Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:352

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-01-2018
Datum publicatie
06-02-2018
Zaaknummer
16/4463 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen voldoende grondslag. Voor intrekking en terugvordering op de grond dat appellant niet op het uitkeringsadres woonde. Verklaringen van getuigen, inschrijving van een derde op het uitkeringsadres en niet reageren op post is onvoldoende.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 4463 PW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 2 juni 2016, 15/6946 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Delft (college)

Datum uitspraak: 30 januari 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. H.W. Verberkmoes, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 december 2017. Namens appellant is verschenen mr. Verberkmoes. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. J. Schokker.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving van 5 februari 2010 tot en met 26 december 2013 en vanaf 4 april 2014 bijstand, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande. Appellant stond sinds 20 april 2006 in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, thans basisregistratie personen (BRP) ingeschreven op het adres [uitkeringsadres] (uitkeringsadres).

1.2.

Naar aanleiding van het uit een begin 2014 ingesteld onderzoek gerezen vermoeden dat appellant bij zijn vriendin in [gemeente A.] verblijft, hebben sociaal rechercheurs van de gemeente Delft een onderzoek ingesteld naar de woon- en leefsituatie van appellant. In dat kader hebben de sociaal rechercheurs onder andere dossieronderzoek verricht, de BRP geraadpleegd en onder andere [naam L.] (L), voormalig bewoner van het uitkeringsadres,

[naam V.] (V) wonende te [gemeente A.] , en [naam M.] (M), bewoner van het adres [adres 2] , als getuigen gehoord. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een proces-verbaal van 21 mei 2015.

1.3.

Het college heeft in de onderzoeksresultaten aanleiding gezien om bij besluit van 15 april 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 1 september 2015 (bestreden besluit), de bijstand van appellant over de perioden van 5 februari 2010 tot en met 26 december 2013 en van 4 april 2014 tot en met 30 november 2014 in te trekken en de gemaakte kosten van bijstand over die perioden tot een bedrag van € 62.257,11 van appellant terug te vorderen. Hieraan heeft het college, zoals nader toegelicht ter zitting van de Raad, ten grondslag gelegd dat appellant vanaf 5 februari 2010 geen hoofdverblijf heeft gehad op het uitkeringsadres. Appellant heeft de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden door hiervan geen melding te maken. Het recht op bijstand kan zodoende niet worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Gelet op de hoger beroepsgronden en het verhandelde ter zitting van de Raad is het geschil tussen partijen beperkt tot de periode van 14 oktober 2011 tot en met 26 oktober 2013 (periode in geding).

4.2.

Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Hieruit volgt dat het college in dit geval aannemelijk dient te maken dat appellant in de periode in geding niet woonde op het uitkeringsadres en dat hij daarvan ten onrechte geen melding heeft gemaakt bij het college. Daarbij geldt dat ook voor deze periode voldoende feitelijke grondslag dient te bestaan voor deze conclusie.

4.3.

Appellant heeft aangevoerd dat onvoldoende feitelijke grondslag voorhanden is voor de conclusie dat hij in de periode in geding niet op het uitkeringsadres woonachtig is geweest. Deze beroepsgrond slaagt. Daartoe wordt het volgende overwogen.

4.4.

Het college heeft zijn standpunt dat appellant in de periode in geding niet woonde op het uitkeringsadres, gebaseerd op de verklaringen van de getuigen L, V en M, de inschrijving van [naam S.] (S) in de BRP op het uitkeringsadres en het niet reageren door appellant op post.

4.5.

Getuige V heeft verklaard dat appellant in de periode van 10 december 2010 tot en met oktober, november 2013 vier dagen in de week bij haar te [gemeente A.] verbleef. Deze verklaring sluit echter niet uit dat appellant in de periode in geding op het uitkeringsadres woonde. Daarvoor bevat deze verklaring onvoldoende aanknopingspunten.

4.5.1.

Getuige L heeft verklaard dat hij van half november 2010 tot juni of juli 2011 op het uitkeringsadres heeft gewoond, zodat dit ziet op een periode gelegen voorafgaande aan de periode in geding. Voorts heeft L verklaard dat na hem een student alleen is komen wonen op het uitkeringsadres. Deze verklaring is niet naar tijd gespecificeerd en geeft geen concrete informatie over het verblijf van appellant op het uitkeringsadres in de periode in geding , zodat hieruit niet kan worden afgeleid dat appellant in die periode niet op het uitkeringsadres woonde.

4.5.2.

