Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:3350

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-10-2018
Datum publicatie
26-10-2018
Zaaknummer
17/6796 AWBZ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugvordering niet verantwoord pgb.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 6796 AWBZ

Datum uitspraak: 24 oktober 2018

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 29 augustus 2017, 16/3555 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

Zilveren Kruis Zorgkantoor N.V. (zorgkantoor)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.G. Wiebes, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het zorgkantoor heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 september 2018. Appellant en mr. Wiebes zijn niet verschenen. Het zorgkantoor heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S. Gezer.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Het zorgkantoor heeft aan appellant op grond van de Regeling subsidies AWBZ (Rsa) voor het jaar 2012 een persoonsgebonden budget (pgb) verleend van € 5.745,10.

1.2.

Bij besluit van 21 mei 2014 heeft het zorgkantoor het pgb van appellant voor het jaar 2012 vastgesteld op € 3.200,00 en een bedrag van € 2.545,10 van appellant teruggevorderd. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 21 mei 2014.

1.3.

Het zorgkantoor heeft bij besluit van 17 juni 2016 (bestreden besluit) het bezwaar ongegrond verklaard. Daarbij heeft het zorgkantoor zich op het standpunt gesteld dat appellant niet heeft voldaan aan de aan het pgb verbonden administratieve verplichtingen. Na een belangenafweging heeft het zorgkantoor geen aanleiding gezien af te zien van zijn bevoegdheid tot het lager vaststellen van het pgb omdat onvoldoende aannemelijk is gemaakt welke zorg is geleverd, tegen welk tarief en of de verleende zorg daadwerkelijk is betaald. Het zorgkantoor heeft ook geen aanleiding gezien om van terugvordering af te zien. Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld bij de rechtbank.

2. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank het volgende overwogen. Tussen partijen is niet in geschil dat appellant de administratieve verplichtingen van artikel 2.6.9, eerste lid, van de Rsa niet is nagekomen. Ook is niet in geschil dat een deel van de verleende zorg niet als zorg op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) kan worden aangemerkt. Het zorgkantoor was daarom bevoegd het pgb lager vast te stellen dan het bij verlening bepaalde bedrag. Het zorgkantoor heeft vervolgens in redelijkheid tot de door hem gemaakte belangenafweging kunnen komen. Weliswaar kan een deel van de door Ten Hove en PGB-Groep verleende zorg worden aangemerkt als zorg die voor vergoeding vanuit het pgb in aanmerking komt, maar appellant heeft met de door hem overgelegde stukken niet aannemelijk gemaakt dat de zorg ook daadwerkelijk vanuit het pgb betaald is. Uit de jaarstukken van Ten Hove kan niet worden afgeleid dat deze bij zijn belastingaangifte inkomsten uit het pgb van appellant heeft opgegeven en de bankafschriften en de zorgovereenkomst met PGB-Groep bevatten onvoldoende gegevens. Het ontbreken van nadere bewijsmiddelen komt voor rekening en risico van appellant. De besteding van het pgb is immers de eigen verantwoordelijkheid van de verzekerde, ook als deze het beheer ervan (mede) door een derde laat verrichten. De door appellant aangevoerde kwetsbare fysieke en geestelijke toestand leidt niet tot een ander oordeel. Niet is gebleken dat appellant niet in staat kon worden geacht om – al dan niet met hulp van derden – zijn verplichtingen na te komen. De rechtbank heeft verder overwogen dat van strijd met het vertrouwensbeginsel geen sprake is. Tot slot heeft de rechtbank overwogen dat appellant geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die maken dat het zorgkantoor van terugvordering had moeten afzien. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat terugvordering zal leiden tot onaanvaardbare sociale of financiële gevolgen.

