Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:3467

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-11-2018
Datum publicatie
07-11-2018
Zaaknummer
17/1097 WW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2016:9944, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Er is aanleiding om het onderscheid tussen de objectief dringende reden en de subjectief dringende reden niet langer te maken voor zover daarmee wordt gedoeld op de voortvarendheid waarmee de werkgever bij de beëindiging van het dienstverband heeft gehandeld. Deze benadering is in overeenstemming met het uitgangspunt van de wetgever dat niet de route, maar de reden voor de werkloosheid bepalend is. Gelet op de hiervoor gegeven maatstaf, alle feiten en omstandigheden van het geval wegende en in onderlinge samenhang beziend, komt de Raad tot het oordeel dat aan de werkloosheid van appellant een dringende reden in de zin van artikel 7:678 van het BW ten grondslag ligt en dat hem ter zake een verwijt kan worden gemaakt. Geen aanwijzingen dat de werkloosheid appellant niet in overwegende mate kan worden verweten. Blijvend gehele weigering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2018/342 met annotatie van J. Riphagen
AB 2018/461 met annotatie van F.P. Krijnen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 1097 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

29 december 2016, 15/7071 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (college)

Datum uitspraak: 7 november 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. Rhijnsburger, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het college heeft een zienswijze ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 juli 2018. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.M.J. Evers. Namens het college zijn verschenen mr. I. Plaisier en J.H. van der Laan MA.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was sinds 14 augustus 2008 in vaste dienst werkzaam bij de gemeente Rotterdam als [functie 1] . Per 21 februari 2011 is deze functiebenaming gewijzigd in [functie 2] . In deze functie was appellant [functie 3] .

1.2.

Op 13 mei 2013 heeft het college appellant disciplinair gestraft met een schriftelijke berisping in verband met een door hem op 25 december 2012 gegeven elleboogstoot tegen het hoofd van zijn toenmalige leidinggevende. Appellant is er daarbij op gewezen dat bij herhaling van zijn gedrag of andersoortig plichtsverzuim een zwaardere straf opgelegd zal worden, waarbij ontslag niet is uitgesloten.

1.3.

Op 6 januari 2015 is appellant gehoord in verband met het voornemen hem disciplinair te straffen wegens plichtsverzuim vanwege een aantal incidenten in de periode van begin november 2014 tot medio december 2014. Bij brief van 24 februari 2015 is appellant meegedeeld dat hij voorgedragen wordt voor een voorwaardelijk strafontslag.

1.4.

Op 17 maart 2015 heeft het college aan appellant het voornemen kenbaar gemaakt hem wegens plichtsverzuim de disciplinaire straf van voorwaardelijk ontslag met een proeftijd van drie jaren op te leggen.

1.5.

Op 18 maart 2015 heeft een incident plaatsgevonden tussen appellant en zijn teamleider. Appellant is diezelfde dag met bijzonder verlof gestuurd. In verband met dit incident heeft op 23 maart 2015 een verantwoordingsgesprek met appellant plaatsgevonden. Op 16 april 2015 heeft het college appellant mededeling gedaan van het voornemen hem de disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag op te leggen. Tijdens een hoorzitting op 28 april 2015 heeft appellant zijn zienswijze over dit voornemen naar voren gebracht. Appellant is met ingang van 29 april 2015 geschorst in afwachting van het besluit tot disciplinair ontslag.

1.6.

Bij besluit van 17 juni 2015 heeft het college besloten om appellant disciplinair te bestraffen met ontslag wegens ernstig plichtsverzuim en daarbij bepaald dat deze straf onmiddellijk ten uitvoer wordt gelegd. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

1.7.

