Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:3480

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-11-2018
Datum publicatie
08-11-2018
Zaaknummer
17/4290 WAJONG
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het Uwv het bezwaar van betrokkene ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Bewindvoering. Gelet op de artikelen 1:438 en 1:441, eerste lid, van het BW moet betrokkene zich in een eventueel geding over een onder bewind gesteld goed laten vertegenwoordigen door haar bewindvoerder. Dit betekent dat het Uwv in zoverre wordt gevolgd dat aan het door betrokkene ingediende bezwaar een bevoegdheidsgebrek kleeft nu dat bezwaar niet door de bewindvoerder was ingediend. Dit betreft echter een bevoegdheidsgebrek dat reparabel is, en dat ook nog na afloop van de bezwaartermijn kan worden hersteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2018/506
NJB 2018/2122
USZ 2019/18
JOM 2019/50
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17/4290 WAJONG

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van
20 april 2017, 16/3688 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

Datum uitspraak: 7 november 2018

PROCESVERLOOP

Het Uwv heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft geen verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 augustus 2018. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door V.A.R. Kali. Namens betrokkene is haar opvolgend bewindvoerder, D.T.W. Scherpenborg, verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Bij beschikking van 10 augustus 2015 heeft de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam alle goederen die (zullen) toebehoren aan betrokkene onder bewind gesteld en is een bewindvoerder benoemd. Dit is door de bewindvoerder bij brief van 10 september 2015 aan het Uwv meegedeeld.

1.2.

Bij besluit van 9 augustus 2016 heeft het Uwv vastgesteld dat betrokkene arbeidsvermogen heeft of dat zij dat kan ontwikkelen en dat betrokkene haar uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) behoudt. Wel wordt de uitkering per 1 januari 2018 verlaagd van 75% van het minimumloon naar 70% van het minimumloon.

1.3.

Op 19 september 2016 heeft betrokkene middels haar eigen DigiD digitaal bezwaar gemaakt tegen het besluit van 9 augustus 2016. Dit bezwaarschrift is door het Uwv ontvangen op diezelfde datum.

1.4.

Bij brief van 5 oktober 2016 heeft het Uwv aan de bewindvoerder van betrokkene meegedeeld dat betrokkene bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 9 augustus 2016. Volgens Het Uwv kan alleen de bewindvoerder bezwaar maken tegen besluiten over de uitkeringsaanspraken van betrokkene, omdat de goederen van betrokkene onder bewind zijn gesteld. Daarom heeft Het Uwv de bewindvoerder gevraagd of zij het bezwaarschrift voor haar rekening wil nemen. Als zij dit doet, dan is dit pas na afloop van de bezwaartermijn en moet ervan worden uitgegaan dat het bezwaarschrift te laat is ingediend. Het Uwv heeft de bewindvoerder in de gelegenheid gesteld te laten weten waarom het bezwaarschrift te laat is ingediend. Hiervoor is een termijn gesteld tot en met 2 november 2016.

1.5.

Hierop heeft de bewindvoerder bij brief van 24 oktober 2016 gereageerd en daarbij het bezwaar voor haar rekening genomen. Ook heeft de bewindvoerder toegelicht waarom te laat bezwaar is gemaakt.

1.6.

Bij beslissing op bezwaar van 1 november 2016 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn. Het Uwv is niet gebleken van bijzondere omstandigheden, waardoor de bewindvoerder niet in de gelegenheid was om tijdig een bezwaarschrift in te dienen.

2. Betrokkene heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank dat beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het Uwv opdracht gegeven een nieuw besluit te nemen op het bezwaar. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat uit de uitspraak van de Hoge Raad van 7 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:525, volgt dat de bewindvoerder de procedure als formele procespartij kan overnemen zonder dat daarvoor bijzondere formaliteiten gelden. Naar het oordeel van de rechtbank betekent dit dat de bewindvoerder de benodigde medewerking ook na afloop van de bezwaartermijn kan verlenen, zolang dit maar binnen de daartoe gegeven hersteltermijn is gebeurd. Hieraan doet niet af dat de in artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gestelde termijn van openbare orde is. Er is immers binnen de bezwaartermijn door betrokkene bezwaar gemaakt. Dat de bewindvoerder betrokkene in en buiten rechte vertegenwoordigt, betekent naar het oordeel van de rechtbank niet dat betrokkene niet zelf bezwaar kon maken tegen een besluit van het Uwv over haar uitkering. Wel heeft betrokkene daarvoor de medewerking van haar bewindvoerder nodig en die medewerking heeft zij in het onderhavige geval ook binnen de daarvoor door het Uwv gestelde termijn gekregen. Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank dat het Uwv het bezwaar van betrokkene ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard.

