Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:3513

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-10-2018
Datum publicatie
12-11-2018
Zaaknummer
17/3554 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inkomen in mindering gebracht op bijstand. Niet meer vakantietoeslag op bijstand in mindering gebracht dan appellante feitelijk heeft ontvangen. Bruto reiskostenvergoeding betreft geen uitzondering op het middelenbegrip.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2018/531
NJB 2018/2171
JWWB 2018/306
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 3554 PW

Datum uitspraak: 30 oktober 2018

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van

24 april 2017, 17/15 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Cuijk (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. C.J. Driessen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 augustus 2018. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Driessen en [A]. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door S. Petronilia, A.E. Castricum en J.A.C. Hendriks.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving ten tijde in geding bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder en had daarnaast inkomsten uit dienstbetrekking in het kader van de Wet Sociale Werkvoorziening (WSW).

1.2.

Bij besluit van 9 september 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van

14 december 2016 (bestreden besluit), heeft het college onder meer de bijstand van appellante over het jaar 2013 herzien en de gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 1.369,95 teruggevorderd. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd, voor zover van belang, dat het inkomen uit dienstbetrekking van appellante in mindering moet worden gebracht op de bijstand. Bij de vaststelling van het inkomen van appellante heeft het college de aanspraak van appellante op vakantietoeslag over haar inkomen in aanmerking genomen. Voorts heeft het college de door de werkgever aan appellante verstrekte vergoeding, op de salarisspecificatie aangeduid als “vergoeding reiskosten”, als inkomen in aanmerking genomen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat er geen aanleiding is om te oordelen dat het college de korting van het vakantiegeld onjuist heeft berekend en dat het college de maandelijkse reiskostenvergoeding terecht in mindering heeft gebracht op de bijstandsuitkering.

3. In hoger beroep heeft appellante zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In geschil is enkel de herziening van de bijstand over het jaar 2013 en de daaruit voortvloeiende terugvordering. Met betrekking tot het in aanmerking te nemen inkomen zijn de bepalingen in of krachtens de WWB van toepassing zoals deze in 2013 golden.

4.2.

Appellante heeft aangevoerd dat het college bij de vaststelling van het inkomen uit dienstbetrekking ten onrechte is uitgegaan van een rekenpercentage van 8% bij de vakantietoeslag, terwijl appellante bij de bijstand slechts 5% vakantietoeslag ontvangt. Voorts brengt het college de vakantietoeslag maandelijks in mindering op de bijstand, terwijl het vakantiegeld feitelijk in mei wordt uitgekeerd. Hierdoor zijn de maandelijkse inkomsten lager dan bij een persoon met alleen bijstand.

4.2.1.

De vakantietoeslag is loon dat op een later tijdstip wordt uitbetaald en deze middelen worden ingevolge artikel 32, tweede lid, van de WWB in aanmerking genomen naar de periode waarin deze zijn verworven. In artikel 31, zesde lid, van de WWB is bepaald dat bij ministeriële regeling regels worden gesteld met betrekking tot het in aanmerking nemen van de aanspraak op vakantietoeslag over een inkomen. Niet in geschil is dat het college de aanspraak op vakantietoeslag heeft vastgesteld in overeenstemming met het bepaalde in de Regeling WWB, IOAW en IOAZ (Regeling), zijnde de hiervoor bedoelde ministeriële regeling zoals die in 2013 gold. Anders dan appellante heeft aangevoerd wordt hierbij niet uitgegaan van een rekenpercentage van 8%, maar wordt overeenkomstig de tabel van artikel 11 van de Regeling uitgegaan van 6,61% maal het inkomen, verminderd met een bedrag van € 5,60. Dat de maandelijkse inkomsten bij appellante vanwege de in aanmerking te nemen vakantietoeslag lager zijn dan bij een persoon met alleen bijstand volgt uit de toepassing van de Regeling. Omdat de WWB voorzag in een netto inkomensverrekening en in de bijstandsnorm de vakantietoeslag is begrepen moet, voor een juiste verrekening van het in aanmerking te nemen inkomen, naast het netto-inkomen ook de netto vakantietoeslag zijn inbegrepen (zie de toelichting op de Regeling, Staatscourant 22 oktober 2003, nr. 204, p. 4).