Bij beslissing op bezwaar van 21 maart 2016 heeft het college dit bezwaar ongegrond verklaard. In dat besluit wordt appellant verweten dat hij (a) op 29 januari 2014 een verkeerd paar (dames)schoenen heeft besteld, van deze bestelling geen melding heeft gemaakt bij zijn leidinggevende en dat hij de schoenen niet heeft teruggebracht; (b) dat hij op 20 november 2014 onder werktijd naar buiten is gegaan om zijn privéauto elders te parkeren zonder voorafgaand toestemming van zijn leidinggevende te vragen; (c) dat hij zich op 10 december 2014 onbehoorlijk heeft gedragen tegenover de teamleider [team] en (d) dat hij op

18 maart 2015 bedreigend en intimiderend gedrag heeft vertoond richting zijn leidinggevende.

1.8.

De rechtbank Rotterdam heeft bij uitspraak van 29 december 2016 (ECLI:NL:RBROT:2016:9945) het beroep van appellant tegen het besluit van 21 maart 2016 ongegrond verklaard. De Raad heeft die uitspraak op 12 oktober 2017 bevestigd (ECLI:NL:CRVB:2017:3511).

1.9.

Appellant heeft op 22 juni 2015 bij het Uwv een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). Bij besluit van 13 juli 2015 heeft het Uwv de WW-uitkering per 17 juni 2015 blijvend geheel geweigerd, omdat appellant verwijtbaar werkloos is geworden.

1.10.

Bij beslissing op bezwaar van 2 november 2015 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 13 juli 2015 ongegrond verklaard. Volgens het Uwv is appellant verwijtbaar werkloos geworden, omdat aan zijn werkloosheid per 17 juni 2015 een dringende reden ten grondslag ligt ter zake waarvan hem een verwijt kan worden gemaakt.

2. Appellant heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak dat beroep van appellant ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv zich terecht op het standpunt gesteld dat aan de werkloosheid van appellant een objectief en subjectief dringende reden ten grondslag heeft gelegen en dat appellant dus verwijtbaar werkloos is geworden. Voorts heeft appellant niet gesteld dat zijn gedrag hem niet in overwegende mate kan worden verweten, hetgeen betekent dat het Uwv terecht toepassing heeft gegeven aan artikel 27, eerste lid, van de WW.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant erkend dat op 18 maart 2015 een tamelijk ‘heftig’ gesprek heeft plaatsgevonden met zijn leidinggevende, maar dat er niet is gedreigd en geen geweld is gebruikt zodat er ook geen lichamelijke confrontatie is geweest. Appellant heeft de aan het ontslagbesluit ten grondslag gelegde getuigenverklaringen in twijfel getrokken. Voorts heeft appellant zijn standpunt gehandhaafd dat er na het incident van 18 maart 2015, dat volgens hem eenvoudig van aard was, teveel tijd is verstreken tot 16 april 2015.

3.2.

Het Uwv en het college hebben bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Aangezien de eerste werkloosheidsdag van appellant vóór 1 juli 2015 is gelegen, zijn de tot die datum geldende artikelen in de WW en het Burgerlijk Wetboek (BW) van toepassing. De aan de orde zijnde wettelijke bepalingen luiden als volgt.

4.2.

Artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW legt op de werknemer de verplichting te voorkomen dat hij verwijtbaar werkloos wordt. Volgens artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW is de werknemer verwijtbaar werkloos geworden als aan de werkloosheid een dringende reden ten grondslag ligt in de zin van artikel 7:678 van het BW en de werknemer ter zake een verwijt kan worden gemaakt.

4.1.2.

Artikel 7:677, eerste lid, van het BW luidde, voor zover hier van belang:

Ieder der partijen is bevoegd de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen om een dringende reden, onder gelijktijdige mededeling van die reden aan de wederpartij.

4.1.3.

In artikel 7:678, eerste lid, van het BW is het volgende opgenomen:

Voor de werkgever worden als dringende redenen in de zin van lid 1 van artikel 677 beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die ten gevolge hebben dat van de werkgever redelijkerwijze niet kan gevergd worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.

4.1.4.

