Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:338

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-01-2018
Datum publicatie
07-02-2018
Zaaknummer
16/4637 WMO15
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de overwegingen waarop dat oordeel berust. Anders dan appellant aanvoert, blijkt niet dat hij bij gebruik van hulpmiddelen onvoldoende zelfredzaam is. Ook uit stukken over de Wlz-procedure blijkt niet dat appellant begeleiding nodig heeft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 4637 WMO15

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van

6 juni 2016, 15/4995 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Heemskerk (college)

Datum uitspraak: 31 januari 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.A.E. Bol, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 november 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Bol. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. M. van der Fluit en M.J. Wölcken.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant is bekend met diverse aandoeningen als gevolg waarvan hij – onder meer – last heeft van duizeligheid en valgevaarlijk is.

1.2.

Appellant heeft op 19 maart 2015 bij het college een aanvraag ingediend voor begeleiding op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015). Appellant stelt dat hij door het valgevaar begeleiding in de vorm van toezicht van zijn echtgenote nodig heeft.

1.3.

Bij besluit van 23 juni 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 2 oktober 2015 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag van appellant afgewezen. Hierbij heeft het college, onder verwijzing naar een sociaal medisch advies van 15 juni 2015 van de arts B.W. Evertse van Treve Advies, zich op het standpunt gesteld dat begeleiding in het geval van appellant niet wenselijk en niet noodzakelijk is. Met gebruik van hulpmiddelen, zoals een rollator, kan appellant zelfstandiger functioneren. Ook kan appellant oefenen met een ergotherapeut om zijn zelfstandigheid te vergroten.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het college het bestreden besluit heeft mogen baseren op het advies van 15 juni 2015 van Evertse. Niet gebleken is dat dit advies wat de wijze van totstandkoming of de inhoud betreft niet deugdelijk zou zijn. Wat appellant daartegen heeft aangevoerd, heeft de rechtbank niet tot een ander oordeel geleid. De door appellant overgelegde rapporten van zijn fysiotherapeut en zijn ergotherapeut zijn niet in tegenspraak met het advies van Evertse. De fysiotherapeut en de ergotherapeut bevestigen het standpunt van Evertse dat appellant zijn valgevaar kan verkleinen door hulpmiddelen als een rollator of een trippelstoel te gebruiken. Voorts stelt de ergotherapeut dat het voor appellant vanwege zijn valgevaar een geruststelling kan zijn wanneer zijn echtgenote in de buurt is, maar dat zij de stelling dat appellant zonder zijn echtgenote niet kan functioneren niet onderschrijft. Appellant wordt in staat geacht zelfstandig te functioneren en gebruik te maken van alternatieven voor de aanwezigheid van zijn echtgenote, zoals alarmering.

3.1.

Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft aangevoerd dat uit de informatie van de ergotherapeut blijkt dat het gebruik van hulpmiddelen niet kan voorkomen dat hij valt en dat zijn zelfredzaamheid niet wordt vergroot door meer gebruik te maken van hulpmiddelen. Appellant kan door het valgevaar en de onmogelijkheid hulp in te schakelen als hij valt niet zonder de aanwezigheid van zijn echtgenote functioneren. Volgens appellant is daarom begeleiding op grond van de Wmo 2015 aangewezen. Ter onderbouwing van zijn standpunt en om een zo volledig mogelijk beeld te geven van zijn beperkingen, heeft appellant de stukken die betrekking hebben op de procedure op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) overgelegd.

3.2.

Het college heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de overwegingen waarop dat oordeel berust. De Raad voegt hier het volgende aan toe.

4.2.

Appellant heeft in hoger beroep herhaald wat hij bij de rechtbank heeft aangevoerd. Anders dan appellant aanvoert, blijkt niet uit de rapporten van de ergotherapeut en de fysiotherapeut dat hij bij gebruik van hulpmiddelen onvoldoende zelfredzaam is. In de in hoger beroep overgelegde stukken over de Wlz-procedure heeft de Raad geen steun gevonden om tot een ander oordeel te komen dan waartoe de rechtbank is gekomen. Daargelaten dat de stukken (vrijwel) geen informatie bevatten over de toestand van appellant in de periode van 19 maart 2015 tot 2 oktober 2015, die nu in geding is, blijkt ook uit deze stukken niet dat appellant begeleiding nodig heeft.

4.3.

Uit 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.J. de Mooij als voorzitter en M.F. Wagner en L.M. Tobé als leden, in tegenwoordigheid van N. Veenstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 januari 2018.

(getekend) H.J. de Mooij

(getekend) N. Veenstra

TM