Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:3455

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-10-2018
Datum publicatie
12-11-2018
Zaaknummer
17/1011 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering AOI-aanvulling in verband met onroerend goed in Marokko. Onderzoeksbevindingen van onroerend goed bieden onvoldoende grondslag. Medewerking appellant is nodig. Rechtbank heeft bestreden besluit ten onrechte over hele periode in stand gelaten, intrekking kan pas vanaf moment van schending medewerkingsplicht. De Raad doet zelf af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2018/304
USZ 2019/4
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 1011 PW

Datum uitspraak: 30 oktober 2018

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 22 december 2016, 16/5141 (aangevallen uitspraak), en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.G.P. Glas, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 september 2018. Namens appellant is verschenen mr. Glas. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Sturmans.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant en zijn echtgenote ontvingen sinds 1 januari 2010 in aanvulling op een onvolledig ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) een aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO-aanvulling), laatstelijk ingevolge de Participatiewet (PW).

1.2.

Door middel van het formulier ‘verblijf buiten Nederland’ (formulier) heeft appellant op 3 juli 2012 aan de Svb gemeld dat hij en zijn echtgenote van 3 mei 2012 tot en met 1 juli 2012 in Marokko hebben verbleven. Op dit formulier heeft appellant ingevuld dat hij in Marokko bij familie verblijft en daar geen onroerende zaken heeft.

1.3.

Op 20 november 2012 hebben twee medewerkers van de afdeling Bijzonder Onderzoek (afdeling BO) van de Svb, in het kader van een steekproefcontrole bij AOW-gerechtigden naar verblijf of vermogen in het buitenland, een huisbezoek afgelegd op het adres van appellant. Tijdens dat huisbezoek hebben de medewerkers met appellant het formulier voor de periode van 3 mei 2012 tot en met 1 juli 2012 opnieuw ingevuld en kopieën gemaakt van de Nederlandse en Marokkaanse paspoorten van appellant en zijn echtgenote, alsmede van hun CIN-kaarten. Appellant heeft aan de medewerkers van de afdeling BO opgegeven dat hij en zijn echtgenote in de periode van 3 mei 2012 tot en met 1 juli 2012 in Marokko bij familie hebben verbleven. Op de op het formulier opgenomen vraag of appellant eigenaar is van de woning op het adres buiten Nederland waar hij heeft verbleven, heeft appellant “nee” ingevuld en bij de toelichting vermeld: “woning overleden vader”.

1.4.

Een medewerker van de afdeling BO heeft vervolgens het Bureau Sociale Zaken van de Nederlandse Ambassade te Rabat opdracht gegeven een onderzoek te doen naar vermogen van appellanten in Marokko. Twee medewerkers van het Bureau Sociale Zaken hebben in augustus 2014 onderzoek gedaan in het district Midar. De bevindingen van het onderzoek zijn vastgelegd in een rapport van 5 november 2014 van de Attaché voor Sociale Zaken van de Nederlandse Ambassade te Rabat (Attaché). Uit dit rapport volgt, samengevat, dat de lokale autoriteiten in Midar hebben verklaard dat appellant eigenaar is van een woning op het adres Quartier Koudiat Dib. De waarde van de woning op dit adres is door een lokale makelaar getaxeerd op 350.000 Dirham, omgerekend ongeveer € 31.700,-.

1.5.

De Svb heeft in de onderzoeksresultaten aanleiding gezien om bij besluit van 6 maart 2015 de AIO-aanvulling van appellant en zijn echtgenote in te trekken met ingang van 1 januari 2010.

1.6.

Hangende bezwaar heeft de Svb de Attaché verzocht in Marokko een nader onderzoek te verrichten naar de vraag wie heeft verklaard dat appellant eigenaar is van een woning in Midar en op basis waarvan die verklaring is afgelegd. Verder heeft de Svb de Attaché verzocht de in het taxatierapport genoemde bedragen in detail uit te leggen. De Attaché heeft vervolgens een rapport van 18 maart 2016 uitgebracht.

1.7.