3.1.

Het Uwv heeft in hoger beroep aangevoerd dat uit artikel 1:438 van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat tijdens het bewind alleen de bewindvoerder bezwaar kan maken tegen besluiten over de uitkeringsaanspraken van betrokkene. Betrokkene zelf was niet bevoegd om een bezwaarschrift in te dienen. Het besluit waartegen bezwaar is gemaakt, is ook aan de bewindvoerder gestuurd. Omdat betrokkene zelf bezwaar heeft gemaakt, is sprake van een bevoegdheidsgebrek. Dit bevoegdheidsgebrek kan alleen binnen de bezwaartermijn worden hersteld en betreft geen herstelbaar gebrek, aldus het Uwv. Het Uwv heeft hierbij verwezen naar een aantal uitspraken van de Raad, waaronder een uitspraak van de Raad van 18 augustus 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2821.

3.2.

Ter zitting heeft de bewindvoerder toegelicht dat het bewind betrekking heeft op de goederen van betrokkene en dat een beoordeling over het arbeidsvermogen van betrokkene, zoals neergelegd in het besluit van 9 augustus 2016, buiten de taak van de bewindvoerder valt. Pas als er een besluit met financiële consequenties wordt genomen, komt de bewindvoerder in beeld.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 6:7 van de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken. In artikel 6:9, eerste lid, van de Awb is bepaald dat een bezwaar- of beroepschrift tijdig is ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen.

4.2.1.

Op grond van artikel 1:431, eerste lid, van het BW kan, indien een meerderjarige als gevolg van zijn lichamelijke of geestelijke toestand tijdelijk of duurzaam niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen zelf behoorlijk waar te nemen, de kantonrechter een bewind instellen over één of meer van de goederen, die hem als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren.

4.2.2.

Op grond van artikel 1:435, eerste lid, van het BW benoemt de rechter die het bewind instelt, daarbij of zo spoedig mogelijk daarna een bewindvoerder.

4.2.3.

Ingevolge artikel 1:438, eerste lid, van het BW komt tijdens het bewind het beheer over de onder bewind staande goederen niet toe aan de rechthebbende maar aan de bewindvoerder. In het tweede lid is bepaald dat de rechthebbende tijdens het bewind slechts met medewerking van de bewindvoerder of, indien deze weigerachtig is, met machtiging van de kantonrechter over de onder het bewind staande goederen kan beschikken.

4.2.4.

In artikel 1:441, eerste lid, van het BW is, voor zover hier van belang, bepaald dat tijdens het bewind de bewindvoerder bij de vervulling van zijn taak de rechthebbende in en buiten rechte vertegenwoordigt.

4.2.5.

In artikel 1:443 van het BW is, voor zover hier van belang, bepaald dat de bewindvoerder alvorens in rechte op te treden zich te zijner verantwoording kan doen machtigen door de rechthebbende.

4.3.

Het door betrokkene ingediende bezwaarschrift is door het Uwv ontvangen op

19 september 2016. Dit is binnen de bezwaartermijn, die afliep op 20 september 2016.

4.4.

Ter beoordeling ligt voor of met het door betrokkene ingediende bezwaarschrift van

19 september 2016 tijdig bezwaar is gemaakt tegen het besluit van 9 augustus 2016.

4.5.

Onder het begrip ‘goederen’ vallen ook vermogensrechten, waaronder uitkeringsaanspraken. De uitkeringsaanspraken van betrokkene op grond van de Wajong, waarop het besluit van 9 augustus 2016 betrekking had, vallen dus onder het bewind. Dat de bewindvoerder ten aanzien van (een deel van) de besluitvorming rond de aanspraken geen betrokkenheid heeft, zoals bij het medisch onderzoek, maakt dat niet anders.

4.6.1.