De Regeling bevat regels omtrent de in aanmerking te nemen aanspraak op vakantietoeslag over een inkomen. De aanspraak op vakantietoeslag die over een inkomen bestaat, wordt blijkens de Regeling niet vastgesteld op het te zijner tijd feitelijk uit te betalen bedrag, maar wordt op grond van het maandinkomen forfaitair vastgesteld, vanwege aanmerkelijke administratieve belasting en verrekenings- en terugvorderingsproblemen (zie toelichting op de Regeling, p. 4). Uitgangspunt bij de opstelling van deze rekenregels is geweest dat ten aanzien van de bruto-aanspraak op vakantiegeld wordt uitgegaan van 8 procent van het bruto-inkomen en het forfaitair vast te stellen netto vakantiegeld slechts binnen een beperkte marge mag afwijken van het feitelijk door de belanghebbende te ontvangen bedrag (toelichting op de Regeling, p. 5). In de door appellante bij de brief van 14 augustus 2018 gevoegde benadelingsberekening staat dat het college € 487,20 aan vakantietoeslag in mindering heeft gebracht op de bijstand, wat minder is dan het door de werkgever uitbetaalde bedrag aan vakantietoeslag van € 523,40. Hieruit volgt dat het college, anders dan appellante heeft aangevoerd, niet méér vakantietoeslag heeft gekort dan zij daadwerkelijk heeft ontvangen.

4.2.2.

De beroepsgrond dat de vakantietoeslag alleen in mei, de maand dat de vakantietoeslag daadwerkelijk wordt uitbetaald, in mindering mag worden gebracht op de bijstand slaagt niet.

In artikel 45, eerste lid, eerste volzin, van de WWB is bepaald dat de algemene bijstand per kalendermaand wordt vastgesteld en betaald. Uit artikel 32, tweede lid, van de WWB en de Regeling volgt dat daarbij de aanspraak op vakantietoeslag over het inkomen in aanmerking wordt genomen. De door appellante voorgestane wijze van korting van de vakantietoeslag zou er voorts toe leiden dat, teneinde de ontvangen vakantietoeslag op de bijstand in mindering te kunnen brengen, over meerdere maanden geen recht op aanvullende bijstand zou bestaan. De door appellante aangevoerde grond slaagt derhalve niet.

4.3.

Appellante heeft verder aangevoerd dat de door haar ontvangen reiskostenvergoeding

per maand in alle redelijkheid niet op haar bijstand gekort mag worden, aangezien het een vergoeding voor daadwerkelijk gemaakte kosten betreft.

4.3.1.

Ingevolge artikel 31, tweede lid, aanhef en onder g, van de WWB, zoals deze bepaling luidde sinds de invoering van de Fiscale Vereenvoudigingswet 2010 (Stb. 2009, 611) per

1 januari 2011, worden, voor zover van belang, vergoedingen en verstrekkingen als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964 niet tot de middelen van de belanghebbende gerekend, tenzij voor deze vergoedingen en verstrekkingen bijstand wordt verleend.

4.3.2.

Ingevolge artikel 31, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wet op de loonbelasting 1964 is sinds 1 januari 2011 bepaald dat als eindheffingsbestanddeel wordt aangemerkt de door de inhoudingsplichtige aan te wijzen vergoedingen en verstrekkingen, daaronder begrepen door de inhoudingsplichtige aan te wijzen gedeelten van vergoedingen en verstrekkingen, voor zover deze vergoedingen en verstrekkingen niet in belangrijke mate hoger zijn dan in voor het overige overeenkomstige omstandigheden gebruikelijk is.

4.3.3.

Ingevolge artikel 27a, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 wordt in afwijking in zoverre van het overigens bij of krachtens deze wet bepaalde de belasting over de in artikel 31 bedoelde eindheffingsbestanddelen geheven van de inhoudingsplichtige.

4.3.4.

Uit de e-mail van de salarisadministratie van de werkgever van appellante van

24 april 2015 blijkt dat de aan appellante verstrekte vergoeding niet een netto reiskostenvergoeding is, maar een bruto reiskostenvergoeding, zijnde een vergoeding waar iedere medewerker volgens de CAO recht op heeft. Uit de salarisspecificatie blijkt dat dit een met loonheffing belaste vergoeding is. Dat het een met loonheffing belaste vergoeding betreft, betekent dat de reiskostenvergoeding van appellante niet een eindheffingsbestanddeel als bedoeld in artikel 31, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wet op de loonbelasting 1964 is. De vergoeding kan daarom niet ingevolge artikel 31, tweede lid, aanhef en onder g, van

de WWB van het middelenbegrip worden uitgezonderd. De beroepsgrond van appellante dat de vergoeding niet op haar bijstand mag worden gekort treft daarom geen doel.

4.4.

Uit 4.1 tot en met 4.3.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moeten worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham, in tegenwoordigheid van A.M. Pasmans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 oktober 2018.

(getekend) A.B.J. van der Ham

(getekend) A.M. Pasmans

LO