Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:3488

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-11-2018
Datum publicatie
08-11-2018
Zaaknummer
16/5208 WAJONG
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wajong-uitkering terecht geweigerd. De verzekeringsarts heeft inzichtelijk en toereikend gemotiveerd dat bij appellante ondanks de aanwezige beperkingen geen sprake is van het blijvend ontbreken van mogelijkheden tot arbeidsparticipatie. Bij het bestreden besluit terecht is vastgesteld dat appellante niet in aanmerking komt voor arbeidsondersteuning op de grond dat zij niet voldoet aan de voorwaarde dat zij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 5208 WAJONG

Datum uitspraak: 7 november 2018

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

15 juli 2016, 15/8496 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. drs. P.R.L.V.M. Kruik, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 september 2018. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. drs. Kruik. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. de Rooy-Bal.

OVERWEGINGEN

1. Appellante, geboren [in] 1991, heeft een aanvraag op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wajong 2010) ingediend die het Uwv op

3 oktober 2014 heeft ontvangen. In verband met deze aanvraag heeft zij op 4 november 2014 het spreekuur van een verzekeringsarts bezocht. Bij besluit van 5 december 2014 heeft het Uwv vastgesteld dat appellante geen recht heeft op een Wajong-uitkering. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 20 oktober 2015 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 12 oktober 2015 en van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 14 oktober 2015 ten grondslag.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep zorgvuldig tot stand is gekomen en er geen aanleiding is om te twijfelen aan de juistheid van zijn onderzoeksbevindingen en de daaruit getrokken conclusies. Zij heeft geoordeeld dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep inzichtelijk en genoegzaam heeft gemotiveerd dat van het blijvend ontbreken van participatiemogelijkheden in de zin van de Wajong 2010 geen sprake is. Ook uit de in beroep overgelegde brief van 29 december 2015 van psychiater P. Terwindt is dit naar het oordeel van de rechtbank niet af te leiden. Appellante heeft namelijk nooit eerder een op autisme gerichte behandeling ondergaan en het succes daarvan is vanwege de complexe problematiek niet te voorspellen.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat zij blijvend geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft. Ter ondersteuning van dit standpunt heeft appellante een rapport van 10 oktober 2017 van psychiater M. Kazemier, een brief van 26 januari 2018 van Parnassia en een brief van 27 februari 2018 van de afdeling Participatie van de Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid van de gemeente Den Haag overgelegd. Appellante heeft gesteld dat zij haar hele leven al ziek is, nooit heeft kunnen werken of studeren en dat zij in haar leven ook geen ontwikkeling doormaakt. Zij heeft gesteld dat het Uwv haar nooit deugdelijk heeft onderzocht en de Raad verzocht om een onafhankelijke deskundige te benoemen. Appellante heeft gesteld dat zij recht heeft op een Wajong-uitkering ingaande op of voorafgaand aan haar achttiende verjaardag, omdat sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 3:29, tweede lid, van de Wajong 2010 omdat de diagnose autisme pas recent gesteld is.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit, onder verwijzing naar een rapport van 24 september 2018 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Appellante komt alleen dan in aanmerking voor een Wajong-uitkering als zij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is als bedoeld in artikel 2:4, eerste lid, van de Wajong 2010.

4.2.

Op grond van artikel 2:4, eerste lid, van de Wajong 2010 is volledig en duurzaam arbeidsongeschikt degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid niet meer te verdienen dan 20% van het maatmaninkomen. Op grond van het tweede lid wordt onder duurzaam verstaan een medisch stabiele of verslechterende situatie en het blijvend ontbreken van mogelijkheden tot arbeidsparticipatie. Op grond van het derde lid wordt onder een medisch stabiele of verslechterende situatie mede verstaan een medische situatie waarbij op lange termijn een geringe kans op herstel bestaat.

4.3.

In de uitspraak van 6 september 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:2994) heeft de Raad overwogen dat onder een situatie van het blijvend ontbreken van mogelijkheden tot arbeidsparticipatie moet worden verstaan dat de betrokkene niet tot het verrichten van betaalde arbeid in staat is, nu niet en in de toekomst niet, ook niet na of met behulp van ondersteuning of in de vorm van beschut werk.

4.4.

