Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:3386

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-10-2018
Datum publicatie
31-10-2018
Zaaknummer
16/3083 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering uitkering op grond van hoofdstuk IV van de WW en een reguliere WW-uitkering. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij voor de B.V. werkzaam is geweest op basis van een privaatrechtelijke dienstbetrekking. Daarom was hij niet verzekerd voor de WW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 3083 WW, 17/1360 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Limburg van

5 april 2016, 16/29, en 30 december 2016, 16/1537 (aangevallen uitspraken)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 25 oktober 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A. Kara, advocaat, hoger beroepen ingesteld.

Het Uwv heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft gevoegd plaatsgevonden op 13 september 2018. Appellant, ambtshalve opgeroepen, is verschenen, bijgestaan door mr. Kara en [naam X] .

Het Uwv, eveneens ambtshalve opgeroepen, heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. M.J.H.H. Fuchs.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is vanaf 1 januari 2015 werkzaam geweest voor [naam B.V.] ( [naam B.V.] ) als manager operations op basis van een door appellant en [naam B.V.] als arbeidsovereenkomst benoemde overeenkomst voor onbepaalde tijd. Hierbij is een arbeidsduur van 39 uur per week overeengekomen en een salaris van € 1.550,- bruto per maand. [naam B.V.] was een reisorganisatie, opgericht door [naam X] , de vader van appellant, die reizen verzorgde vanaf vliegveld [vliegveld] naar [plaats] in [land] . Op 11 augustus 2015 is [naam B.V.] in staat van faillissement verklaard. Bij brief van 12 augustus 2015 heeft de curator de tussen appellant en [naam B.V.] gesloten arbeidsovereenkomst opgezegd.

1.2.

Appellant heeft bij het Uwv een aanvraag ingediend om overname van betalingsverplichtingen op grond van hoofdstuk IV van de Werkloosheidswet (WW) en daarnaast een reguliere WW-uitkering aangevraagd.

1.3.

Bij besluiten van 26 oktober 2015 en 14 december 2015 heeft het Uwv geweigerd appellant in aanmerking te brengen voor een uitkering op grond van hoofdstuk IV van de WW en een reguliere WW-uitkering, omdat appellant niet als werknemer verzekerd is voor de WW. Volgens het Uwv kan appellant niet als werknemer worden beschouwd, omdat geen sprake was van een gezagsverhouding tussen appellant en [naam B.V.] .

1.4.

Bij besluiten van 22 december 2015 en 22 april 2016 (bestreden besluiten) heeft het Uwv de bezwaren van appellant tegen de besluiten van 26 oktober 2015 en 14 december 2015 ongegrond verklaard. Aan de bestreden besluiten heeft het Uwv ten grondslag gelegd dat de arbeidsverhouding tussen appellant en [naam B.V.] werd overheerst door de familierelatie en dat appellant daarom niet in een privaatrechtelijke dienstbetrekking heeft gestaan tot [naam B.V.] .

2. Bij de aangevallen uitspraken heeft de rechtbank de beroepen van appellant tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende aannemelijk geworden dat er tussen appellant en [naam B.V.] sprake is (geweest) van reëel werkgeversgezag.

2.1.

De rechtbank heeft daarbij voorop gesteld dat geen doorslaggevende betekenis toekomt aan de omstandigheid dat appellant formeel in dienst was bij de rechtspersoon [naam B.V.] en niet bij zijn vader [naam X] als natuurlijk persoon en directeur-grootaandeelhouder (dga) van [naam B.V.] . De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat sprake was van een eenmans-BV en dat er naast [naam X] geen andere bestuurders waren van [naam B.V.] . Dit maakt dat [naam B.V.] als werkgever vereenzelvigd kan worden met [naam X] .

2.2.

