Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:3509

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-11-2018
Datum publicatie
13-11-2018
Zaaknummer
17-7981 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek om heroverweging van het ontslagbesluit terecht afgewezen. Geen sprake van nieuwe feiten of omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 7981 AW

Datum uitspraak: 8 november 2018

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

26 oktober 2017, 17/2214 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 oktober 2018. Appellant is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. O.M. Langemeijer.

OVERWEGINGEN

1.1.

Bij besluit van 21 mei 2009 heeft het college appellant met ingang van 1 juni 2009 voor de duur van een jaar aangesteld in de functie van [functie] bij het [Bureau] van de [Dienst] ([Dienst]). Bij besluit van 15 juni 2010, gewijzigd bij besluit van

24 augustus 2010, is de aanstelling verlengd met zeven maanden tot 1 januari 2011.

1.2.

Bij zijn uitspraak van 5 juli 2012 (ECLI:NL:CRVB:2012:BX0524) heeft de Raad geoordeeld dat het aanstellingsbesluit moet worden aangemerkt als een tijdelijke aanstelling bij wijze van proef voor de duur van een jaar en het verlengingsbesluit als een verlengde proeftijdaanstelling. Aangezien ten tijde van die verlengde proeftijdaanstelling nog ruimte was voor twijfel of appellant aan de in redelijkheid te stellen eisen en verwachtingen had voldaan, hield dat besluit - dat impliceerde dat appellant (nog) geen vaste aanstelling kreeg - in rechte stand.

1.3.

Bij besluit van 20 december 2010 (ontslagbesluit) heeft het college aan appellant meegedeeld dat zijn tijdelijke aanstelling niet wordt verlengd en dat deze op 1 januari 2011 van rechtswege afloopt.

1.4.

Bij besluit van 24 mei 2011, voor zover hier van belang, heeft het college het bezwaar tegen het ontslagbesluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft bij uitspraak van

1 mei 2013 het hiertegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

1.5.

Bij zijn uitspraak van 19 maart 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:835) heeft de Raad deze uitspraak bevestigd. Het oordeel van de Raad luidde, kort weergegeven, dat van een vaste aanstelling ook kan worden afgezien indien zich een bijzondere omstandigheid van gewichtige aard voordoet, zoals het treffen van bezuinigingsmaatregelen en een verminderd werkaanbod. Er is in dit geval voldoende aannemelijk gemaakt dat sprake was van een teruggang in het werkaanbod en drastische bezuinigingen op personeelsgebied.

1.6.

Op 18 juli 2012 heeft appellant, onder verwijzing naar de onder 1.2 vermelde uitspraak, het college onder meer verzocht het ontslagbesluit te heroverwegen, dit in te trekken en de aanstelling om te zetten in een vaste aanstelling. Het college heeft dit verzoek bij besluit van

1 augustus 2012 afgewezen. De behandeling van het bezwaarschrift tegen dit besluit en de aanvullende bezwaarschriften is op verzoek van appellant aangehouden.

1.7.

Bij besluit van 8 februari 2017 (bestreden besluit), heeft het college het bezwaar ongegrond verklaard op de grond dat sprake is van een verzoek om terug te komen van een rechtens vaststaand besluit en dat geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van wat partijen in hoger beroep hebben aangevoerd komt de Raad tot de volgende beoordeling.

3.1.

In hoger beroep staat uitsluitend ter beoordeling of de rechtbank kan worden gevolgd in haar oordeel dat het college het verzoek van appellant om heroverweging van het ontslagbesluit terecht heeft afgewezen. Appellant heeft in zijn verzoek en tijdens de procedure over de afwijzing daarvan gedocumenteerde uiteenzettingen gegeven over - kort gezegd - de wijze waarop zijn leidinggevende vanaf zijn indiensttreding bij de gemeente Den Haag met hem is omgegaan en over de uitvoering van het onderzoek naar de klacht die hij in

januari 2012 heeft ingediend over integriteitsschendingen van zijn leidinggevende en van het [Dienst]. Het is echter niet aan de bestuursrechter om over andere kwesties te oordelen dan de besluiten waartegen bezwaar is gemaakt en beroep is ingesteld. De bestuursrechter mag niet buiten het wettelijk toetsingskader van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) treden en moet haar beoordeling beperken tot het bestreden besluit dat voorligt. De omstandigheden die appellant heeft genoemd kunnen alleen een rol spelen voor zover hij daarmee zijn verzoek om herziening heeft willen onderbouwen.

3.2.