3. Appellant heeft in hoger beroep de aangevallen uitspraak gemotiveerd bestreden. De rechtbank miskent dat appellant door zijn psychische problematiek niet in staat kon worden geacht om de aan het pgb verbonden verplichtingen na te komen. Verder heeft appellant voldoende aannemelijk gemaakt dat een deel van het pgb daadwerkelijk is besteed aan zorg die is verleend door Ten Hove en PGB-Groep. Het ontbreken van nadere stukken had niet geheel voor zijn rekening en risico mogen worden gebracht. De rechtbank heeft het beroep op het vertrouwensbeginsel ten onrechte niet gehonoreerd. Vanwege zijn persoonlijke toestand is vertrouwen bij appellant snel gewekt en het was voor hem bovendien niet kenbaar dat het zorgkantoor de over een eerdere periode verantwoorde zorg enkel op basis van een globale controle heeft goedgekeurd. Ten slotte moet de terugvordering als onaanvaardbaar worden aangemerkt.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat appellant niet heeft voldaan aan de verplichtingen van artikel 2.6.9, eerste lid, van de Rsa. Het zorgkantoor was daarom bevoegd om het pgb lager vast te stellen dan het bij de verlening bepaalde bedrag.

4.2.

Uit vaste rechtspraak van de Raad (zie de uitspraak van 1 mei 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9635) vloeit voort dat bij die lagere vaststelling een belangenafweging moet worden gemaakt, die niet mag leiden tot een voor de budgethouder onevenredige uitkomst. Bij die afweging moet worden gekeken naar het belang van handhaving van de niet nagekomen verplichting(en) en de gevolgen van de verlaging voor de ontvanger, waarbij tevens de ernst van de tekortkoming en de mate waarin deze aan de ontvanger kan worden verweten van belang is. Ook is daarbij van belang of de verzekerde, ondanks dat door hem niet aan de gestelde verplichting(en) is voldaan, voldoende aannemelijk en inzichtelijk heeft gemaakt dat, en in welke omvang, ABWZ-zorg is verleend en dat deze zorg ook daadwerkelijk is betaald. Nu de bewijslast in deze op de verzekerde rust, draagt hij het bewijsrisico. Als door hem onvoldoende aannemelijk en inzichtelijk wordt gemaakt dat, en in welke omvang, AWBZ-zorg is verleend en betaald, dient zijn belang in beginsel te wijken voor het belang van handhaving van de niet nagekomen verplichting(en).

4.3.

Niet kan worden geoordeeld dat het zorgkantoor niet in redelijkheid tot de door hem gemaakte belangenafweging heeft kunnen komen. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat de verleende zorg daadwerkelijk vanuit het pgb is betaald. Het ontbreken van nadere bewijsmiddelen komt voor zijn rekening en risico. Niet is gebleken dat appellant wegens zijn psychische problematiek niet in staat was om zijn verplichtingen na te komen, al dan niet met behulp van derden. Verder is van een uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezegging dat de verantwoording over de periode van 1 januari 2012 tot en met 30 juni 2012 op dezelfde globale manier zou worden goedgekeurd als over de tweede helft van 2012 geen sprake. Het zorgkantoor heeft het belang van handhaving van de niet nagekomen verplichtingen dan ook kunnen laten prevaleren boven het belang van appellant.

4.4.

Nu het zorgkantoor in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot het lager vaststellen van het pgb gebruik heeft gemaakt, heeft het zorgkantoor aan appellant onverschuldigd een bedrag van € 2.545,10 aan voorschotten betaald. Het zorgkantoor is bevoegd tot terugvordering daarvan over te gaan. Appellant heeft geen omstandigheden aangevoerd op grond waarvan het zorgkantoor niet redelijkerwijs tot terugvordering heeft kunnen overgaan. Dat sprake zou zijn van een samenhang tussen financiële en sociale gevolgen die als onaanvaardbaar moet worden aangemerkt is door appellant niet nader onderbouwd.

4.5.

Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.J. Schaap als voorzitter en D.S. de Vries en J.P.A. Boersma als leden, in tegenwoordigheid van R.P.W. Jongbloed als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 oktober 2018.

(getekend) A.J. Schaap

(getekend) R.P.W. Jongbloed

TM