Artikel 27, eerste lid, van de WW bepaalde – voor zover hier van belang − dat het Uwv de uitkering blijvend weigert over het aantal uren waarover het recht op uitkering niet zou zijn ontstaan of zou zijn geëindigd, ter zake van het niet nakomen door de werknemer van de verplichting als bedoeld in artikel 24, eerste lid, onderdeel a, tenzij het niet nakomen van de verplichting de werknemer niet in overwegende mate kan worden verweten. In dat geval weigert het Uwv de uitkering niet over de volledige duur van de uitkering, doch over ten hoogste een periode van 26 weken over de helft van het aantal uren waarover het recht op uitkering zou zijn geëindigd of niet zou zijn ontstaan.

4.2.

Ter beoordeling ligt voor de vraag of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat appellant verwijtbaar werkloos is geworden in de zin van artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW.

4.3.

De Raad heeft voorheen in zijn rechtspraak geoordeeld dat voor de vraag of aan de werkloosheid een dringende reden ten grondslag ligt, als bedoeld in artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW, de maatstaf is gelegen in artikel 7:678 van het BW en dat dit artikel niet los kan worden gezien van artikel 7:677 van het BW (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 18 februari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH2392). Mede gelet op de samenhang tussen laatstgenoemde artikelen is bij de invulling van het begrip dringende reden niet alleen betekenis gehecht aan de feitelijke gedraging van de werknemer, de wijze waarop de werkgever in de specifieke situatie en in de specifieke werkrelatie het verweten gedrag beoordeelt en wat in dat verband de voor de werknemer kenbare bedoeling van de werkgever is geweest. Ook is de onverwijldheid – de voortvarendheid waarmee de werkgever bij de beëindiging van het dienstverband heeft gehandeld – van belang geacht voor de vraag of er sprake was van een dringende reden. Dit heeft er bij de beoordeling van de vraag of is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW toe geleid dat een onderscheid is gemaakt tussen de objectief dringende reden en de subjectief dringende reden. Daardoor is het aspect van de voortvarendheid waarmee de werkgever heeft gehandeld om tot een beëindiging van het dienstverband te komen, mede bepalend geweest voor het antwoord op de vraag of sprake is van verwijtbare werkloosheid.

4.4.

Mede in het licht van de wettelijke bepalingen en de rechtspraak van de Hoge Raad over het begrip dringende reden in het arbeidsrecht is er aanleiding om het onderscheid tussen de objectief dringende reden en de subjectief dringende reden niet langer te maken voor zover daarmee wordt gedoeld op de voortvarendheid waarmee de werkgever bij de beëindiging van het dienstverband heeft gehandeld. De in artikel 7:677 van het BW opgenomen onverwijldheidseis maakt immers geen deel uit van het begrip dringende reden in

artikel 7:678 van het BW waarnaar artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW verwijst. Bij de beoordeling van de vraag of is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW, is het voldoen aan de “onverwijldheidseis” dus geen voorwaarde. Zo wordt beter geabstraheerd van de ontslagroute die de werkgever heeft gekozen en van de daarin noodzakelijk door hem te nemen stappen. Deze benadering is in overeenstemming met het uitgangspunt van de wetgever dat niet de route, maar de reden voor de werkloosheid bepalend is. Dit leidt tot het volgende beoordelingskader voor artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW, waarin met het oog op de rechtszekerheid geen andere toepassing wordt gegeven aan artikel 7:678 van het BW dan tot uitdrukking komt in de rechtspraak van de Hoge Raad (zie het arrest van de Hoge Raad van 21 januari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4436).

4.5.

