Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:3421

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-10-2018
Datum publicatie
05-11-2018
Zaaknummer
17/1391 PW-PV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Mondelinge uitspraak
Proces-verbaal
Inhoudsindicatie

Toekenning bijstand in de vorm van een lening krediethypotheek. Leningen worden alleen meegenomen voor zover deze op de woning drukken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 1391 PW-PV

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 29 december 2016, 16/4065 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college)

Datum uitspraak: 16 oktober 2018

Zitting heeft: W.F. Claessens als voorzitter

Griffier: Y. Itkal

Partijen zijn, met bericht, niet verschenen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen:

Bij de door appellant bestreden en door de rechtbank in stand gelaten besluitvorming heeft het college appellant met ingang van 29 september 2015 bijstand verleend in de vorm van een lening in verband met de eigen woning van appellant. Het college heeft aan deze bijstandsverlening de verplichting verbonden dat appellant meewerkt aan het vestigen van een krediethypotheek op de lening en heeft het maximumbedrag van de geldlening vastgesteld op € 6.619,-. Bij deze vaststelling is geen rekening gehouden met een vordering van € 9.832,33 die het college op appellant heeft. Dit betreft de terugvordering van eerder verleende bijstand op de grond dat appellant zich niet had gehouden aan de verplichting mee te werken aan het vestigen van een krediethypotheek.

Anders dan appellant heeft aangevoerd, levert het opleggen van de hiervoor bedoelde verplichting geen strijd op met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, waarin het eigendomsrecht is gewaarborgd. Voor zover hier al sprake zou zijn van een inmenging in een eigendomsrecht, heeft appellant niet beargumenteerd en is ook geenszins gebleken waarom deze inmenging ongerechtvaardigd zou zijn.

Verder heeft appellant, evenals in beroep, als enige beroepsgrond nog aangevoerd dat het college ten onrechte geen rekening heeft gehouden met zijn schuld aan het college van € 9.832,33. Wanneer het college wel rekening had gehouden met deze schuld, zou appellant recht op bijstand om niet hebben gehad.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Volgens vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de door de rechtbank genoemde uitspraak van 10 september 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1705, en ook de uitspraak van 15 september 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3173) worden bij de bepaling van het bedrag van de bijstand in de vorm van een geldlening alleen schulden betrokken die op de woning drukken. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de door appellant bedoelde schuld die het college op hem heeft niet een zodanige schuld is. Vergelijk in dit verband de uitspraak van 25 april 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1632.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

Waarvan proces-verbaal.

De griffier De voorzitter

(getekend) Y. Itkal (getekend) W.F. Claessens

sg