Hoewel volgens de rechtbank niet gezegd kan worden dat appellant in het geheel niet aan enig gezag was onderworpen van zijn werkgever/vader, was appellant niet werkzaam onder omstandigheden als waaronder een vergelijkbare werknemer zonder familiebetrekking werkzaam zou zijn geweest. Hiertoe heeft de rechtbank met name redengevend geacht dat [naam B.V.] was gevestigd en kantoor hield in de (toenmalige) huurwoning van appellant. De omstandigheid dat appellant huurder en bewoner was van het pand en heeft toegestaan dat de kantoorruimte blijkens de overgelegde gebruikersovereenkomst werd gebruikt voor de bedrijfsvoering van [naam B.V.] , maakt dat de werkgever (in de persoon van [naam X] ) afhankelijk was van appellant om toegang te verkrijgen tot die kantoorruimte. Dit klemt temeer nu de woning ook tijdens ziekte en/of verlof van appellant als kantoorruimte in gebruik was dan wel diende te blijven. Gesteld noch gebleken is dat de ruimte waarin de bedrijfsvoering plaatsvond (apart) als zelfstandige eenheid toegankelijk was, zonder dat daarbij ook ruimtes dienden te worden betreden die appellant privé bewoonde. De rechtbank heeft hierbij nog van belang geacht dat appellant niet alleen zelf maar dat ook zijn vader in de woning werkzaam was, mede omdat zich daar alle administratie van [naam B.V.] bevond. Verder heeft de rechtbank het niet voor de hand liggend geacht dat appellant genoegen heeft genomen met een minimumsalaris en dat overwerk niet werd betaald. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv bij zijn standpuntbepaling ook mogen meewegen dat appellant en zijn vader tegenover de curator hebben verklaard dat zij het bedrijf ‘samen runden’ en dat uit die verklaring kan worden afgeleid dat sprake was van een wederzijdse afhankelijkheid die niet gebruikelijk is voor een normale werkgever-werknemersrelatie.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat beide zaken bij de rechtbank ten onrechte door dezelfde rechter zijn behandeld. Aangezien appellant in de uitspraak van de rechtbank van 5 april 2016 (16/29) in het ongelijk was gesteld en het in de andere zaak (16/1537) over vrijwel dezelfde rechtsvraag ging, kan volgens appellant geen sprake zijn van een onpartijdige rechter en had deze rechter de tweede zaak niet in behandeling mogen nemen.

3.2.

Appellant heeft in hoger beroep zijn standpunt gehandhaafd dat tussen hem en [naam B.V.] wel sprake is geweest van een privaatrechtelijke dienstbetrekking. Appellant kan zich niet verenigen met het oordeel van de rechtbank dat zijn vader vereenzelvigd zou kunnen worden met [naam B.V.] als werkgever. Volgens appellant stond hij wel in een gezagsverhouding tot [naam B.V.] . Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant gewezen op de ‘Huisregels m.b.t. de operatie [naam B.V.] ’ gedateerd op 2 januari 2015, waaruit blijkt dat appellant voor financiële toezeggingen aan klanten toestemming nodig had van [naam X] . Ook heeft appellant een e-mail van 8 juli 2015 overgelegd waarin hij zijn vader vraagt hem toestemming te geven een gedupeerde reiziger financieel te compenseren. Voorts heeft appellant benadrukt dat tegenwoordig veel meer werknemers vanuit huis werken en dat de verklaring van de curator dat appellant en zijn vader zouden hebben verklaard dat zij het bedrijf ‘samen runden’ niet juist is.

3.3.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraken bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het is vaste rechtspraak van de Raad dat de onpartijdigheid van een rechter niet al te lijden heeft door de omstandigheid dat die rechter eerder uitspraak heeft gedaan in een zaak waarin een betrokkene partij was en daarbij in het ongelijk is gesteld (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 13 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4809). Er bestaat ook overigens geen enkele aanleiding om te twijfelen aan de onafhankelijkheid van de rechter die uitspraak heeft gedaan in de zaak bij de rechtbank die heeft geleid tot de uitspraak van

30 december 2016 (16/1537). De beroepsgrond dat de betreffende rechter die zaak niet had mogen behandelen omdat zij niet onpartijdig was, slaagt dan ook niet.

4.2.