Bij besluit van 31 mei 2016 (bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar tegen het besluit van 6 maart 2015 ongegrond verklaard. Aan dit besluit heeft de Svb ten grondslag gelegd dat uit de rapporten van 5 november 2014 en 18 maart 2016 volgt dat appellant eigenaar is van een woning in Marokko, gelegen op het adres Quartier Koudiat Dib te Midar. De waarde van deze woning gaat de voor appellant en zijn echtgenote geldende vermogensgrens te boven, zodat zij vanaf 1 januari 2010 geen recht hebben op een AIO-aanvulling.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en de rechtsgevolgen ervan in stand gelaten. De rechtbank heeft, samengevat, het volgende overwogen. Aan het bestreden besluit liggen de rapporten van 5 november 2014 en 18 maart 2016 van de Attaché ten grondslag. De in deze rapporten neergelegde onderzoeksbevindingen bieden onvoldoende feitelijke grondslag voor de conclusie dat appellant eigenaar is van een woning in Marokko. Omdat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en onvoldoende deugdelijk is gemotiveerd, dient dit besluit te worden vernietigd. De Svb heeft ter zitting verklaard bereid te zijn nader onderzoek te verrichten. Voor dit nader onderzoek is medewerking van appellant nodig. Hij dient een machtiging te verlenen zodat bepaalde persoonlijke gegevens bij de lokale autoriteiten in Marokko ingewonnen kunnen worden. Appellant heeft desgevraagd uitdrukkelijk verklaard niet bereid te zijn om aan enig aanvullend onderzoek mee te werken. Hij is evenmin bereid de machtiging te verlenen. Vaststaat dat de Svb een begin van bewijs heeft geleverd. Weliswaar is dit begin van bewijs ontoereikend, maar de Svb moet wel in de gelegenheid gesteld worden om aanvullend onderzoek te verrichten. Nu appellant niet bereid is zijn medewerking te verlenen aan dat onderzoek, terwijl die medewerking in dit specifieke geval wel van hem mag worden verlangd, dient het voor rekening en risico van appellant te blijven dat het gebrek in het bestreden besluit niet door de Svb kan worden hersteld. Om die reden zullen de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand worden gelaten.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand heeft gelaten.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De te beoordelen periode loopt van 1 januari 2010, de datum met ingang waarvan de Svb de AIO-aanvulling van appellant en zijn echtgenote heeft ingetrokken, tot en met 6 maart 2015, de datum van het intrekkingsbesluit.

4.2.

Tussen partijen is uitsluitend in geschil of de rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 31 mei 2016 terecht in stand heeft gelaten.

4.3.

Artikel 17, eerste lid, eerste volzin, van de PW bepaalt dat de belanghebbende aan het bijstandverlenend orgaan op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling doet van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand. Het tweede lid bepaalt dat de belanghebbende het bijstandverlenend orgaan desgevraagd de medewerking verleent die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet, waaronder in ieder geval wordt verstaan het verlenen van medewerking aan een oproep om op een bepaalde plaats en tijd te verschijnen in verband met zijn arbeidsinschakeling.

4.4.

De gevraagde medewerking van appellant in verband met aanvullend onderzoek bij instanties in Marokko ligt in het verlengde van de op hem rustende inlichtingenverplichting over eventueel in Marokko aanwezig vermogen. Aan de orde is daarom de vraag of appellant, door het weigeren van zijn medewerking, de op hem rustende medewerkingsverplichting als bedoeld in artikel 17, tweede lid, van de PW heeft geschonden.

4.5.

Gelet hierop ligt ter beoordeling voor of de medewerking van appellant aan het aanvullend onderzoek redelijkerwijs nodig was voor de uitvoering van de PW. Appellant heeft aangevoerd dat de Svb ook onderzoek kan doen zonder zijn toestemming. De Svb kan immers alsnog verzoeken de verklaringen van de wijkhoofden op papier te stellen en te laten ondertekenen. Ook kan de Svb ter plaatse woonverklaringen opvragen bij de wijkhoofden. De Raad sluit niet uit dat de Svb voor een deel onderzoek kan doen zonder toestemming van appellant, maar dat neemt niet weg dat medewerking van appellant wel noodzakelijk is om bepaalde aan de persoon gerelateerde gegevens, zoals bijvoorbeeld woonverklaringen, bij lokale autoriteiten in Marokko op te kunnen vragen. De Svb heeft dan ook terecht aan appellant medewerking gevraagd voor een aanvullend onderzoek en hem gevraagd daartoe een machtiging te tekenen

4.6.

