Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:3506

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-10-2018
Datum publicatie
12-11-2018
Zaaknummer
17/6420 WMO15
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2017:6170, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gelet op de aanwezige medische adviezen heeft het college zich bij het bestreden besluit ten onrechte op het standpunt gesteld dat de traplift geen passende bijdrage leverde aan het realiseren van een situatie waarin betrokkene in staat werd gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kon blijven. Dit betekent dat het primaire standpunt van het college geen stand houdt. College heeft geen onderzoek gedaan naar de kosten van een geschikte traplift en ook niet naar de beschikbaarheid van aangepaste of eenvoudig aan te passen woningen en de daaraan verbonden kosten in Gorinchem. Onder deze omstandigheden heeft het college het verhuisprimaat niet aan betrokkene mogen tegenwerpen. Het subsidiaire standpunt van het college houdt daarom ook geen stand. Bestreden besluit kan niet in stand blijven, Raad ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien. Besluit van 29 mei 2015 herroepen en aan appellanten wordt voor de geplaatste traplift een pgb verstrekt ter hoogte van bedrag dat feitelijk voor de traplift is betaald.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2018/357
JWWB 2018/308
RSV 2019/12
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 6420 WMO15

Datum uitspraak: 31 oktober 2018

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 14 augustus 2017, 16/2832 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de erven en/of rechtverkrijgenden van [betrokkene] (betrokkene), laatstelijk gewoond hebbende te [woonplaats] (appellanten)

het college van burgemeester en wethouders van Gorinchem (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. R.A. Severijn, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 juni 2018. Namens appellanten zijn verschenen [naam 1] en [naam 2] , bijgestaan door mr. Severijn. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door J. Arslan en L.C. de Viet.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Betrokkene, geboren in 1939, was ruim dertig jaar bekend met een neurologische aandoening (ziekte van Parkinson), die geleidelijk progressief verliep. Betrokkene bewoonde sinds 1982 met zijn echtgenote een eengezinswoning met een bovenverdieping, eerst als huurder, later als eigenaar.

1.2.

Betrokkene heeft op 27 februari 2015 op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) een aanvraag gedaan voor een maatwerkvoorziening in de vorm van een traplift. Bij besluit van 29 mei 2015 heeft het college deze aanvraag afgewezen, onder verwijzing naar het advies van 24 maart 2015 van medisch adviseur R.A. Breeden. Tegen dit besluit heeft betrokkene bezwaar gemaakt.

1.3.

Midden juli 2015, tijdens de bezwaarfase, heeft betrokkene zelf voor een bedrag van € 7.300,- een traplift laten plaatsen.

1.4.

Bij besluit van 17 maart 2016 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar ongegrond verklaard, onder verwijzing naar het onder 1.2 genoemde medisch advies en het advies van 4 augustus 2015 van ergotherapeut P. Kalkman. Volgens het college zullen de beperkingen van betrokkene toenemen. Daardoor is een traplift niet langdurig geschikt en zullen ook andere woonvoorzieningen nodig worden. Het college ziet verhuizen naar een rolstoeltoe- en doorgankelijke woning als een langdurige oplossing.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Betrokkene is na de aangevallen uitspraak op 29 augustus 2017 overleden.

4. Appellanten hebben zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij hebben aangevoerd dat het college onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat een traplift, rekening houdend met het trage verloop van de ziekte, voor betrokkene niet passend was. Verder hebben appellanten aangevoerd dat het college onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de financiële en sociale aspecten van een verhuizing en dat onvoldoende is onderbouwd dat op korte termijn een geschikte woning beschikbaar zou komen.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1.

Ter zitting heeft het college toegelicht dat het zich bij het bestreden besluit primair op het standpunt heeft gesteld dat de traplift geen passende bijdrage leverde aan het realiseren van een situatie waarin betrokkene in staat werd gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kon blijven. Subsidiair heeft het college het zogenoemde verhuisprimaat aan betrokkene tegengeworpen.

5.2.