Gelet op de artikelen 1:438 en 1:441, eerste lid, van het BW moet betrokkene zich in een eventueel geding over een onder bewind gesteld goed laten vertegenwoordigen door haar bewindvoerder. Dit betekent dat het Uwv in zoverre wordt gevolgd dat aan het door betrokkene ingediende bezwaar een bevoegdheidsgebrek kleeft nu dat bezwaar niet door de bewindvoerder was ingediend. Dit betreft echter een bevoegdheidsgebrek dat reparabel is, en dat ook nog na afloop van de bezwaartermijn kan worden hersteld. Daarvoor wordt verwezen naar overweging 3.4.2 van de genoemde prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van

7 maart 2014, waarin, voor zover hier van belang, het volgende is overwogen:

“(…) In een geding met betrekking tot een onder bewind gesteld goed dient de bewindvoerder, en dus niet de rechthebbende, in rechte te worden betrokken. Indien een wederpartij die niet met het bewind bekend was of had behoren te zijn, echter een geding tegen de rechthebbende zelf aanhangig heeft gemaakt, kan de bewindvoerder in rechte verschijnen om dit als formele procespartij over te nemen. Daarvoor zijn geen bijzondere formaliteiten vereist; een daartoe strekkende brief aan de wederpartij en de rechter volstaat. Indien een rechtsmiddel wordt aangewend tegen een rechterlijke uitspraak in een geding waarin de bewindvoerder niet optrad als formele procespartij maar waarin de rechthebbende zelf partij was, dient dit (eveneens) te geschieden door of tegen de bewindvoerder. Wordt het rechtsmiddel aangewend door of tegen de rechthebbende zelf, dan is het vorenstaande overeenkomstig van toepassing.

(…).ˮ

4.6.2.

Ofschoon de aangehaalde beslissing van de Hoge Raad dat niet met zoveel woorden zegt, ligt het in de rede dat in het geval dat de onder bewind gestelde zelf procedeert, gedacht is aan bekrachtiging van het rechtsmiddel door de bewindvoerder. De onder bewind gestelde mist immers op grond van artikel 1:441, eerste lid, van het BW procesbevoegdheid met betrekking tot de onder bewind gestelde goederen. Dit betekent dat een onder bewind gestelde rechthebbende zelf bezwaar kan maken maar dat in een situatie als de onderhavige, waarin het Uwv bekend is met het bewind, de bewindvoerder dit als formele partij dient te bekrachtigen. Hiervoor zijn geen bijzondere formaliteiten vereist, aldus de Hoge Raad. Gelet hierop heeft betrokkene met het bezwaarschrift van 19 september 2016 tijdig bezwaar gemaakt tegen het besluit van 9 augustus 2016. Nu de bewindvoerder de bezwaarprocedure als formele procespartij binnen de daartoe door het Uwv bij brief van 5 oktober 2016 gestelde termijn heeft overgenomen, was er voor het Uwv geen grond om het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren wegens termijnoverschrijding.

4.6.3.

Het Uwv heeft erop gewezen dat de beslissing van de Hoge Raad van 7 maart 2014 betrekking had op een situatie waarin een wederpartij niet weet dat een betrokkene onder bewind is geplaatst en hierdoor de verkeerde partij heeft gedagvaard. De strekking van die beslissing zou dan zijn dat het gaat om de bescherming van degene die in die onwetendheid de betrokkene dagvaardt. Dit betreft een andere situatie dan de onderhavige zaak. Uit de laatste twee volzinnen van bovenstaande overweging blijkt echter dat ook indien door de rechthebbende zelf een rechtsmiddel wordt aangewend, de bewindvoerder de procedure als formele procespartij kan overnemen.

4.7.

Uit 4.1 tot en met 4.6.3 volgt dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het Uwv het bezwaar van betrokkene ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd. Het Uwv zal een nieuwe beslissing op bezwaar moeten nemen. Met het oog op een voortvarende afdoening van het geschil, en na bespreking van de wijze van afdoening met partijen ter zitting, ziet de Raad aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen dit nieuwe besluit slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.

5. Er bestaat geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- bepaalt dat beroep tegen de door het Uwv te nemen nieuwe beslissing op bezwaar slechts bij

de Raad kan worden ingesteld;
- bepaalt dat van het Uwv een griffierecht van € 501,- wordt geheven;

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier, in tegenwoordigheid van B. Dogan als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 november 2018.

(getekend) H.G. Rottier

(getekend) B. Dogan

OS