Uit 4.5 volgt dat appellant de op hem rustende medewerkingsverplichting als bedoeld in artikel 17, tweede lid, van de PW heeft geschonden. Eerst ter zitting van de Raad heeft appellant als reden waarom hij niet wil meewerken aan een aanvullend onderzoek verklaard dat hem door de Svb een boete is aangezegd en hij zich daarom beroept op zijn zwijgrecht. Deze grond treft geen doel. De medewerkingsverplichting is voor de Svb een noodzakelijk instrument om de rechtmatigheid van de bijstand te kunnen vaststellen. Voor zover een belanghebbende is verzocht medewerking te verlenen in het kader van onderzoek en inlichtingen te verstrekken om de rechtmatigheid van de bijstand vast te stellen, kan deze zich niet met een beroep op de waarborgen van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden aan zijn inlichtingenverplichting onttrekken.

4.7.

Anders dan de rechtbank is de Raad echter van oordeel dat de weigering van appellant ter zitting van de rechtbank medewerking te verlenen aan een vervolgonderzoek niet ten grondslag kan worden gelegd aan het in stand laten van de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit voor zover dat ziet op de intrekking van de AIO-aanvulling met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2010. Immers de rechtbank heeft overwogen dat de onderzoeksbevindingen onvoldoende feitelijke grondslag bieden voor de conclusie dat appellant eigenaar is van een woning in Marokko, bij welk oordeel de Svb zich heeft neergelegd. Aan dit gebrek kan niet worden voorbijgegaan omdat appellant ter zitting van de rechtbank uitdrukkelijk te kennen heeft gegeven zijn medewerking te weigeren aan een aanvullend onderzoek. De weigering van appellant om medewerking te verlenen maakt immers niet dat voldoende feitelijke grondslag is voor de conclusie dat appellant eigenaar is van een woning in Marokko. In zoverre slaagt de grond van appellant. In het kader van finale geschilbeslechting, gelet op 4.5 en 4.6, en gelet op het feit dat als gevolg van de schending van de medewerkingsverplichting het recht op AIO-aanvulling niet kan worden vastgesteld, bestaat wel aanleiding de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand te laten met ingang van de datum van de zitting van de rechtbank, te weten 24 november 2016, nu appellant ter zitting expliciet te kennen heeft gegeven geen medewerking te zullen verlenen.

4.8.

Uit 4.7 volgt dat het hoger beroep van appellant slaagt. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand zijn gelaten. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad zelf in de zaak voorzien door de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand te laten vanaf 24 november 2016. Verder zal de Raad uit oogpunt van finale geschilbeslechting, en gelet op de lange duur van het onderzoek, het besluit van 6 maart 2015 herroepen voor zover het de intrekking over de periode 1 januari 2010 tot 24 november 2016 betreft.

4.9.

Het verzoek van appellant om een veroordeling tot het vergoeden van schade in de vorm van wettelijke rente over de AIO-aanvulling die alsnog zal worden betaald, komt voor toewijzing in aanmerking. De wettelijke rente moet worden berekend overeenkomstig de uitspraak van de Raad van 25 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV1958.

5. Aanleiding bestaat de Svb te veroordelen in de kosten van appellant. Deze worden begroot op € 1.002,- in bezwaar en € 1.002,- in hoger beroep, in totaal € 2.004,-, voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het
vernietigde besluit van 31 mei 2016 in stand zijn gelaten;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 31 mei 2016 in stand blijven
vanaf 24 november 2016;
- herroept het besluit van 6 maart 2015 voor zover het de intrekking over de periode
1 januari 2010 tot 24 november 2016 betreft en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats
treedt van het vernietigde besluit van 31 mei 2016;
- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade in de vorm van wettelijke rente
over de na te betalen AIO-aanvulling over de periode van 6 maart 2015 tot 24 november
2016 toe;
- veroordeelt de Svb in de kosten van appellant tot een bedrag van € 2.004,-;
- bepaalt dat de Svb aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 124,-
vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en A.M. Overbeeke en

P.W. van Straalen als leden, in tegenwoordigheid van F. Dinleyici als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 oktober 2018.

(getekend) A.B.J. van der Ham

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

MD