Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:3517

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-11-2018
Datum publicatie
13-11-2018
Zaaknummer
17/5855 AW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Werkzaamheden en re-integratieactiviteiten. Nu het bestuur bij het bestreden besluit niet heeft berekend of appellant meer dan één uur per week heeft besteed aan werkzaamheden en/of re-integratieactiviteiten als bedoeld in artikel 6.2.1, Sectorale Arbeidsvoorwaardenregelingen Waterschapspersoneel, komt dit besluit, waarbij is vastgesteld dat appellant niet langer in staat is om enige uren per week te werken en/of re-integratieactiviteiten te verrichten, wegens strijd met artikel 7:12, Awb voor vernietiging in aanmerking. Arbeidsongeschikt door buitensporige werkomstandigheden. Appellant kan in hoger beroep niet opnieuw aanvoeren dat hij arbeidsongeschikt is in en door de dienst. Weliswaar staat het een partij in beginsel vrij in hoger beroep nieuwe beroepsgronden aan te voeren, maar dat geldt niet voor beroepsgronden die in een eerdere fase van de procedure welbewust zijn prijsgegeven (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2006:AU9486).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2018/538
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Datum uitspraak: 9 november 2018

17/5855 AW, 17/7524 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

13 juli 2017, 17/1161 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het bestuur van de Stichting Waternet (bestuur)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens het bestuur heeft mr. J.H.M. Huizinga, advocaat, een verweerschrift ingediend en voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld.

Beide partijen hebben meermalen hun standpunten toegelicht en hiertoe nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 juli 2018. Appellant is verschenen en het bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Huizinga, A.M. Bolding en M. Dijkstra.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is sinds 1 mei 2009 werkzaam bij de Stichting Waternet in de functie van [naam functie] bij de afdeling [naam afdeling]. Appellant is sinds 10 maart 2014 arbeidsongeschikt.

1.2.

Bij besluit van 14 april 2015 heeft het bestuur appellant per 10 maart 2015 70% van zijn bezoldiging uitbetaald. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 25 februari 2016 ongegrond verklaard.

1.3.

Bij besluit van 14 december 2015 heeft het bestuur appellant per 1 november 2015 80% van zijn bezoldiging uitbetaald, omdat appellant in staat is gedurende één of meer uur per week zijn functie en/of re-integratieactiviteiten te verrichten.

1.4.

Bij besluit van 12 juli 2016 heeft het bestuur appellant per 1 januari 2016 90% van zijn bezoldiging uitbetaald, omdat appellant vanaf die datum twaalf tot zestien uur per week

re-integratieactiviteiten verricht.

1.5.

Per 3 augustus 2016 heeft appellant zich opnieuw volledig ziek gemeld. Bij besluit van 13 september 2016 heeft het bestuur vastgesteld dat appellant per 3 augustus 2016 niet langer in staat is om enige uren per week te werken en/of re-integratieactiviteiten te verrichten. Bij hetzelfde besluit heeft het bestuur bepaald dat de bezoldiging van appellant per 3 augustus 2016 wordt uitbetaald tot 70%. Bij besluit van 16 januari 2017 (bestreden besluit) heeft het bestuur het tegen het besluit van 13 september 2016 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat zijn bezoldiging vanaf 3 augustus 2016 op grond van artikel 6.2.1, tweede lid, van de Sectorale Arbeidsvoorwaardenregelingen Waterschapspersoneel (SAW) volledig had moeten worden uitbetaald omdat de ziekmelding is veroorzaakt door buitensporige werkomstandigheden, met name de wijze van optreden van leidinggevende(n), de casemanager en de bedrijfsartsen. Subsidiair heeft appellant aangevoerd dat zijn bezoldiging met ingang van 3 augustus 2016 op grond van artikel 6.2.1, eerste lid, onder b van de SAW 80% had moeten bedragen omdat de door hem in de periode van

3 augustus 2016 tot en met 12 september 2016 gedurende één tot twaalf uur verrichte activiteiten als re-integratieactiviteiten moeten worden aangemerkt. Er is sprake van een motiveringsgebrek, nu deze activiteiten bij het bestreden besluit niet afzonderlijk zijn beoordeeld.

4. Het bestuur heeft voorwaardelijk incidenteel beroep ingesteld op de grond dat in beroep ten onrechte gronden zijn beoordeeld die niet in bezwaar waren aangevoerd. Het bestuur heeft hierdoor de herbeoordeling in bezwaar niet goed kunnen uitvoeren.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Hoger beroep

5.1.1.

Op grond van artikel 6.2.1, eerste lid, onder b, van de SAW heeft de ambtenaar die wegens ziekte of arbeidsongeschiktheid verhinderd is zijn functie te vervullen na het eerste ziektejaar aanspraak op:

- 70% van de bezoldiging vermeerderd met het IKB-collectief, indien en voor zolang hij geen werkzaamheden en/of re-integratieactiviteiten verricht;

- 80% van de bezoldiging vermeerderd met het individuele keuzebudget, indien en voor zolang hij één tot en met twaalf uur per week werkzaamheden en/of re-integratieactiviteiten verricht;

- 90% van de bezoldiging vermeerderd met het individuele keuzebudget, indien en voor zolang hij meer dan twaalf maar minder dan zesentwintig uur per week werkzaamheden en/of re-integratieactiviteiten verricht;

- 100% van de bezoldiging vermeerderd met het individuele keuzebudget, indien en voor zolang hij zesentwintig of meer uur per week werkzaamheden en/of re-integratieactiviteiten verricht.

5.1.2.

Volgens de toelichting bij deze bepaling moet onder re-integratieactiviteiten worden verstaan “activiteiten die verricht worden om terug te keren in het arbeidsproces en die passen in de afspraken die op grond van het re-integratieplan in het kader van de Wet verbetering poortwachter worden gemaakt. Hieronder wordt tevens verstaan werkzaamheden in een lagere functie, scholing en arbeidstherapeutisch werken.”.