Getuige M, die vanaf 1999 op het adres [uitkeringsadres] woont, heeft verklaard dat vanaf 2008 tot ongeveer medio 2010 de nader door hem genoemde personen op het uitkeringsadres hebben verbleven, dat kort daarna L op het uitkeringsadres is komen wonen, dat L daar ongeveer een jaar heeft gewoond en dat nadien zo nu en dan een jongen genaamd S daar kwam. M heeft appellant in de winter van 2013/2014 gezien toen een gemeenschappelijke schutting omwaaide en appellant en onder andere S de schutting hebben gemaakt. Voor zover hij weet heeft appellant vanaf 2004 nooit op het uitkeringsadres gewoond.

4.5.3.

De Raad ziet evenals de rechtbank geen aanleiding te twijfelen aan de verklaring van M met betrekking tot het verblijf van de door hem nader genoemde personen op het uitkeringsadres tot medio 2011. Zijn verklaring wordt in zoverre ook ondersteund door verklaringen van de door hem nader genoemde personen. Met betrekking tot de periode in geding is de verklaring van M echter onvoldoende concreet en specifiek om de conclusie te rechtvaardigen dat appellant niet woonde op het uitkeringsadres. De verklaring van M dat appellant voor zover hij weet vanaf 2004 nooit op het uitkeringsadres heeft verbleven, bevat geen feiten of omstandigheden die duidelijk maken hoe hij tot deze conclusie over de periode in geding is gekomen en waarop hij zijn wetenschap baseert. Ook zijn verklaring dat na het vertrek van L medio 2011 zo nu en dan een jongen genaamd S op het uitkeringsadres kwam, is onvoldoende concreet en specifiek voor de conclusie dat appellant in de te beoordelen periode niet op het uitkeringsadres woonde.

4.5.4.

Aan de enkele inschrijving van S op het uitkeringsadres in de BRP in de periode van

8 juli 2013 tot 16 mei 2014, komt niet de betekenis toe die het college hieraan toekent. S stond met een zogenoemd briefadres ingeschreven. Deze enkele inschrijving, ook niet in combinatie met de onder 4.5.3 vermelde verklaring van M over de aanwezigheid van S, zegt niets over het verblijf van appellant op het uitkeringsadres. Dit geldt evenzeer voor het niet reageren op post door appellant, zoals door het college is aangevoerd. Daarbij geldt dat voor de stelling van het college dat de bijstand van appellant in augustus 2013 is geblokkeerd door het niet reageren op oproepen, het dossier geen aanknopingspunten biedt. Voorts is aan appellant in oktober 2013 een boete opgelegd niet voor het niet inleveren van de gevraagde statusformulieren, maar voor het te laat inleveren hiervan. De enkele omstandigheid dat post voor appellant in juli 2012 retour is ontvangen, is onvoldoende om hieraan de door het college gewenste betekenis toe te kennen.

4.6.

Uit 4.2 tot en met 4.5.4 volgt dat, ook in samenhang bezien, geen voldoende feitelijke grondslag bestaat voor de intrekking over de periode van 14 oktober 2011 tot en met

26 oktober 2013. Dit betekent dat het hoger beroep slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigen, voor zover het betreft de intrekking van de bijstand van appellant over de periode van 14 oktober 2011 tot en met 26 oktober 2013 en voor zover het de terugvordering betreft.

4.7.

Ter zitting heeft het college te kennen gegeven dat, als het hoger beroep slaagt, het een onderzoek wenst te verrichten of appellant inkomsten in verband met een aan V toegekend persoonsgebonden budget heeft ontvangen. Gelet hierop zal het college worden opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar tegen het besluit van 15 april 2015 te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

4.8.

Met het oog op een voortvarende afdoening van het geschil bestaat aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het nieuwe besluit slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld

5. Aanleiding bestaat om het college te veroordelen in de kosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 1.002,- in beroep en € 1.002,- in hoger beroep, in totaal derhalve

€ 2.004,- voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 1 september 2015 gegrond en vernietigt dit besluit,

voor zover het betreft de intrekking over de periode van 14 oktober 2011 tot en met

26 oktober 2013 en de terugvordering;

- draagt het college op om een nieuw besluit op het bezwaar van appellant tegen het besluit

van 15 april 2015 te nemen met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen;

- bepaalt dat tegen het nieuw te nemen besluit op het bezwaar slechts bij de Raad beroep kan

worden ingesteld;

- veroordeelt het college in de kosten van appellant tot een bedrag van € 2.004,-;

- bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van

in totaal € 169,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door W.H. Bel als voorzitter en G.M.G. Hink en M. Schoneveld als leden, in tegenwoordigheid van S.A. de Graaff als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 januari 2018.

(getekend) W.H. Bel

(getekend) S.A. de Graaff

HD