Het geschil betreft de vraag of appellant werknemer was in de zin van de artikelen 3 en 61 van de WW. Hiertoe is vereist dat hij in een privaatrechtelijke dienstbetrekking stond tot een werkgever. Naar vaste rechtspraak moet voor het aannemen van een privaatrechtelijke dienstbetrekking sprake zijn van een verplichting tot het persoonlijk verrichten van arbeid, een gezagsverhouding, en een verplichting tot het betalen van loon (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 15 april 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ1785). Daarbij moet acht worden geslagen op alle omstandigheden van het geval, in onderling verband bezien en dienen niet alleen de rechten en verplichtingen in aanmerking te worden genomen die partijen bij het aangaan van de rechtsverhouding voor ogen stonden, maar moet ook acht worden geslagen op de wijze waarop partijen uitvoering hebben gegeven aan hun rechtsverhouding en aldus daaraan inhoud hebben gegeven. Daarbij is niet één enkel element beslissend, maar moeten de verschillende rechtsgevolgen die partijen aan hun verhouding hebben verbonden in hun onderling verband worden bezien (zie onder meer de uitspraak van de Hoge Raad van

25 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP3887 en van 17 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU8926).

4.3.

Tussen partijen is niet in geschil dat sprake was van een verplichting tot het persoonlijk verrichten van arbeid en een verplichting tot het betalen van loon. Zij zijn verdeeld over de vraag of sprake was van een gezagsverhouding.

4.4.

Anders dan in het verleden (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 7 december 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU7413) neemt de Raad niet langer tot uitgangspunt dat het bestaan van een privaatrechtelijke dienstbetrekking tussen ouder en kind in de regel niet aannemelijk is wegens het gewoonlijk ontbreken van de vereiste gezagsverhouding. Niet kan in zijn algemeenheid worden verondersteld dat daarvan in een arbeidsrelatie tussen ouder en kind geen sprake kan zijn. Dit dient in een concreet geval met inachtneming van alle voor het wel of niet aannemen van gezag relevante omstandigheden te worden beoordeeld. Ook bij een dergelijke arbeidsverhouding geldt als maatstaf voor de vraag of sprake is van een gezagsverhouding, of gezegd kan worden dat degene die arbeid verricht aan een zeker gezag is onderworpen van de wederpartij en dat laatstgenoemde bevoegd is opdrachten en instructies te geven en om controle uit te oefenen op de voortgang en resultaten van het werk. De familierelatie is wel een element dat mede betrokken dient te worden in de beoordeling, zoals onder 4.2 is weergegeven (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 28 april 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1759).

4.5.

Nu appellant aanvragen heeft ingediend om in aanmerking te komen voor een uitkering op grond van hoofdstuk IV van de WW en een reguliere WW-uitkering, ligt het in beginsel op zijn weg om aan de hand van objectieve en controleerbare gegevens aannemelijk te maken dat hij recht op uitkering heeft. Dit brengt mee dat appellant aannemelijk dient te maken dat een privaatrechtelijke dienstbetrekking bestond tussen appellant en [naam B.V.] (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 5 april 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1305).

4.6.

De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat in het onderhavige geval geen doorslaggevend gewicht toekomt aan de omstandigheid dat appellant formeel in dienst was bij de rechtspersoon [naam B.V.] en niet bij zijn vader [naam X] als natuurlijk persoon en dga van [naam B.V.] . Het gegeven dat [naam X] enig bestuurder en dga was van de B.V. maakt dat [naam B.V.] vereenzelvigd kan worden met [naam X] . Dit betekent dat het in 4.4 vermelde uitgangspunt ook in het onderhavige geval van toepassing is.

4.7.

Uit de door appellant en [naam B.V.] getekende arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd kan worden afgeleid dat zij hebben beoogd om een privaatrechtelijke dienstbetrekking aan te gaan. Appellant is in die overeenkomst aangeduid als ‘werknemer’ en [naam B.V.] als ‘werkgever’, appellant trad met ingang van 1 januari 2015 ‘in dienst’ van [naam B.V.] , er werd een brutoloon overeengekomen, appellant had recht op 8% vakantietoeslag en 24 vakantiedagen per jaar waarbij hij ‘conform de cao’ extra vakantiedagen kon opnemen en appellant had bij ziekte recht op doorbetaling van 100% van zijn loon, gedurende de eerste 12 maanden na het intreden van zijn ziekte.