5.1.3.

Uit artikel 6.2.1, tweede lid, van de SAW volgt dat de ambtenaar die wegens ziekte of arbeidsongeschiktheid verhinderd is zijn functie te vervullen na het eerste ziektejaar aanspraak blijft houden op de volle bezoldiging indien de ziekte op grond waarvan hij ongeschikt is om arbeid te verrichten in overwegende mate zijn oorzaak vindt in de aard van de opgedragen werkzaamheden of in de bijzondere omstandigheden waaronder deze moesten worden verricht en niet aan zijn schuld of nalatigheid is te wijten.

Arbeidsongeschikt door buitensporige werkomstandigheden

5.2.

De toenmalige gemachtigde van appellant heeft ter zitting van de rechtbank expliciet verklaard geen beroep te doen op regelingen voor arbeidsongeschiktheid in en door de dienst. Dit paste ook in wat in bezwaar was aangevoerd, dat alleen betrekking had op de hoogte van de korting van de bezoldiging in verband met re-integratieactiviteiten. Appellant heeft dat in de aanvang van zijn hoger beroepschrift ook erkend, maar aangegeven dat standpunt in te trekken. Weliswaar staat het een partij in beginsel vrij in hoger beroep nieuwe beroepsgronden aan te voeren, maar dat geldt niet voor beroepsgronden die in een eerdere fase van de procedure welbewust zijn prijsgegeven (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2006:AU9486). Dat betekent dat appellant in hoger beroep niet opnieuw kan aanvoeren dat hij arbeidsongeschikt is in en door de dienst. Daarmee komt de Raad niet toe aan een oordeel daarover en over alles wat appellant in dat kader heeft aangevoerd en ziet de Raad evenmin aanleiding om een deskundige in te schakelen in dit kader.

5.3.

Appellant heeft tevens gesteld dat het bestuur zich geen goed werkgever heeft getoond tijdens de ziekteperiode, met name door de wijze van begeleiding door de bedrijfsartsen en de wijze waarop met privacygevoelige gegevens is omgegaan. Op grond hiervan zou zijn bezoldiging slechts tot 90% mogen worden gekort. Dit valt echter niet onder het bereik van artikel 6.2.1 van de SAW en valt daarmee buiten de grenzen van dit geding.

Werkzaamheden en re-integratieactiviteiten

5.4.

Appellant heeft gesteld dat zijn contacten met en bezoeken aan de bedrijfsartsen, verzuimbegeleiders, de casemanager en de arbeidsdeskundige, het becommentariëren van stukken betreffende zijn verzuim en, ten slotte, het bijhouden van al deze (en andere op zijn verzuim en re-integratie betrekking hebbende) activiteiten in weekstaten werkzaamheden, dan wel re-integratieactiviteiten als bedoeld in art. 6.2.1, eerste lid van de SAW zijn. Het bestuur heeft aangevoerd dat deze activiteiten hier niet onder vallen, gelet ook op de toelichting op deze bepaling. Het moet volgens het bestuur gaan om activiteiten die appellant bij wijze van re-integratie uitvoert en niet om activiteiten of inspanningen die zien op herstel en voorbereidend zijn voor de re-integratie.

5.5.

De Raad volgt het bestuur in het standpunt dat het becommentariëren van stukken door appellant geen werkzaamheden of activiteiten zijn in de zin van artikel 6.2.1, eerste lid, van de SAW. Het invullen van weekstaten betreft echter wel werkzaamheden als bedoeld in dit artikellid, nu dit een taak is die alle werknemers van Waternet moeten uitvoeren. Gezien ook de onder 5.1.2 weergegeven toelichting, moeten verder bezoeken aan en contacten met bedrijfsartsen, de verzuimbegeleider en de casemanager, voor zover deze passen in de afspraken die op grond van het re-integratieplan in het kader van de Wet verbetering poortwachter worden gemaakt, worden aangemerkt als re-integratieactiviteiten als bedoeld in artikel 6.2.1.

5.6.

Nu het bestuur bij het bestreden besluit niet op grond van de onder 5.5 genoemde uitgangspunten heeft berekend of appellant in de periode vanaf 3 augustus 2016 meer dan één uur per week heeft besteed aan werkzaamheden en/of re-integratieactiviteiten als bedoeld in artikel 6.2.1, komt dit besluit wegens strijd met artikel 7:12 van de

Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor vernietiging in aanmerking.

5.7.

Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Het bestuur zal worden opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. De Raad zal verder met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb bepalen dat een eventueel beroep tegen de nieuwe beslissing slechts bij de Raad kan worden ingesteld.

Incidenteel hoger beroep

6. Gezien hetgeen onder 5.2 is overwogen, behoeft het incidenteel hoger beroep geen bespreking meer.

7. Er is aanleiding het bestuur te veroordelen in de kosten van appellant. De kosten van verleende rechtsbijstand in bezwaar en beroep worden begroot op € 1.503,-. Verder komt appellant in aanmerking voor vergoeding van door hem gemaakte reiskosten voor de zittingen in beroep en in hoger beroep.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 16 januari 2017;

  • -

    draagt het bestuur op een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen met inachtneming van de aanwijzingen in deze uitspraak en bepaalt dat slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld tegen de nieuwe beslissing op bezwaar;

  • -

    veroordeelt het bestuur in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.503,-;

  • -

    bepaalt dat het bestuur aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 418,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en J.J.T. van den Corput en

J.Th. Wolleswinkel als leden, in tegenwoordigheid van F. Dinleyici als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 november 2018.

(getekend) A. Beuker-Tilstra

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

IJ