De Raad is van oordeel dat het college het verzoek van appellant terecht heeft opgevat en beoordeeld als een verzoek om terug te komen van het ontslagbesluit, dat met de uitspraak van de Raad van 19 maart 2015 in rechte is komen vast te staan. Om die reden heeft het college op dit verzoek niet inhoudelijk, maar met overeenkomstige toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb beslist. Anders dan appellant heeft betoogd, rustte op het college geen verplichting om naar aanleiding van het verzoek om herziening over te gaan tot volledige heroverweging van het ontslagbesluit. Wat appellant heeft gesteld over de voorbereiding en de motivering van het bestreden besluit biedt geen steun voor zijn opvatting dat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en een onderbouwing ontbeert.

3.3.

In de gegeven omstandigheden toetst de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als het bestreden besluit die toets doorstaat, kan de bestuursrechter niettemin aan de hand van de beroepsgronden tot het oordeel komen dat het bestreden besluit evident onredelijk is (uitspraak van 27 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:5115). Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd.

3.4.

Voor zover appellant heeft aangevoerd dat de rechtbank op belangrijke aspecten van de zaak niet is ingegaan, wijst de Raad erop dat de rechter volgens vaste rechtspraak niet op alle aangevoerde gronden hoeft in te gaan, maar zich kan beperken tot de kern van deze gronden.

3.5.

In zijn verzoek om herziening heeft appellant naar voren gebracht dat hij op oneigenlijke gronden is ontslagen. Volgens appellant moeten de omstandigheid dat is nagelaten de integriteit van zijn leidinggevende bespreekbaar te maken, in samenhang met het feit dat de negatieve beoordelingen niet houdbaar bleken en de bij zijn aanstelling gemaakte afspraken zijn erkend, tot heroverweging van zijn ontslagbesluit leiden. Ter zitting van de Raad heeft appellant in aanvulling op zijn verzoek nog enkele omstandigheden genoemd die hij als nieuwe feiten beschouwt, te weten het recent verkregen bewijs dat N na het ontslag van appellant een tijdelijke aanstelling heeft gekregen bij het [Dienst], de erkenning van de status van de zeepkistnotitie van 8 juni 2011, waaruit volgens appellant blijkt dat bij het [Dienst] het beleid gold om - afgezien van natuurlijk verloop en het afvloeien van ingehuurde krachten -niet te bezuinigen op personeel en tot slot een document dat is opgesteld over een melding die appellant in augustus 2010 heeft gedaan en dat bij het college bekend is. Appellant is van mening dat uit het geheel van de door hem aangevoerde omstandigheden blijkt dat het college het ontslagbesluit ten onrechte heeft gebaseerd op een verminderd werkaanbod en een bezuinigingsnoodzaak die noopten tot het niet verlengen van zijn tijdelijke aanstelling.

3.6.

Wat appellant in zijn verzoek en in aanvulling daarop heeft vermeld zijn geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Awb. Al deze

feiten en omstandigheden waren immers ten tijde van (de procedure over) het ontslagbesluit al bekend, dan wel hadden aan appellant bekend kunnen zijn. Dat, zoals appellant heeft gesteld, de zeepkistnotitie in de loop der tijd de status van beleid heeft gekregen, maakt deze notitie niet tot een nieuw feit. Zoals onder 3.1 is vermeld, heeft appellant naast de aangevoerde omstandigheden in de loop van de procedure over de afwijzing van zijn verzoek om herziening uiteenzettingen gegeven over de gebeurtenissen die voorafgingen aan de beëindiging van zijn dienstverband. Daarbij heeft appellant onder meer gesteld dat zijn leidinggevende hem nadeel wilde toebrengen en motieven had om op beëindiging van zijn dienstverband aan te sturen. Wat appellant in dit verband naar voren heeft gebracht levert echter ook geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden op in de zin van

artikel 4:6 van de Awb.

3.7.

Met de rechtbank komt de Raad tot het oordeel dat wat appellant in het kader van zijn verzoek om herziening naar voren heeft gebracht in essentie kwesties betreft die hij in de procedure over het ontslagbesluit al aan de orde had kunnen stellen en deels ook aan de orde heeft gesteld. Daarbij laat de Raad nog buiten beschouwing dat appellant een deel van de door hem als nieuwe feiten bestempelde feiten eerst in (hoger) beroep naar voren heeft gebracht, zodat het college deze niet in de beoordeling van het verzoek heeft kunnen betrekken.

3.8.

De conclusie is dat het college het verzoek van appellant van 18 juli 2012 mocht afwijzen onder verwijzing naar het ontslagbesluit. Wat appellant heeft aangevoerd leidt ook niet tot het oordeel dat het bestreden besluit evident onredelijk is. Dat betekent dat de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit terecht ongegrond heeft verklaard en - nu geen sprake is van onrechtmatige besluiten - het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade terecht heeft afgewezen.

3.9.

Uit 3.4 tot en met 3.8 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

4. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans, in tegenwoordigheid van

L.V. van Donk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op

8 november 2018.

(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans

(getekend) L.V. van Donk

LO