Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:3479

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-11-2018
Datum publicatie
08-11-2018
Zaaknummer
16/8108 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WW-uitkering terecht ingetrokken en teruggevorderd. Appellant was ten tijde in geding directeur-grootaandeelhouder in de zin van artikel 6, eerste lid, onder d, van de WW en hij was daarom niet verzekerd voor de WW. Appellant heeft bij de aanvraag van de WW-uitkering zijn inlichtingenplicht geschonden en niet alle informatie verschaft die nodig was voor een juiste beoordeling daarvan. De WW-uitkering is daardoor ten onrechte en door toedoen van appellant verstrekt zodat de uitkering, ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Beleidsregels schorsing, opschorting, intrekking en herziening uitkeringen 2006 met terugwerkende kracht wordt ingetrokken tot en met de dag vanaf welke de uitkering ten onrechte is verstrekt. Het Uwv kon de onverschuldigd betaalde uitkering over die periode dan ook terugvorderen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 22 november 2016, 16/1645 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

datum uitspraak: 7 november 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.H. Bossen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 september 2018. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Bossen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.R. Bos.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant heeft op 28 oktober 2013 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) aangevraagd. Op het aanvraagformulier heeft hij vermeld dat hij van 1 mei 2012 tot 1 november 2013 werkzaam is geweest in dienst van [BV] Bij besluit van 30 oktober 2013 heeft het Uwv appellant met ingang van 1 november 2013 in aanmerking gebracht voor een WW-uitkering.

1.2.

Naar aanleiding van een telefonische melding dat appellant vanaf oktober 2013 werkzaam zou zijn in zijn eigen bedrijf heeft het Uwv een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant betaalde WW-uitkering. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapport van bevindingen van 31 maart 2015. In dit rapport is geconcludeerd dat appellant van 1 mei 2012 tot 1 november 2013 werkzaam is geweest bij de vennootschap [BV] , waarvan hij in de periode van

27 maart 2012 tot 2 oktober 2014 statutair bestuurder was en dat appellant in de periode van 27 april 2012 tot 2 oktober 2014 van deze vennootschap 40 aandelen had. Zijn vader,

[naam vader] , had de overige 360 aandelen in bezit.

1.3.

Bij besluit van 26 augustus 2015 heeft het Uwv de WW-uitkering van appellant ingetrokken met ingang van 1 november 2013 en over de periode van 1 november 2013

tot en met 10 mei 2015 een bedrag van € 30.511,40 aan volgens het Uwv onverschuldigd betaalde WW-uitkering van appellant teruggevorderd. Volgens het Uwv was appellant in de periode voorafgaande aan 1 november 2013 niet als werknemer verzekerd voor de WW, omdat hij werkzaam was als directeur-grootaandeelhouder als bedoeld in artikel 6, eerste lid, aanhef en onder d, van de WW en artikel 2, eerste lid, aanhef en onder d, van de Regeling aanwijzing directeur-grootaandeelhouder, Stcrt. 1997, 248 (Regeling).

1.4.

Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 26 augustus 2015. Bij besluit van 18 maart 2016 (bestreden besluit) heeft het Uwv dat bezwaar ongegrond verklaard. Het Uwv heeft zijn standpunt dat appellant als directeur-grootaandeelhouder niet verzekerd was voor de WW gehandhaafd. Volgens het Uwv blijkt uit de door appellant overgelegde verklaring van notaris [notaris] van 2 februari 2016 niet dat de benoeming van appellant, naast zijn vader, tot medebestuurder van [BV] berust op een misverstand. Voorts heeft het Uwv zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 3 van de Regeling, omdat uit de door appellant genoemde feiten afzonderlijk en in samenhang niet kan worden opgemaakt dat hij feitelijk een ondergeschikte functie bekleedde binnen de onderneming.

2.1.

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak dat beroep ongegrond verklaard.

2.2.

Het is de rechtbank gebleken dat appellant in de periode van 27 maart 2012 tot

2 oktober 2014 bestuurder was van de onderneming [BV] waarvan zijn vader houder was van ten minste twee derde van de aandelen. Appellant was dan ook in de aan de orde zijnde periode 1 mei 2012 tot 1 november 2013 aan te merken als directeur-grootaandeelhouder als bedoeld in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder d, van de Regeling. Naar het oordeel van de rechtbank heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat zijn benoeming tot medebestuurder van [BV] (en inschrijving in het handelsregister van de Kamer van Koophandel) berustte op een misverstand.