Voor de vraag of er sprake is van verwijtbare werkloosheid dient, gelet op de tekst en de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW, een materiële beoordeling plaats te vinden van de vraag of aan de werkloosheid een dringende reden ten grondslag ligt. Daarbij is artikel 7:678 van het BW de maatstaf en moeten alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen. Tot de elementen die moeten worden gewogen, behoren de aard en ernst van de gedraging(en) van de werknemer, de wijze waarop de werkgever in de specifieke situatie en in de specifieke werkrelatie het verweten gedrag beoordeelt, de in dat verband voor de werknemer kenbare bedoeling van de werkgever, de aard en duur van de dienstbetrekking, de wijze waarop de werknemer deze heeft vervuld, en de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, zoals zijn leeftijd en de gevolgen die een beëindiging van het dienstverband voor hem zou hebben. Ook indien de gevolgen ingrijpend zijn, kan een afweging van deze persoonlijke omstandigheden tegen de aard en de ernst van de gedraging(en) tot de conclusie leiden dat beëindiging van de dienstbetrekking gerechtvaardigd is. Indien tot het aannemen van een dringende reden wordt geconcludeerd, zal in het kader van artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW vervolgens nog moeten worden getoetst of de werknemer van de dringende reden een verwijt kan worden gemaakt.

4.6.

Gelet op de hiervoor in 4.5 gegeven maatstaf, alle feiten en omstandigheden van het geval wegende en in onderlinge samenhang beziend, komt de Raad tot het oordeel dat aan de werkloosheid van appellant een dringende reden in de zin van artikel 7:678 van het BW ten grondslag ligt en dat hem ter zake een verwijt kan worden gemaakt. Hiervoor zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.

4.6.1.

Op grond van de uitspraak van de Raad van 12 oktober 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:3511) staat vast dat appellant (a) op 29 januari 2014 een verkeerd paar (dames)schoenen heeft besteld, van deze bestelling geen melding heeft gemaakt bij zijn leidinggevende en dat hij de schoenen niet heeft teruggebracht; (b) op 20 november 2014 onder werktijd naar buiten is gegaan om zijn privéauto elders te parkeren zonder voorafgaande toestemming van zijn leidinggevende te vragen; (c) zich op 10 december 2014 onbehoorlijk heeft gedragen tegenover de teamleider [team] en (d) op 18 maart 2015 bedreigend en intimiderend gedrag heeft getoond jegens zijn leidinggevende. Hetgeen appellant in hoger beroep, zonder enige onderbouwing, heeft aangevoerd met betrekking tot het incident op 18 maart 2015 leidt niet tot een ander oordeel. Daarbij is mede in aanmerking genomen dat appellant de functie van [functie 2] bekleedde en [functie 3] was, alsmede dat appellant een gewaarschuwd man was omdat hij in 2013 al disciplinair was gestraft naar aanleiding van een incident en er toen op is gewezen dat bij herhaling van zijn gedrag of andersoortig plichtsverzuim een zwaardere straf zou worden opgelegd, waarbij ontslag niet werd uitgesloten.

4.6.2.

Verder is meegewogen dat het college er van meet af aan geen twijfel over heeft laten bestaan dat hij appellant niet meer wilde terugzien op de werkvloer. Na het incident op

18 maart 2015 heeft het college appellant onmiddellijk met bijzonder verlof gestuurd en vervolgens met ingang van 29 april 2015 geschorst, in afwachting van het disciplinair ontslag.

4.7.

Nu er ook geen aanwijzingen zijn dat de werkloosheid appellant niet in overwegende mate kan worden verweten, volgt uit het voorgaande dat het Uwv op grond van artikel 27, eerste lid, van de WW, gehouden was appellant de WW-uitkering blijvend geheel te weigeren.

4.8.

Uit 4.3 tot en met 4.7 volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Het verzoek van appellant om het Uwv te veroordelen tot vergoeding van schade zal worden afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door C.C.W. Lange als voorzitter en H.G. Rottier en

G.A.J. van den Hurk als leden, in tegenwoordigheid van G.D. Alting Siberg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 november 2018.

(getekend) C.C.W. Lange

(getekend) G.D. Alting Siberg

IJ