De medisch adviseur heeft in zijn advies van 24 maart 2015 gewezen op een mogelijke toename van lichamelijke en cognitieve problemen in de toekomst en de daarmee gepaard gaande risico’s, maar hij heeft niet geconcretiseerd op welke termijn deze toename te verwachten valt en hij heeft de eventuele risico’s ook niet geconcretiseerd. Volgens de medisch adviseur is ergonomisch onderzoek nodig voor selectie van de goedkoopst adequaat compenserende oplossing. Uit het advies van 4 augustus 2015 van de ergotherapeut blijkt dat de aandoening bij betrokkene een traag verloop kent, dat de geplaatste traplift op dat moment een voor betrokkene veilige en adequate voorziening is en dat hij daarvan naar verwachting geruime tijd gebruik kan maken. Gelet op deze adviezen heeft het college zich bij het bestreden besluit ten onrechte op het standpunt gesteld dat de traplift geen passende bijdrage leverde aan het realiseren van een situatie waarin betrokkene in staat werd gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kon blijven. Dit betekent dat het primaire standpunt van het college geen stand houdt.

5.3.

Uit de uitspraak van de Raad van 21 februari 2018 (ECLI:NL:CRVB:2018:702) blijkt dat het zogeheten verhuisprimaat als zodanig niet in strijd is met de Wmo 2015. Dit laat onverlet dat steeds de vraag moet worden beantwoord of met de toepassing van dit primaat in een concreet geval een passende bijdrage als bedoeld in artikel 2.3.5, derde lid, van de Wmo 2015 wordt geleverd. Die vraag kan slechts worden beantwoord op grond van een onderzoek naar de beperkingen van de betrokkene en alle andere voor die beoordeling relevante feiten en omstandigheden, waaronder de kosten van de aanpassing van de eigen woning en de daadwerkelijke beschikbaarheid van aangepaste of eenvoudig aan te passen andere woonruimten voor betrokkene.

5.4.

Ter zitting heeft het college bevestigd dat het geen onderzoek heeft gedaan naar de kosten van een voor betrokkene geschikte traplift. Ook is ten tijde van belang geen onderzoek gedaan naar de beschikbaarheid van aangepaste of eenvoudig aan te passen woningen en de daaraan verbonden kosten. Uit de door het college in de beroepsfase gedane mededelingen over het aantal rolstoeltoe- en doorgankelijke woningen in Gorinchem en de gemiddelde wachttijd voor een dergelijke woning, blijkt onvoldoende de daadwerkelijke beschikbaarheid van een geschikte of geschikt te maken woning voor betrokkene. Dat betrokkene niet wilde verhuizen, ontslaat het college niet van zijn onderzoeksverplichting naar geschikte of geschikt te maken woonruimte ter motivering van zijn standpunt dat verhuizing naar een andere woning een passende bijdrage levert aan diens zelfredzaamheid en participatie. Onder deze omstandigheden heeft het college het verhuisprimaat niet aan betrokkene mogen tegenwerpen. Het subsidiaire standpunt van het college houdt daarom ook geen stand.

5.5.

Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven wegens strijd met artikel 2.3.5, derde lid, van de Wmo 2015 en de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. Uit een oogpunt van definitieve geschilbeslechting en nu betrokkene inmiddels is overleden, ziet de Raad aanleiding zelf in de zaak te voorzien als bedoeld in artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb. De Raad zal het besluit van 29 mei 2015 herroepen en aan appellanten voor de geplaatste traplift een persoonsgebonden budget (pgb) verstrekken, waarbij voor de hoogte van het pgb in dit geval zal worden aangesloten bij het bedrag dat feitelijk voor de traplift is betaald, te weten € 7.300,-. Ter voorlichting van appellanten merkt de Raad, onder verwijzing naar zijn uitspraak van 25 oktober 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3358, op dat het aan het college is om te boordelen of over dit pgb een bijdrage is verschuldigd.

6. Aanleiding bestaat om het college te veroordelen in de proceskosten van appellanten. Deze kosten worden begroot op € 1.002,- in bezwaar, op € 1.002,- in beroep en op € 1.002,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 17 maart 2016;

  • -

    herroept het besluit van 29 mei 2015;

  • -

    verstrekt als maatwerkvoorziening een traplift in de vorm van een pgb van € 7.300,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 17 maart 2016;

  • -

    veroordeelt het college in de proceskosten van appellanten tot een bedrag van € 3.006,-;

  • -

    bepaalt dat het college aan appellanten het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 170,- vergoedt

Deze uitspraak is gedaan door A.J. Schaap als voorzitter en L.M. Tobé en N.R. Docter als leden, in tegenwoordigheid van G.D. Alting Siberg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 oktober 2018.

(getekend) A.J. Schaap

(getekend) G.D. Alting Siberg

NW