Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:340

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-01-2018
Datum publicatie
07-02-2018
Zaaknummer
16/6824 AWBZ
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2016:7214, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appellant heeft bij verantwoording pgb over de jaren 2013 en 2014 niet voldaan aan verplichtingen Rsa. Zorgkantoor was bevoegd om de pgb’s lager vast te stellen. Met juistheid heeft de rechtbank geoordeeld dat omstandigheden van appellant niet maken dat Zorgkantoor niet in redelijkheid tot de door hem gemaakte belangenafweging heeft kunnen komen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 6824 AWBZ, 16/6825 AWBZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 23 september 2016, 15/6158 en 16/2878 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

Zilveren Kruis Zorgkantoor N.V. als rechtsopvolger van Achmea Zorgkantoor N.V. (Zorgkantoor)

Datum uitspraak: 31 januari 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M. El Idrissi MA, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Zorgkantoor heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 november 2017. Namens appellant is verschenen mr. El Idrissi. Het Zorgkantoor heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. S. Gezer.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Het Zorgkantoor heeft aan appellant op grond van de Regeling subsidies AWBZ (Rsa) voor de jaren 2013 en 2014 een persoonsgebonden budget (pgb) verleend van € 21.984,55 (netto) onderscheidenlijk € 21.577,05 (netto) voor zorg op grond van het bepaalde bij en krachtens de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ).

1.2.

Bij besluit van 10 januari 2015, gehandhaafd na bezwaar bij besluit van 2 september 2015 (bestreden besluit 1), heeft het Zorgkantoor het pgb voor het jaar 2013 vastgesteld op nihil en een bedrag van € 21.984,55 van appellant teruggevorderd.

1.3.

Bij besluit van 30 september 2015, gehandhaafd na bezwaar bij besluit van 18 maart 2013 (lees: 2016) (bestreden besluit 2), heeft het Zorgkantoor het pgb voor het jaar 2014
– eveneens – vastgesteld op nihil en een bedrag van € 21.577,05 van appellant teruggevorderd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen van appellant tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat appellant niet (volledig) heeft voldaan aan de op hem ingevolge artikel 2.6.9 van de Rsa rustende verplichtingen, zodat het Zorgkantoor bevoegd was om zijn pgb lager vast te stellen. Volgens de rechtbank is niet gebleken van omstandigheden op grond waarvan het Zorgkantoor in redelijkheid gehouden was geheel of gedeeltelijk af te zien van gebruikmaking van deze bevoegdheid. Verder is volgens de rechtbank niet gebleken dat de terugvordering van het pgb onaanvaardbare financiële of sociale gevolgen voor appellant heeft, zodat het Zorgkantoor ook in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot terugvordering gebruik heeft kunnen maken.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant heeft aangevoerd dat hij het hem verleende pgb rechtmatig heeft gebruikt en heeft verantwoord. Hij heeft verschillende stukken aan het Zorgkantoor overgelegd waaruit de door hem genoten zorg blijkt. Volgens appellant vraagt het Zorgkantoor stukken van hem die niet noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de zorg. Verder heeft appellant aangevoerd dat hij erop mocht vertrouwen dat de verantwoording van zijn pgb zou worden goedgekeurd. Appellant verantwoordt al jarenlang, al sinds 2005 of 2006, zijn pgb op dezelfde wijze en deze verantwoording is steeds goedgekeurd. Daar komt bij dat appellant onvoldoende is ingelicht over de verplichtingen van het pgb en de in die verplichtingen aangebrachte wijzigingen als gevolg van gewijzigde wet- en regelgeving.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Ter zitting van de Raad is gebleken dat tussen partijen niet (langer) in geschil is dat appellant bij de verantwoording van de besteding van zijn pgb over de jaren 2013 en 2014 niet heeft voldaan aan de verplichtingen van artikel 2.6.9 van de Rsa. Dit betekent dat het Zorgkantoor op grond van artikel 4:46, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bevoegd was om de pgb’s van appellant voor die jaren lager vast te stellen dan de bij de verleningen bepaalde bedragen.

4.2.

Zoals de Raad eerder heeft overwogen (zie de uitspraak van de Raad van 1 mei 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9635), moet het Zorgkantoor de bevoegdheid om pgb’s lager vast te stellen, uitoefenen met inachtneming van het geschreven en het ongeschreven recht, daaronder begrepen de in artikel 3:4 van de Awb neergelegde verplichting tot evenredige belangenafweging.

4.3.

Met juistheid heeft de rechtbank geoordeeld dat de omstandigheden die appellant heeft aangevoerd niet maken dat moet worden geoordeeld dat het Zorgkantoor niet in redelijkheid tot de door hem gemaakte belangenafweging heeft kunnen komen. Het Zorgkantoor heeft appellant bij de verlening van de pgb’s voldoende geïnformeerd over de aan een pgb verbonden verplichtingen. Appellant heeft aan deze verplichtingen niet voldaan en heeft ook niet op andere wijze aannemelijk gemaakt dat de pgb’s zijn gebruikt voor betaling van door hem ontvangen zorg waarvoor de pgb’s bedoeld zijn. Appellant heeft een zorgovereenkomst en de aan de Belastingdienst toegezonden formulieren waarop hij heeft vermeld welke bedragen hij uit zijn pgb aan zijn zorgverlener heeft betaald overgelegd. Daarnaast heeft hij bankafschriften overgelegd, waarop (enkel) te zien is welke bedragen in totaal zijn bij- en afgeschreven. Het Zorgkantoor heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat uit deze stukken niet de conclusie kan worden getrokken dat appellant zijn zorgverlener daadwerkelijk heeft betaald voor door hem verleende zorg.

4.4.

Het betoog van appellant dat hij zijn pgb al jarenlang op dezelfde wijze verantwoordt en deze verantwoording steeds is goedgekeurd, slaagt niet. De door appellant afgelegde verantwoording over het jaar 2012 is na een intensieve controle – eveneens – in zijn geheel afgekeurd (zie de uitspraak van de Raad van 14 juni 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2074). In de daaraan voorafgaande jaren heeft slechts een globale controle van de afgelegde verantwoording plaatsgevonden. Appellant heeft er niet op kunnen vertrouwen dat een intensieve controle van de verantwoording tot dezelfde resultaten zou leiden (vergelijk de uitspraak van de Raad van 5 juli 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2379).

4.5.

Gelet op wat hiervoor is overwogen, heeft het Zorgkantoor aan appellant in 2013 en 2014 onverschuldigd € 21.984,55 onderscheidenlijk € 21.577,05 aan voorschotten betaald en was het tot terugvordering daarvan bevoegd. Appellant heeft geen omstandigheden aangevoerd op grond waarvan moet worden geoordeeld dat het Zorgkantoor niet in redelijkheid tot terugvordering heeft kunnen overgaan.

4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.J. de Mooij als voorzitter en M.F. Wagner en L.M. Tobé als leden, in tegenwoordigheid van N. Veenstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 januari 2018.

(getekend) H.J. de Mooij

(getekend) N. Veenstra

CVG