2.3.

De rechtbank heeft tevens geoordeeld dat het Uwv, gelet op hetgeen appellant heeft aangevoerd, er voor heeft kunnen kiezen geen gebruik te maken van zijn bevoegdheid als bedoeld in artikel 3 van de Regeling. Appellant heeft met hetgeen hij heeft aangevoerd en met de door hem overgelegde stukken niet aannemelijk gemaakt dat hij in de aan de orde zijnde periode ondergeschikt was aan de algemene vergadering van de vennootschap. Uit de door appellant overgelegde stukken blijkt weliswaar dat zijn vader de onderneming naar buiten toe vertegenwoordigde, maar dat zegt op zichzelf nog niets over de positie van appellant als bestuurder van de onderneming. Voorts blijkt volgens de rechtbank uit de overgelegde stukken niet van een gezagsverhouding tussen appellant en zijn vader. De rechtbank heeft verder gewicht toegekend aan een door het Uwv overgelegd artikel uit het tijdschrift “Het ondernemingsbelang” van mei 2013 waarin een interview met appellant staat weergegeven, waarin appellant verklaart dat hij sinds drie jaar eigenaar is van het bedrijf. Naar het oordeel van de rechtbank steunt dit artikel het standpunt van het Uwv dat appellant in de periode van 1 mei 2012 tot 1 november 2013 was aan te merken als directeur-grootaandeelhouder als bedoeld in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder d, van de Regeling.

2.4.

De rechtbank heeft daarom geconcludeerd dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen sprake was verzekeringsplichtige arbeid in de periode van 1 mei 2012 tot 1 november 2013. Het Uwv was daarom gehouden de WW-uitkering van appellant per 1 november 2013 in te trekken en de onverschuldigd betaalde WW-uitkering over de periode van 1 november 2013 tot en met 10 mei 2015 van appellant terug te vorderen.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant zijn standpunt gehandhaafd dat hij vanaf

1 november 2013 wel als werknemer verzekerd was voor de WW. Volgens appellant is de rechtbank ten onrechte voorbij gegaan aan de verklaring van de notaris van 2 februari 2016 waaruit volgens hem blijkt dat sprake is geweest van een misverstand en dat appellant ten onrechte als medebestuurder van [BV] is ingeschreven in het handelsregister, zodat artikel 2, eerste lid aanhef en onder d, van de Regeling niet van toepassing is. Voorts heeft appellant in hoger beroep zijn standpunt gehandhaafd dat hij voldoende heeft aangetoond dat in zijn situatie sprake was van daadwerkelijke ondergeschiktheid ten opzichte van zijn vader [naam vader] , zodat de uitzondering van artikel 3 van de regeling op hem van toepassing was.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Voor de van toepassing zijnde wettelijke bepalingen wordt verwezen naar onderdeel 3.1 van de aangevallen uitspraak.

4.2.

Partijen verschillen niet van mening dat appellant arbeid heeft verricht en dat hij daarvoor loon heeft ontvangen. In geschil is of appellant deze arbeid als directeur-grootaandeelhouder verrichtte en of appellant daarbij daadwerkelijk ondergeschikt was aan de algemene vergadering van de vennootschap.

4.3.1.

Uit de gedingstukken blijkt dat appellant in de periode van 27 maart 2012 tot 2 oktober 2014 bestuurder is geweest van de vennootschap [BV] en dat diens vader over die periode 360 van de in totaal 400 aandelen van deze vennootschap in bezit had. Daarmee is voldaan aan de voorwaarden van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder d, van de Regeling.

4.3.2.

Appellant heeft gesteld dat niet is gebleken van een besluit van de algemene vergadering van aandeelhouders waarbij hij tot statutair directeur is benoemd. Die stelling is niet onderbouwd met bewijs van de vader van appellant die tot 27 maart 2012 enig aandeelhouder was. Uit de stukken blijkt wel dat appellant over de bedoelde periode in het handelsregister was ingeschreven als algemeen directeur. Daarbij was opgenomen dat hij alleen/zelfstandig bevoegd was.

4.3.3.

