Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:3505

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-11-2018
Datum publicatie
09-11-2018
Zaaknummer
18/669 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Schadevergoedingsuitspraak
Inhoudsindicatie

Hoogte van de schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn. Aanleiding bestaat om het Uwv en de Staat elk voor de helft te veroordelen in de proceskosten van appellante voor verleende rechtsbijstand ten aanzien van het verzoek om schadevergoeding wegens schending van de redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 669 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie en Veiligheid) (Staat)

Datum uitspraak: 1 november 2018

PROCESVERLOOP

Bij uitspraak van 15 september 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3191, heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 19 augustus 2014, 14/553, vernietigd en met toepassing van artikel 8:113, tweede lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald dat tegen het door het Uwv nieuw te nemen besluit slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.

Bij besluit van 15 december 2017 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante gegrond verklaard en schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) toegekend.

Namens appellante heeft mr. E.S. Lassche, advocaat, beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Op verzoek van de Raad heeft het Uwv een nader stuk ingediend.

Naar aanleiding van het verzoek van appellante om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn door de bestuursrechter, heeft de Raad de Staat als partij aangemerkt.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 oktober 2018. Partijen zijn daarbij, na kennisgeving, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Voor een uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de uitspraak van 15 september 2017. Volstaan wordt met het volgende.

1.2.

Het Uwv heeft ter uitvoering van de uitspraak van 15 september 2017 het thans bestreden besluit genomen. Bij dat besluit is aan appellante met ingang van 29 juni 2010 een IVA‑uitkering toegekend. Verder is daarbij aan appellante een schadevergoeding van € 500,- toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn in bezwaar.

2. Appellante heeft bij de Raad verzocht om aanvullende schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn door de bestuursrechter.

3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

3.1.

In dit geding is uitsluitend de vraag aan de orde op welk bedrag aan schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, appellante recht heeft.

3.2.

Of de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, is overschreden moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens volgt dat daarbij van belang zijn de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van betrokkene gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van betrokkene.

3.3.

De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009). De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen een langere behandelingsduur rechtvaardigen. Verder heeft de Raad in die uitspraak overwogen dat in beginsel een vergoeding gepast is van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn is overschreden.

3.4.

In een geval als dit, waarin een vernietiging van een beslissing op bezwaar, met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb, leidt tot het opnieuw instellen van beroep, wordt de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel volledig aan het bestuursorgaan toegerekend. Indien echter in de loop van de hele procedure een of meer keren sprake is (geweest) van een langere behandelingsduur bij een rechterlijke instantie dan gerechtvaardigd, dan komt de periode waarmee die rechterlijke instantie de behandelingsduur heeft overschreden, niet voor rekening van het bestuursorgaan maar van de Staat.

3.5.

In het geval van appellante zijn vanaf de ontvangst door het Uwv op 15 mei 2013 van het bezwaarschrift tot de datum van de uitspraak van de Raad van 15 september 2017 vier jaar en vier maanden verstreken. Daarbij moet worden opgeteld een periode van drie maanden tot aan het besluit van 15 december 2017. Bij dat besluit is de redelijke termijn geëindigd, nu daarbij het materiële geschil over de WIA-uitkering van appellante is opgelost. Dit betekent dat in totaal vier jaar en zeven maanden zijn verstreken. Noch in de zaak zelf, noch in de opstelling van appellante zijn aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaren zou mogen bedragen. De redelijke termijn is dus met ruim zeven maanden overschreden. Dit leidt tot een schadevergoeding van in totaal € 1.000,-.

3.6.

De behandeling in de rechterlijke fase heeft vanaf de ontvangst door de rechtbank op 21 januari 2014 van het beroepschrift tot de uitspraak op 15 september 2017 van de Raad in totaal 3 jaar en acht maanden geduurd. De overschrijding van de redelijke termijn bij de bestuursrechter is twee maanden. De overschrijding van de redelijke termijn is dus zowel aan het Uwv als aan de bestuursrechter toe te rekenen. Voor de berekening van het bedrag aan schadevergoeding dat voor rekening komt van het Uwv onderscheidenlijk van de Staat wordt de methode gevolgd die is uiteengezet in het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016 (ECLI:NL:HR:2016:252). Het Uwv wordt veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan appellante tot een bedrag van € 714,- (5/7 deel van € 1.000,-). In aanmerking genomen dat het Uwv aan appellante al een schadevergoeding van € 500,- heeft toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn, resteert een bedrag van € 214,-. De Staat wordt veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan appellante tot een bedrag van € 286,- (2/7 deel van € 1.000,-).

3.7.

Aanleiding bestaat om het Uwv en de Staat elk voor de helft te veroordelen in de proceskosten van appellante voor verleende rechtsbijstand ten aanzien van het verzoek om schadevergoeding wegens schending van de redelijke termijn. Deze kosten worden begroot op een bedrag van € 250,50 (1 punt voor het indienen van het verzoek om schadevergoeding met een waarde per punt van € 501,- en met een wegingsfactor van 0,5).

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    veroordeelt het Uwv tot betaling aan appellante van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 214,-;

  • -

    veroordeelt de Staat tot betaling aan appellante van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 286,-;

  • -

    veroordeelt het Uwv in de helft van de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 125,25;

  • -

    veroordeelt de Staat in de helft van de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 125,25;

  • -

    bepaalt dat het Uwv aan appellante de helft van het betaalde griffierecht van € 23,- vergoedt.

  • -

    bepaalt dat de Staat aan appellante de helft van het betaalde griffierecht van € 23,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum, in tegenwoordigheid van H. Achtot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 november 2018.

(getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum

(getekend) H. Achtot

RB