4.8.

Met betrekking tot de wijze waarop appellant en [naam B.V.] uitvoering hebben gegeven aan deze overeenkomst en aldus daaraan inhoud hebben gegeven, heeft appellant niet of nauwelijks feiten en omstandigheden aangedragen waaruit blijkt van enig werkgeversgezag. Appellant heeft, overigens pas in hoger beroep, de ‘Huisregels m.b.t. de operatie [naam B.V.] ’ overgelegd waarin staat vermeld dat appellant in het contact met klanten slechts financiële toezeggingen mag doen na ruggespraak met [naam X] . Daarnaast heeft appellant in hoger beroep één e-mail van 8 juli 2015 in geding gebracht, waarbij appellant aan zijn vader toestemming vraagt een gedupeerde klant een financiële compensatie te geven. Appellant heeft niet toegelicht, ook niet ter zitting, dat zijn vader bevoegd was om hem opdrachten of aanwijzingen te geven of om controle uit te oefenen op de voortgang en de resultaten van zijn werk. Hij heeft ook geen concrete voorbeelden genoemd van situaties waaruit blijkt dat hij in de praktijk opdrachten of aanwijzingen van zijn vader ontving of dat zijn werk door zijn vader werd gecontroleerd. Appellant heeft slechts in algemene zin uiteengezet hoe de taakverdeling tussen hem en zijn vader was.

4.9.

De rechtbank heeft terecht overwogen dat niet kan worden gezegd dat appellant werkzaam was onder omstandigheden als waaronder een vergelijkbare werknemer zonder familiebetrekking werkzaam zou zijn geweest. Hierbij is met name van belang dat [naam B.V.] was gevestigd en kantoor hield in de (toenmalige) huurwoning van appellant. Op basis van een tussen appellant en [naam B.V.] gesloten gebruikersovereenkomst ontving appellant hiervoor een vergoeding van € 250,- per maand. Appellant en zijn vader verrichtten hun werkzaamheden vanuit een niet afsluitbaar gedeelte van de woonkamer van appellant. Ook de administratie van [naam B.V.] bevond zich in de woning van appellant. De vader van appellant had geen sleutel van de betreffende woning. De omstandigheid dat de woning van appellant werd gebruikt voor de bedrijfsvoering van [naam B.V.] , maakte dat de vader van appellant voor de toegang tot zijn bedrijf en zijn administratie afhankelijk was van zijn zoon. Daarnaast is van belang dat appellant, blijkens zijn verklaring van 15 oktober 2015 tegenover een toezichthouder van het Uwv, heeft verklaard dat hij overwerk niet bijhield en ook niet declareerde bij [naam B.V.] , ofschoon hij volgens zijn arbeidsovereenkomst wel recht had op compensatie van overwerk en het, mede gelet op zijn salaris, ook voor de hand had gelegen dat hij overwerk bij [naam B.V.] zou hebben gedeclareerd. Ook is het niet gebruikelijk voor een werknemer om, zoals in het geval van appellant op advies van de accountant van [naam B.V.] was gerealiseerd, één aandeel te hebben in de besloten vennootschap.

4.10.

Uit wat in 4.1 tot en met 4.9 is overwogen volgt dat er tussen appellant en [naam B.V.] weliswaar een als arbeidsovereenkomst benoemde overeenkomst was gesloten, maar dat in de praktijk niet of nauwelijks sprake was van werkgeversgezag. Bovendien was appellant werkzaam onder omstandigheden die niet gebruikelijk zijn voor een vergelijkbare werknemer zonder familierechtelijke betrekking. Hieruit volgt dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij voor [naam B.V.] werkzaam is geweest op basis van een privaatrechtelijke dienstbetrekking. Daarom was hij niet verzekerd voor de WW. De aangevallen uitspraken zullen daarom worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat gen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen als voorzitter en S. Wijna en R.P.T. Elshoff als leden, in tegenwoordigheid van J.R. Trox als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 oktober 2018.

(getekend) J.P.M. Zeijen

(getekend) J.R. Trox

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over werknemer, werkgever, dienstbetrekking en loon.

TM