Uit de door appellant overgelegde verklaring van de notaris van 2 februari 2016 volgt evenmin dat een benoeming van appellant tot statutair medebestuurder niet heeft plaatsgevonden. In die brief staat letterlijk: “Het is heel goed mogelijk dat deze benoeming op een misverstand berust en dat met de benoeming geen rekening is gehouden met de gevolgen hiervan voor de uitkering van genoemde [naam] ”. Die verklaring duidt er veeleer op dat die benoeming wel heeft plaatsgevonden maar dat met de mogelijke gevolgen van die benoeming voor de positie van appellant in het kader van de sociale werknemersverzekeringen geen rekening is gehouden. Dat appellant ten tijde van belang geen statutair bestuurder was, wordt dan ook niet gevolgd.

4.3.4.

Los hiervan doet de brief van de notaris geen afbreuk aan de feitelijke vaststelling dat appellant als bestuurder stond ingeschreven in het handelsregister. Die inschrijving is eerst bijna een jaar na de toekenning van de WW-uitkering doorgehaald, op hetzelfde moment waarop de 40 aandelen van appellant weer terug werden overgedragen aan diens vader. Appellant heeft over de gang van zaken rond de overdrachten geen duidelijkheid kunnen verschaffen. Ter zitting heeft hij op de betreffende vragen geen antwoord kunnen geven.

4.3.5.

Hiermee is in beginsel gegeven dat appellant ten tijde in geding directeur-grootaandeelhouder was in de zin van artikel 6, eerste lid, onder d, van de WW en hij daarom niet verzekerd was voor de WW.

4.4.1.

Dat zou anders kunnen zijn indien de uitzondering van artikel 3 van de Regeling van toepassing is. Dat artikel bepaalt dat het Uwv bevoegd is om, in afwijking van artikel 2, een

bestuurder niet als directeur-grootaandeelhouder aan te merken, indien deze door feiten en omstandigheden aantoont daadwerkelijk ondergeschikt te zijn aan de algemene vergadering van de vennootschap. Uit de tekst van artikel 3 blijkt dat de bewijslast daarvan bij appellant ligt.

4.4.2.

In dat bewijs is appellant niet geslaagd. Appellant heeft diverse stukken ingebracht waaruit blijkt dat zijn vader veel externe contacten had en zich presenteerde als vertegenwoordiger van de vennootschap. Daarmee is echter niet gegeven dat appellant ondergeschikt was. Appellant heeft gesteld dat er geen schriftelijke arbeidsovereenkomst was. Over de inhoud van die arbeidsovereenkomst en een aantal in dat verband wezenlijke zaken, zoals de inhoud van het werk, de hoogte van het salaris, vakantie en ziekte heeft appellant geen of onduidelijke informatie verschaft. Die informatie was ook niet in overeenstemming met de ingebrachte beëindigingsovereenkomst. Het enige stuk waaruit zou kunnen blijken dat sprake was van gezag, is een ongedateerd briefje van de vader van appellant waarin appellant wordt aangesproken verbeteringen in zijn werk aan te brengen. Dat is echter, gelet op de overige onduidelijkheden, onvoldoende om aan te nemen dat appellant ten tijde hier van belang daadwerkelijk ondergeschikt aan de algemene vergadering van aandeelhouders was. Dit betekent dat de uitzondering van artikel 3 van de Regeling niet op appellant van toepassing was en dat hij dus niet was verzekerd voor de WW.

4.5.

Gelet de conclusie onder 4.4.2 en de feiten die daaraan ten grondslag liggen, heeft appellant bij de aanvraag van de WW-uitkering zijn inlichtingenplicht geschonden en niet alle informatie verschaft die nodig was voor een juiste beoordeling daarvan. De WW-uitkering is daardoor ten onrechte en door toedoen van appellant verstrekt zodat de uitkering, ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Beleidsregels schorsing, opschorting, intrekking en herziening uitkeringen 2006 met terugwerkende kracht wordt ingetrokken tot en met de dag vanaf welke de uitkering ten onrechte is verstrekt. Het Uwv kon de onverschuldigd betaalde uitkering over die periode dan ook terugvorderen.

4.6.

Zoals ter zitting door appellant is erkend, verschilt zijn situatie niet van andere werknemers die worden geconfronteerd met een terugvordering. Een onderbouwing voor de aanwezigheid van een dringende reden die in de weg staat aan de terugvordering is door appellant dan ook niet gegeven.

4.7.

Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en E.C.R. Schut en

G.A.J. van den Hurk als leden, in tegenwoordigheid van R.P.W. Jongbloed als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 november 2018.

(getekend) H.G. Rottier

(getekend) R.P.W. Jongbloed

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden

(Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake de begrippen werknemer, werkgever, dienstbetrekking of loon.

md