Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:3438

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-10-2018
Datum publicatie
05-11-2018
Zaaknummer
18/3298 PW-PV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toepassing kostendelersnorm bij (niet gemelde) inwoning van broer en zus. Herziening over de periode vanaf april 2016.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 3298 PW-PV, 18/4575 PW-VV-PV

Datum uitspraak: 8 oktober 2018

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak met toepassing van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 3 mei 2018, 17/6391 (aangevallen uitspraak) en op het verzoek om een voorlopige voorziening

Partijen:

[verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)

het college van burgemeester en wethouders van Capelle aan den IJssel (college)

Zitting heeft: J.N.A. Bootsma

Griffier: J. Smolders

Ter zitting zijn verschenen: verzoeker, bijgestaan door [naam zus] , zijn zus, tevens gemachtigde en [naam moeder] , zijn moeder. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door M. Cavlak, N.D. Fritz.

BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen af;

Dit betekent dat de herziening over de periode van 1 april 2016 tot 1 juni 2017, de terugvordering van € 6.845,18 en de toepassing van de kostendelersnorm per 1 juni 2017 terecht zijn.

Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen:

1. Verzoeker, die vanaf 2 maart 2011 bijstand ontving naar de norm voor een alleenstaande, heeft op 9 juni 2017 verklaard dat zijn moeder en zijn zus vanaf 1 april 2016 noodgedwongen tijdelijk bij hem verblijven omdat zij geen eigen woning meer hebben. Dit verblijf blijkt ook uit waarnemingen van het college, de bevindingen van een huisbezoek op 7 juni 2017 dat met toestemming van verzoeker is afgelegd en het bijna verdubbelde waterverbruik van 60 m³ in 2016 tot 113m³ in 2017. Gelet op de duur van het verblijf en de concrete feiten en omstandigheden is geen sprake van logeren, maar hebben de zus en de moeder van verzoeker hun hoofdverblijf in zijn woning.

2. Het klopt dat geen sprake is van het voeren van een gezamenlijke huishouding als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de Participatiewet (PW), maar de zus en de moeder van verzoeker zijn wel kostendelende medebewoners die in zijn woning hun hoofdverblijf hebben. Zij zijn ouder dan 21 jaar en vallen niet onder de uitzonderingen die zijn genoemd in artikel 19a van de PW. Verzoeker heeft dus twee kostendelende medebewoners, zodat op hem niet de alleenstaande norm zonder kostendelende medebewoners van artikel 21 van de PW van toepassing is, maar de kostendelersnorm van artikel 22a van de PW.

3. De voorzieningenrechter begrijpt dat dit voor verzoeker, zijn moeder en zijn zus een moeilijke situatie is. Voor de toepassing van de kostendelersnorm maakt het alleen niet uit waarom medebewoners er wonen, of zij inkomen hebben en de kosten ook feitelijk delen. Ook maakt het niet uit dat de moeder van verzoeker een AOW-pensioen heeft en dat voor háár pensioen de kostendelersnorm niet geldt.

4. Wel heeft het college na de anonieme tip lang gewacht met het doen van onderzoek. Dat maakt het oordeel alleen niet anders, omdat verzoeker op de eerste plaats zelf een wijziging in zijn omstandigheden bij het college had moeten melden.

5. Verzoeker heeft niet voldaan aan zijn inlichtingenplicht door niet aan het college te melden dat zijn zus en moeder bij hem verblijven. Daardoor heeft hij meer bijstand ontvangen dan waarop hij recht had en het college was op grond van de Participatiewet verplicht om de bijstand te herzien en terug te vorderen.

6. Verzoeker heeft nog een beroep gedaan op een brief van 22 augustus 2017 en een e-mail van 21 augustus 2017 die naar hij stelt afkomstig zijn van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Uit de brief en e-mail blijkt dat verzoeker in zijn situatie recht heeft op bijstand naar de norm voor een alleenstaande. De gemachtigde van verzoeker heeft erkend dat de tekst van haar afkomstig is. Alleen al daarom gaat de Raad aan deze informatie voorbij, die inhoudelijk ook niet juist is. Daarom kan verzoeker aan deze brief en e-mail geen rechten ontlenen.

7. Het hoger beroep slaagt niet. Er is geen reden om een voorlopige voorziening te treffen, zodat het verzoek daartoe zal worden afgewezen.

8. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

Waarvan proces-verbaal.

De griffier De voorzitter

(getekend) J. Smolders (getekend) J.N.A. Bootsma

MD