Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:347

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-01-2018
Datum publicatie
05-02-2018
Zaaknummer
17/3914 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Deze uitspraak is gerectificeerd met ECLI:NL:CRVB:2018:1235. De gerectificeerde tekst is opgenomen in ECLI:NL:CRVB:2018:1236, onderstaande tekst is niet meer geldig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17/3914 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

20 april 2017, 16/5910 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 31 januari 2018

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft tevens een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening gedaan. Het onderzoek ter zitting door de voorzieningenrechter heeft plaatsgevonden op 2 augustus 2017. Appellant is verschenen, vergezeld door zijn echtgenote. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F.A. Put.

Appellant heeft het verzoek om een voorlopige voorziening ingetrokken.

Appellant heeft diverse nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 december 2017. Appellant is verschenen, vergezeld door zijn echtgenote. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.A. Vermeijden.

OVERWEGINGEN

1. Voor de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt allereerst verwezen naar de tussen partijen gedane uitspraken van de rechtbank Utrecht van 30 mei 2012, SBR 12/228, van de Raad van 6 augustus 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2669 en naar de aangevallen uitspraak. Daaraan wordt nog het volgende toegevoegd.

1.1.

Appellant, geboren [in jaar] 1949, is werkzaam geweest als [functie] bij de [naam werkgever] (thans: [naam werkgever] ). Na een ziekmelding per 13 mei 1993 is hij per 1 april 1994 hersteld geacht voor zijn functie, hij heeft sinds die datum geen werkzaamheden meer voor de [naam werkgever] verricht. Zijn dienstbetrekking is geëindigd door eervol ontslag per 1 juli 1999. [in] 2014 heeft appellant de pensioengerechtigde leeftijd bereikt.

1.2.

Appellant heeft het Uwv op 11 februari 2010 verzocht hem in aanmerking te brengen voor een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Bij besluit van 21 april 2011 heeft het Uwv vastgesteld dat appellant met ingang van 29 juni 2000 recht heeft op een WAO-uitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%, met als ingangsdatum 11 februari 2009, een jaar voor de aanvraagdatum. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit, dat er op was gericht om de uitkering op een eerdere datum te doen ingaan, heeft geleid tot het besluit van het Uwv van 20 december 2011, met als strekking dat, in afwijking van het besluit van 21 april 2011, er destijds geen sprake is geweest van een reële en geaccepteerde ziekmelding zodat geen eerste arbeidsongeschiktheidsdag kan worden vastgesteld. Het Uwv heeft bij dit besluit de

WAO-uitkering van appellant – naar de toekomst – beëindigd per 1 januari 2012. Het beroep van appellant tegen dit besluit is bij uitspraak van de rechtbank Utrecht van 30 mei 2012 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van de Raad van 6 augustus 2014 is deze uitspraak van de rechtbank bevestigd.

1.3.

Appellant heeft vervolgens een verzoek om toekenning van een WAO-uitkering ingediend, dat door het Uwv is opgevat als een verzoek om terug te komen van het besluit van 20 december 2011. Dat verzoek heeft het Uwv afgewezen bij besluit van 13 februari 2015. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is door het Uwv ongegrond verklaard bij besluit van 8 juli 2015.

1.4.

Naar aanleiding van wat is besproken tijdens een zitting van de Raad op 24 augustus 2016, in het kader van de aanvraag van appellant om de uitspraak van de Raad van 6 augustus 2014 te herzien, heeft appellant bij brief van 25 augustus 2016 het Uwv – samengevat – verzocht het uitkeringsrecht in het kader van de WAO vast te stellen. Appellant heeft daarbij gewezen op een rapport van een door hem ingeschakelde verzekeringsarts, A.B. Gille, van

6 januari 2016. Appellant heeft daarnaast zijn beroep tegen het besluit van 8 juli 2015 en zijn verzoek tot herziening van de uitspraak van de Raad van 6 augustus 2014 ingetrokken. Het verzoek van 25 augustus 2016 heeft het Uwv aangemerkt als erop gericht om terug te komen van het besluit van 20 december 2011.

1.5.

Een verzekeringsarts van het Uwv heeft beoordeeld of het rapport van Gille aanleiding is om terug te komen op eerdere in het kader van de WAO genomen beslissingen van het Uwv. Blijkens het rapport van 21 oktober 2016 heeft de verzekeringsarts geconcludeerd dat geen sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. Bij besluit van 24 oktober 2016 heeft het Uwv het verzoek van 25 augustus 2016 afgewezen. Volgens het Uwv is niet gebleken van nieuwe feiten en/of omstandigheden die ertoe zouden kunnen leiden dat het besluit van 20 december 2011 onjuist zou zijn.

1.6.

Bij besluit van 27 december 2016 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 24 oktober 2016 ongegrond verklaard. Volgens het Uwv kan het rapport van Gille niet worden aangemerkt als een nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat het Uwv het verzoek van 25 augustus 2016 heeft mogen opvatten als een verzoek om terug te komen van het besluit van 20 december 2011, gelet ook op wat appellant tijdens de zitting bij de rechtbank naar voren heeft gebracht. Volgens de rechtbank kan wat appellant heeft aangevoerd, in het bijzonder het rapport van Gille, niet worden beschouwd als een nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemeen wet bestuursrecht (Awb).

