Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:3491

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-11-2018
Datum publicatie
08-11-2018
Zaaknummer
15/6558 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het deskundigenrapport geeft blijkt van een zorgvuldig onderzoek en is inzichtelijk en consistent. De bevindingen van de deskundige worden dan ook gevolgd. De deskundige heeft zich niet expliciet uitgelaten of appellant op 24 oktober 2014 in staat was zijn werkzaamheden te verrichten. Toetsend aan het in deze geldende criterium moet, gelet op de formulering van de deskundige, geconcludeerd worden dat daarvan op de datum in geding geen sprake was. Het Uwv heeft ten onrechte geoordeeld dat appellant per 24 oktober 2014 geen recht meer had op uitkering ingevolge de ZW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15 6558 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van

20 augustus 2015, 15/34 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 7 november 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.T.G. Huisman hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere medische stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 juni 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Huisman. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. W.J.M.H. Lagerwaard.

Na de behandeling ter zitting is het onderzoek heropend. De Raad heeft aanleiding gezien om psychiater prof. dr. J.J. van Os te benoemen als deskundige. De deskundige heeft op

22 mei 2017 een rapport uitgebracht.

Partijen hebben op dit rapport gereageerd. Appellant heeft gereageerd op de reactie van het Uwv.

Appellant heeft nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting is voortgezet is op 18 december 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. M. Sieben. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

A.H.G. Boelen.

Vervolgens is het onderzoek wederom heropend. Op 13 april 2014 heeft de deskundige een nadere vraagstelling van de Raad beantwoord.

Appellant heeft een groot aantal nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting is voortgezet op 15 augustus 2018. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.H.G. Boelen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant, die laatstelijk werkzaam was als schoonmaker (8-10 uur per week) en medewerker bakkerij (ongeveer 20 uur per week), heeft zich op 16 december 2013, vanuit een situatie dat hij uitkering ontving op grond van de Werkloosheidswet, ziek gemeld. Ter zake van die ziekmelding is hem een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) verstrekt. Op

23 oktober 2014 heeft appellant het spreekuur van een verzekeringsarts bezocht. Deze arts heeft appellant per 24 oktober 2014 weer in staat geacht zijn werkzaamheden te verrichten. Bij besluit van 23 oktober 2014 heeft het Uwv vastgesteld dat appellant vanaf

24 oktober 2014 geen recht meer heeft op uitkering op grond van de ZW.

1.2.

Bij besluit van 26 november 2014 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 23 oktober 2014 ongegrond verklaard. Aan dat besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 24 november 2014 ten grondslag.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen. Er zijn geen objectiveerbare medische gegevens over de psychische gezondheidstoestand van appellant. Dit is mede het gevolg van het door appellant – in overleg met zijn behandelaar – genomen besluit om geen inhoudelijke informatie te verstrekken. Deze omstandigheid ligt in de risicosfeer van appellant. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft zijn conclusies voldoende onderbouwd, uitgaande van zijn eigen onderzoek en de gedingstukken.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak – kort weergegeven – aangevoerd dat hij ten tijde van de datum in geding leed aan een Posttraumatische stressstoornis, waarvoor hij zeer langdurig door het RIAGG is behandeld, onder meer met EMDR-therapie. De psychische problemen hebben ook invloed gehad op zijn fysieke gesteldheid. Er is ook sprake van chronische buikpijn en migraine.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. De omstandigheid dat er een diagnose is gesteld en er nog gestart moet worden met een behandeling staat niet aan werken in de weg.

4.1.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.2.

Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder ”zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. Volgens artikel 19, vijfde lid, van de ZW wordt voor een verzekerde die geen werkgever heeft onder ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid verstaan: ongeschiktheid tot het verrichten van werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend zijn voor zijn arbeid.

4.3.

De deskundige heeft in zijn rapport van 22 mei 2017 de diagnose ”narcistische persoonlijkheidsstoornis” gesteld. Deze diagnose wordt door de deskundige met hoge mate van zekerheid gesteld. Daarbij is verwezen naar de standpunten van de behandelaars van appellant. Klinisch psycholoog V.M.J. Dings komt in zijn rapport van 24 juli 2015 tot dezelfde diagnose. Psychiater R. Rongen concludeert in haar rapport van 9 mei 2014 dat er sprake is van narcistische krenkbaarheid, en dat er differentiaal-diagnostisch wordt gedacht aan narcisme. De deskundige acht appellant sterk beperkt op de aspecten samenwerken en omgaan met conflicten. Ook is er een autoriteitsprobleem. Appellant is aangewezen op werk waarin geen tot zeer weinig complex direct contact met een leidinggevende vereist is. Appellant kan principieel op zijn strepen gaan staan, gaat een daarop volgend conflict met leidinggevenden niet uit de weg, met een onhoudbare werksituatie tot gevolg. De deskundige acht zich formeel niet gekwalificeerd om een oordeel te vellen over de mogelijkheden tot het verrichten van specifieke werkzaamheden. Voor zover de werkzaamheden van appellant voldoen aan het criterium van zelfstandig en solitair werken, wat in ieder geval partieel het geval lijkt bij de maatgevende arbeid, kon appellant deze werkzaamheden verrichten. Desgevraagd heeft de deskundige bij brief van 13 april 2018 zijn standpunt gehandhaafd niet gekwalificeerd te zijn om een oordeel te vellen over de mate van mogelijkheden tot verrichten van specifieke werkzaamheden.

4.4.

Als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde deskundige kan volgen, indien de door deze deskundige gebezigde motivering hem overtuigend voorkomt. Deze situatie doet zich hier voor. Het deskundigenrapport geeft blijkt van een zorgvuldig onderzoek en is inzichtelijk en consistent. De deskundige heeft appellant onderzocht, kennis genomen van de beschikbare medische informatie, waaronder die van de behandelaars van appellant, een heteroanamnese afgenomen, en zijn bevindingen uitgebreid gemotiveerd en onderbouwd. De bevindingen van de deskundige worden dan ook gevolgd.

4.5.

Ten aanzien van de vraag of appellant op 24 oktober 2014 in staat was zijn werkzaamheden te verrichten heeft de deskundige zich niet expliciet uitgelaten. Hij stelt dat, voor zover de werkzaamheden voldoen aan het criterium van zelfstandig en solitair werken, hetgeen in geval partieel het geval lijkt, appellant zijn werkzaamheden kon verrichten. Toetsend aan het in deze geldende criterium, namelijk of appellant op de in geding zijnde datum volledig in staat was zijn werkzaamheden te verrichten, moet, gelet op deze formulering van de deskundige, geconcludeerd worden dat daarvan op de datum in geding geen sprake was.

4.6.

Wat in 4.2 tot en met 4.5 is overwogen leidt tot het oordeel dat het Uwv ten onrechte heeft geoordeeld dat appellant per 24 oktober 2014 geen recht meer had op uitkering ingevolge de ZW.

5. Het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak en het bestreden besluit dienen te worden vernietigd.

6. Er is aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 1.735,50 voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep en € 47,80 aan reiskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt het besluit van 26 november 2014;

- herroept het besluit van 23 oktober 2014;

- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.783,30;

- bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van

in totaal € 168,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door E.W. Akkerman, in tegenwoordigheid van Y. Azirar als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 november 2018.

(getekend) E.W. Akkerman

(getekend) Y. Azirar

GdJ