten van 27 juni 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 31 oktober 2016, heeft het college de aanvraag van appellant van 11 mei 2016 om bijstand afgewezen en het verstrekte voorschot teruggevorderd. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat uit de overgelegde bankafschriften blijkt dat in de periode van 4 mei 2015 tot en met 7 april 2016 elf stortingen zijn verricht tot een bedrag van in totaal € 5.690,- waarvan appellant de herkomst niet aannemelijk heeft gemaakt. Daarom kan niet worden vastgesteld of hij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert en hij om die reden recht op bijstand heeft.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 31 oktober 2016 ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat hij alle benodigde informatie heeft ingeleverd, dat hem niet duidelijk is welke informatie het college mist, dat hij de stortingen nodig had om in leven te blijven en dat hij desgewenst een verklaring van zijn ex-partner kan overleggen waarin zij bevestigt dat zij hem heeft onderhouden.

4. Het gaat om een besluit tot afwijzing van een aanvraag om bijstand. Bij aanvragen om bijstand rust de bewijslast van de bijstandbehoevendheid in beginsel op de aanvrager zelf. Het college stelt zich terecht op het standpunt dat appellant zijn financiële situatie niet duidelijk heeft gemaakt, waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. De financiële situatie van appellant is niet duidelijk, omdat bewijsstukken ontbreken die zijn stelling ondersteunen dat de stortingen giften betreffen en afkomstig zijn van zijn ex-partner. Het college heeft al tijdens de hoorzitting te kennen gegeven dat een verklaring van de ex-partner van appellant nodig is, zodat het appellant duidelijk kon zijn welk bewijs vereist was. Dat hij heeft nagelaten om hiervoor te zorgen komt voor rekening en risico van appellant. Het hoger beroep slaagt dus niet.

Waarvan proces-verbaal

De griffier De voorzitter

(getekend) C.A.E. Bon (getekend) W.H. Bel

md