In navolging van de rechtbank wordt geoordeeld dat het onderzoek van de verzekeringsarts bezwaar en beroep zorgvuldig is geweest. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft appellante gezien op de hoorzitting, oriƫnterend psychisch onderzoek verricht en de beschikbare informatie van 3 november 2014 van een psycholoog en het verslag van psychologisch onderzoek van 15 mei 2015 van de GZ-groep in de beoordeling betrokken. Op basis van dit onderzoek heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep zich een oordeel gevormd over de duurzaamheid van de vastgestelde beperkingen.

4.5.

Terecht heeft de rechtbank geoordeeld dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep inzichtelijk en toereikend heeft gemotiveerd dat bij appellante ondanks de aanwezige beperkingen geen sprake is van het blijvend ontbreken van mogelijkheden tot arbeidsparticipatie. De behandeling van appellante, verband houdend met haar autisme, was pas net opgestart. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft erop gewezen dat uit het verslag van 15 mei 2015 van de GZ-groep blijkt dat de behandeling zou worden gericht op haar omgeving, het aanleren van coping vaardigheden en sociale vaardigheden aansluitend bij de autistische beperkingen. Er is ook gesproken over begeleid wonen om appellante uit haar milieu te halen en een nieuwe start te maken in het doorbreken van dwanghandelingen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft gemeld dat appellante nieuwe vaardigheden kan aanleren als zij in staat is tot meer zelfreflectie, kan komen tot meer zelfinzicht, en kan profiteren van praktische, cognitieve gedragstherapie gericht op de begeleiding/behandeling van autisme. Ook niet autisme specifieke problemen, waaronder angstklachten en dwangmatige handelingen, kunnen dan verminderen.

4.6.

Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel. Ook Kazemier in zijn rapport van 10 oktober 2017 sluit namelijk niet uit dat appellante niet tot het verrichten van betaalde arbeid in staat is, nu niet en in de toekomst niet, ook niet na of met behulp van ondersteuning of in de vorm van beschut werk. Hij heeft gesteld dat appellante eerst in behandeling bepaalde vaardigheden zal moeten leren die haar kunnen helpen om te gaan met haar blijvende beperkingen en dat met het aanleren van deze vaardigheden enige verbetering mogelijk zal zijn. Aan de stelling van Kazemier dat appellante zonder intensieve begeleiding niet in staat zal zijn om te werken en dat het onwaarschijnlijk is dat zij dergelijke passende ondersteuning kan krijgen bij een reguliere werkgever in een regulier betalende baan, komt geen doorslaggevende betekenis toe. Zoals in 4.3 is overwogen, is ook van belang of appellante in de toekomst na of met behulp van ondersteuning beschut werk kan verrichten.

4.7.

De ter zitting ingenomen stelling dat behandeling geen zin heeft, omdat appellante niet op komt dagen en de laatste behandeling eind 2017 is stopgezet, biedt onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat appellante vanwege medische redenen niet in staat is een behandeling te volgen. Uit de brief van Parnassia blijkt alleen dat appellante zich heeft afgemeld voor groepsbehandeling, maar niet wat daarvoor de reden was, behalve dat appellante zelf vindt dat zij geen behandeldoelen heeft. Uit de informatie van Terwindt, Kazemier, de GZ-groep en Parnassia blijkt verder niet dat zij een duidelijk andere mening hebben dan de verzekeringsartsen over de mogelijke te behalen behandelresultaten. Verder valt uit de informatie van de gemeente Den Haag niet af te leiden dat de gemeente geen mogelijkheden tot arbeidsinschakeling voor haar heeft. De Raad ziet geen aanleiding om een onafhankelijke deskundige te benoemen.

4.8.

Uit overweging 4.1 tot en met 4.7 volgt dat bij het bestreden besluit terecht is vastgesteld dat appellante met ingang van 3 oktober 2014 niet in aanmerking komt voor arbeidsondersteuning op de grond dat zij niet voldoet aan de voorwaarde dat zij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. De stelling dat sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 3:29, tweede lid, van de Wajong 2010 behoeft daarom geen bespreking.

5. De overwegingen in 4.2 tot en met 4.8 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Dit betekent dat er geen grond is voor toekenning van de gevraagde schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van wettelijke rente af.

Deze uitspraak is gedaan door E.W. Akkerman als voorzitter en J.J.T. van den Corput en

D. Hardonk-Prins als leden, in tegenwoordigheid van M.A.E. Lageweg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 november 2018.

(getekend) E.W. Akkerman

(getekend) M.A.E. Lageweg

rh