Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:3407

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-10-2018
Datum publicatie
01-11-2018
Zaaknummer
16/2784 ZW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2016:1780, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

ZW-uitkering terecht beëindigd. Het volgen van het oordeel van de door de Raad geraadpleegde deskundige betekent in dit geval dat ervan wordt uitgegaan dat de FML een juist beeld geeft van de beperkingen van appellante en haar mogelijkheden om arbeid te verrichten. De geschiktheid voor de geselecteerde voorbeeldfuncties is in de arbeidskundige rapporten afdoende toegelicht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/2784 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 14 maart 2016, 15/7360 ZW (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 31 oktober 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. B.I. van Dijk-van Vugt, advocaat, hoger beroep ingesteld en medische en arbeidskundige rapporten ingezonden.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

De Raad heeft L. Greveling-Fockens, arts arbeid en gezondheid - verzekeringsarts, als deskundige benoemd teneinde van verslag en advies te dienen. De deskundige heeft op 4 mei 2018 een rapport uitgebracht.

Partijen hebben hun zienswijze op het rapport van de deskundige naar voren gebracht. Daarop is door de deskundige gereageerd.

Onder toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante was werkzaam als koerier voor gemiddeld 27,25 uur per week, toen zij zich op 4 december 2013 voor dit werk ziek meldde met whiplashklachten. Haar dienstverband is op 31 december 2014 geëindigd. Het Uwv heeft appellante in aanmerking gebracht voor ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW).

1.2.

In het kader van een eerstejaars ZW-beoordeling (EZWb) heeft een verzekeringsarts appellante op 30 april 2015 gezien. Deze arts heeft appellante belastbaar geacht met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 19 mei 2015. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellante niet in staat is haar eigen werk te verrichten, vervolgens vijf functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen berekend dat appellante meer dan 65% van haar zogeheten maatmaninkomen zou kunnen verdienen. Het Uwv heeft bij besluit van 3 juni 2015 vastgesteld dat appellante met ingang van 4 juli 2015 geen recht meer heeft op ziekengeld, omdat zij meer dan 65% kan verdienen van het loon dat zij verdiende voordat zij ziek werd. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 6 oktober 2015 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante – samengevat – aangevoerd dat de artsen van het Uwv onzorgvuldig medisch onderzoek hebben verricht en dat haar beperkingen voor het verrichten van arbeid zijn onderschat. Appellante heeft zich op het standpunt gesteld dat zij met haar klachten en daardoor aanwezige beperkingen niet in staat is arbeid te verrichten. Ter motivering van haar standpunt heeft appellante diverse (medische) stukken in het geding gebracht.

3.2.

Het Uwv heeft onder verwijzing naar rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, waarin een reactie is gegeven op de door appellante ingediende stukken, bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 19aa, eerste lid, van de ZW heeft een verzekerde zonder werkgever, na 52 weken ongeschiktheid tot werken, recht op ziekengeld als hij nog steeds ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid en hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Op grond van artikel 19aa, vijfde lid, van de ZW wordt onder het maatmaninkomen verstaan hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan met arbeid gewoonlijk verdienen. Op grond van artikel 19ab, eerste en derde lid, van de ZW wordt het percentage van het maatmaninkomen dat de verzekerde kan verdienen, bedoeld in artikel 19aa van de ZW, vastgesteld op basis van een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek en wordt onder arbeid als bedoeld in artikel 19aa van de ZW verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe een verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden in staat is. Voor de beoordelingssystematiek waarmee de verdiencapaciteit na het eerste ziektejaar wordt bepaald, wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de huidige uitvoeringssystematiek van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, waarbij aan de hand van geschikte functies wordt vastgesteld of de betrokkene beschikt over resterende verdiencapaciteit (zie de uitspraak van de Raad van 30 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4920). Op grond van artikel 19aa, tweede lid, van de ZW bestaat recht op ziekengeld tot een maand na de dag waarop de verzekerde in staat is om meer dan 65% van het maatmaninkomen per uur te verdienen.

4.2.

Gelet op de standpunten van partijen, waaruit verschil van inzicht blijkt over de uit de klachten van appellante voortvloeiende beperkingen, en gelet op de rapporten van bedrijfsarts T. den Daas, waarop appellante zich beroept, en de rapporten van de verzekeringsartsen, waarop het Uwv zich beroept, is aanleiding gezien voor benoeming van de deskundige.

4.3.

De deskundige heeft op basis van alle beschikbare medische gegevens en eigen onderzoek gerapporteerd. Zij is tot de conclusie gekomen dat op de datum in geding, 4 juli 2015, bij appellante sprake was van posttraumatische pijnklachten en functionele beperkingen na een waarschijnlijk flexie‑extensietrauma van de nek, amblyopie van het linkeroog en doofheid van het linkeroor. Omdat uit een neuropsychologisch onderzoek van 23 mei 2017 blijkt dat dit geen betrouwbaar en valide beeld geeft van het cognitief functioneren van appellante en het verslag van een neurologische expertise door neuroloog P.J. Timmerhuis van 16 mei 2017 aantoont dat de neurologische bevindingen inconsistent zijn en niet goed te verklaren vanuit een cervicaal traumatisch letsel, heeft de deskundige geen aanleiding gezien om Den Daas te volgen in zijn redenering dat de gevonden afwijkingen moeten leiden tot (meer) beperkingen in de FML. Ook overigens heeft de deskundige geen aanleiding gezien om appellante op fysiek of psychisch gebied meer beperkt te achten dan de artsen van het Uwv hebben gedaan. Over het aspect urenbeperking heeft de deskundige opgemerkt dat er geen reden is, noch energetisch noch preventief noch vanwege een medisch voorgeschreven behandeling, om te veronderstellen dat appellante niet 40 uur per week passende arbeid kan verrichten.

4.4.

Als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde, deskundige volgt, indien de door deze deskundige gebezigde motivering hem overtuigend voorkomt. Deze situatie doet zich hier voor. Het rapport van de deskundige geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek. Alle beschikbare gegevens van de behandelaars van appellante zijn bij de beoordeling betrokken en het rapport is inzichtelijk en consistent. De deskundige heeft een duidelijk antwoord gegeven op de haar gestelde vragen. Geconfronteerd met de reactie van Den Daas op haar rapport heeft de deskundige haar standpunt gemotiveerd gehandhaafd. Het volgen van het oordeel van de deskundige betekent in dit geval dat ervan wordt uitgegaan dat de FML van 19 mei 2015 een juist beeld geeft van de beperkingen van appellante en haar mogelijkheden om arbeid te verrichten.

4.5.

Uitgaande van de juistheid van de FML wordt de rechtbank gevolgd in haar oordeel dat appellante in staat moet worden geacht de werkzaamheden te verrichten die zijn verbonden aan de door de arbeidsdeskundigen van het Uwv geselecteerde voorbeeldfuncties waarvan de geschiktheid voor appellante in de arbeidskundige rapporten afdoende toegelicht.

4.6.

Gelet op wat in 4.2 tot en met 4.5 is overwogen slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe als voorzitter, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 oktober 2018.

(getekend) M. Greebe

(getekend) R.L. Rijnen

IJ