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep gewezen op recente rechtspraak van de Raad met betrekking tot artikel 4:6 van de Awb. Appellant heeft aangevoerd dat het Uwv los van de eerdere besluitvorming in het kader van de WAO de toenmalige situatie zou moeten herbeoordelen. Volgens appellant heeft hij voldoende onderbouwd dat hij na mei 1993 arbeidsongeschikt is gebleven voor zijn functie van [functie] , dat hij recht heeft gekregen en behouden op een uitkering op grond van de WAO, en dat daarom ten onrechte door het Uwv geen recht op WAO-uitkering is vastgesteld per 1 juli 1999 en de WAO-uitkering ten onrechte is beëindigd per 1 januari 2012. Appellant heeft gewezen op het genoemde rapport van Gille en op een advies d.d. 6 juli 1998 naar aanleiding van een hoorzitting op 18 juni 1998 van de commissie van advies inzake beroep- en bezwaarschriften van de [naam werkgever] , waaruit volgens hem blijkt dat zijn met zijn autisme samenhangende slaapstoornissen de reden voor zijn ziekmelding per 13 mei 1993 zijn geweest. Appellant is van mening dat pas achteraf is gebleken dat hij door zijn autisme stoornis geleidelijk ongeschikt is geworden voor zijn functie van [functie] , omdat die functie vanaf het begin van de jaren 90 juist is veranderd en belastender geworden op de aspecten, waarvoor hij in verband met zijn autisme verminderd belastbaar was. Appellant meent dat dit moet worden beschouwd als een relevante nieuwe omstandigheid in de zin van artikel 4:6 van de Awb.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht het verzoek af te wijzen en de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het Uwv het verzoek van appellant van

25 augustus 2016 mocht opvatten als een verzoek, dat ertoe strekt dat het Uwv terugkomt van zijn besluit van 20 december 2011, waarbij de WAO-uitkering van appellant is beëindigd per 1 januari 2012. Het besluit van 20 december 2011 is bij uitspraak van de Raad van 6 augustus 2014 onherroepelijk geworden. Appellant wil met zijn gemotiveerd verzoek bereiken dat hij alsnog in aanmerking wordt gebracht voor een WAO‑uitkering. Het Uwv heeft met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb dit verzoek afgewezen.

4.2.

Dit betekent dat de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als het bestreden besluit die toets doorstaat, kan de bestuursrechter niettemin aan de hand van de beroepsgronden tot het oordeel komen dat het bestreden besluit evident onredelijk is (zie de uitspraak van de Raad van 27 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:5115).

4.3.

Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd.

4.4.

Appellant heeft aangevoerd dat uit het rapport van Gille volgt dat hij door zijn arbeidsbeperkingen, die samenhangen met de gestelde diagnose autisme en door de ontwikkeling van de functie veranderende belasting van zijn werk als [functie] vanaf 1989, voor zijn functie arbeidsongeschikt is geworden in mei 1993 en daarna arbeidsongeschikt is gebleven. Gegeven deze ongeschiktheid had hij recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering die, nadat hij geen aanspraak meer kon maken op loon, vanaf 1 juli 1999 c.q. vanaf 1 juli 2000, tot uitbetaling diende te komen in de vorm van een WAO-uitkering. Zijn beperkingen, maar vooral ook de door Gille onderbouwde geleidelijke verzwaring van zijn functie van [functie] , zijn nieuwe elementen die voor het Uwv aanleiding hadden moeten zijn alsnog vast te stellen dat hij recht heeft op een WAO‑uitkering vanaf 1 juli 1999 en die uitkering niet met ingang van 1 januari 2012 te beëindigen.

4.5.

Wat appellant heeft aangevoerd zijn geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. Zoals blijkt uit de gedingstukken heeft appellant zich op 13 mei 1993 voor zijn werk als [functie] ongeschikt gemeld en is hij per

1 april 1994 weer hersteld verklaard. Tegen deze hersteldverklaring heeft appellant geen bezwaar gemaakt. Aan appellant is per 1 juli 1999 door zijn toenmalige werkgever eervol ontslag verleend “op andere gronden”, dus niet op grond van ongeschiktheid voor zijn functie wegens ziekte of gebrek of anderszins. Ook uit het advies van de bezwaaradviescommissie van 6 juli 1998 kan, anders dan appellant heeft gesteld, niet worden afgeleid dat hij tijdens het ontslag nog ongeschikt was voor zijn werk als [functie] door de slaapstoornissen die volgens de stelling van appellant met zijn autisme samenhangen. Uit het advies blijkt slechts dat appellant dit heeft gesteld en niet dat dat medisch objectief is vastgesteld. Het ontslag is in bezwaar, beroep en hoger beroep in stand gebleven (uitspraak van de Raad van 1 mei 2003, ECLI:NL:CRVB:2003:AQ3305). Zoals blijkt uit onder meer de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 30 mei 2012, was ten tijde van de besluitvorming in 2011 bekend dat appellant arbeidsbeperkingen had als gevolg van zijn autisme en dat hij werkzaam is geweest als [functie] . Het rapport van Gille kan in dit licht niet worden gezien als een nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid. In feite komt Gille tot een andere beoordeling van reeds bekende feiten en omstandigheden, die door appellant ook eerder in bezwaar tegen het besluit van 21 april 2011, in beroep tegen het besluit van 20 december 2011 of in hoger beroep tegen de uitspraak van 30 mei 2012, al dan niet ondersteund door een rapport, naar voren hadden kunnen worden gebracht.

4.6.

Het Uwv mocht het verzoek van appellant van 25 augustus 2016 dan ook afwijzen met verwijzing naar zijn besluit van 20 december 2011. In wat appellant heeft aangevoerd wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre evident onredelijk is. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit terecht ongegrond verklaard.

5. Uit 4.1 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.S. van der Kolk als voorzitter en E.W. Akkerman en

A.T. de Kwaasteniet als leden, in tegenwoordigheid van M.A.A. Traousis als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 januari 2018.

(getekend) J.S. van der Kolk

(getekend) M.A.A. Traousis

CVG