Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:3348

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-10-2018
Datum publicatie
26-10-2018
Zaaknummer
16/5823 WMO15
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Maatwerkvoorziening. Afwijzing verzoek voortzetting van de indicatie in de vorm van pgb. De beroepsgrond van appellante, zoals de Raad deze begrijpt, dat de zorg die haar ouders haar bieden niet kan worden aangemerkt als mantelzorg slaagt. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (zie de uitspraken van 11 januari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:17 en 24 januari 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:368) kan niet worden gesproken van mantelzorg als de zorg niet onbetaald vrijwillig geschiedt. De ouders van appellante hebben te kennen gegeven de zorg niet vrijwillig te verlenen, maar hiervoor een betaling te verlangen. Daarom is geen sprake van mantelzorg. Dit betekent dat het college ten onrechte aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd dat appellante de problemen die zij ondervindt bij zelfredzaamheid en participatie zelf kan verminderen of wegnemen door een beroep te doen op mantelzorg door haar ouders en dat zij daarom niet in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening. Hierbij is van belang dat niet in geschil is dat, voor zover al sprake is van gebruikelijke zorg door de ouders, deze in ieder geval niet aan de gehele hulpvraag van appellante tegemoet komt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 5823 WMO15

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

16 augustus 2016, 16/1453 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Pijnacker-Nootdorp (college)

Datum uitspraak: 24 oktober 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. dr. M.F. Vermaat, advocaat, hoger beroep ingesteld en een nader stuk ingediend.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 november 2017. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. dr. Vermaat. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. A.M.T. van Leeuwen en mr. D. Poldermans. Het onderzoek ter zitting is geschorst om partijen in de gelegenheid te stellen nader te overleggen.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting is hervat op 28 maart 2018. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. dr. Vermaat. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door S. van Belzen en mr. Poldermans.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante, geboren in 1994, is bekend met spastische bilaterale cerebrale parese. Zij heeft spasticiteit (een verhoogde spierspanning) en een verminderde kracht in haar ledematen. Ook heeft zij een afwijkend bewegingspatroon. Appellante woont samen met haar ouders en haar broer. CIZ heeft appellante, laatstelijk tot 16 februari 2015, op grond van het bepaalde bij en krachtens de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) geïndiceerd voor de zorgfunctie begeleiding individueel. Aan appellante is daarvoor een persoonsgebonden budget (pgb) verleend. De ouders van appellante hebben de zorg geboden en appellante heeft hen hiervoor betaald uit het pgb.

1.2.

Appellante heeft op 30 januari 2015 een Wmo-meldingsformulier ingediend bij de gemeente met het verzoek om voortzetting van de indicatie voor begeleiding in de vorm van een pgb. Naar aanleiding hiervan heeft op 25 februari 2015 een huisbezoek plaatsgevonden. Het college heeft vervolgens de aanvraag om een maatwerkvoorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) in behandeling genomen.

1.3.

Het college heeft de aanvraag bij besluit van 7 april 2015 afgewezen. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

1.4.

Bij besluit van 15 januari 2016 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar ongegrond verklaard. Het college heeft hieraan ten grondslag gelegd dat ongeacht in hoeverre de noodzakelijke ondersteuning en zorg verder gaat dan gebruikelijke hulp en ongeacht of in alle gevallen sprake is van beperkingen in de zelfredzaamheid en participatie, appellante met behulp van de voor haar beschikbare mantelzorg haar beperkingen in zelfredzaamheid en participatie kan verminderen en wegnemen. Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld bij de rechtbank.

2. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank, samengevat, overwogen dat appellante met behulp van de voor haar beschikbare gebruikelijke hulp en mantelzorg van haar ouders haar beperkingen in zelfredzaamheid en participatie vermindert of wegneemt. Daarbij is niet relevant in hoeverre de geboden ondersteuning en hulp verder gaat dan wat als gebruikelijke hulp is aan te merken, omdat ook eigen kracht, mantelzorg en hulp van anderen in aanmerking moeten worden genomen. De door haar ouders geboden hulp en zorg vallen daar niet buiten. Niet is gebleken dat de ouders van appellante dusdanig zwaar belast worden dat dat als onevenredig moet worden aangemerkt. Het college heeft de aanvraag van appellante terecht afgewezen.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd en heeft daartoe het volgende aangevoerd. De ouders van appellante verlenen haar mantelzorg. Dit betekent dat de zorg die appellante behoeft tot de bovengebruikelijke hulp behoort. Mantelzorg en gebruikelijke hulp zijn elkaar uitsluitende begrippen. De rechtbank heeft dit miskend. Het college en de rechtbank hebben verder ten onrechte niet in acht genomen dat mantelzorg vrijwillig van aard is. Nu sprake is van bovengebruikelijke hulp, die in beginsel niet vrijwillig door de familieleden wordt geleverd, moet een maatwerkvoorziening worden verstrekt. Appellante heeft in dit verband verwezen naar een door haar overgelegde verklaring van haar ouders van 7 september 2016 en naar de uitspraken van de Raad van 25 november 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:4317), 11 januari 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:17) en 22 februari 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:885). Appellante heeft tevens verzocht om schadevergoeding, bestaande uit wettelijke rente.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1.

Artikel 1.1.1, eerste lid, van de Wmo 2015 definieert

begeleiding als: activiteiten gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie van de cliënt opdat hij zo lang mogelijk in zijn eigen leefomgeving kan blijven;

mantelzorg als: hulp ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen, opvang, jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien van jeugdigen en zorg en overige diensten als bedoeld in de Zorgverzekeringswet, die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen personen bestaande sociale relatie en die niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep;

participatie als: deelnemen aan het maatschappelijke verkeer.

4.1.2.

Artikel 1.2.1, aanhef en onder a, van de Wmo 2015 bepaalt dat een ingezetene van Nederland overeenkomstig de bepalingen van deze wet in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening, bestaande uit, door het college van de gemeente waarvan hij ingezetene is, te verstrekken ondersteuning van zijn zelfredzaamheid en participatie, voor zover hij in verband met een beperking, chronische psychische of psychosociale problemen niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met behulp van andere personen uit zijn sociale netwerk voldoende zelfredzaam is of in staat is tot participatie.

4.1.3.

Artikel 2.3.1 van de Wmo 2015 bepaalt dat het college er voor zorgdraagt dat aan personen die daarvoor in aanmerking komen een maatwerkvoorziening wordt verstrekt.

4.1.4.

Artikel 2.3.2, eerste lid, van de Wmo 2015 bepaalt, voor zover van belang, dat indien bij het college melding wordt gedaan van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning, het college, in samenspraak met degene door of namens wie de melding is gedaan en waar mogelijk met de mantelzorger of mantelzorgers dan wel diens vertegenwoordiger, zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen zes weken, een onderzoek uitvoert overeenkomstig het tweede tot het achtste lid.

Op grond van artikel 2.3.2, vierde lid, van de Wmo 2015 onderzoekt het college, voor zover hier van belang:

a. de behoeften, persoonskenmerken en de voorkeuren van de cliënt;

b. de mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te verbeteren;

c. de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie.

4.1.5.

Artikel 2.3.5, derde lid, van de Wmo 2015 bepaalt dat het college beslist tot verstrekking van een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de cliënt ondervindt, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 2.3.2 bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven.

4.1.6.

Artikel 2.3.6, eerste lid, van de Wmo 2015 bepaalt dat indien de cliënt dit wenst, het college hem een persoonsgebonden budget verstrekt dat de cliënt in staat stelt de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, van derden te betrekken.

4.2.

De beroepsgrond van appellante, zoals de Raad deze begrijpt, dat de zorg die haar ouders haar bieden niet kan worden aangemerkt als mantelzorg slaagt. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (zie de uitspraken van 11 januari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:17 en 24 januari 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:368) kan niet worden gesproken van mantelzorg als de zorg niet onbetaald vrijwillig geschiedt. De ouders van appellante hebben te kennen gegeven de zorg niet vrijwillig te verlenen, maar hiervoor een betaling te verlangen. Daarom is geen sprake van mantelzorg. Dit betekent dat het college ten onrechte aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd dat appellante de problemen die zij ondervindt bij zelfredzaamheid en participatie zelf kan verminderen of wegnemen door een beroep te doen op mantelzorg door haar ouders en dat zij daarom niet in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening. Hierbij is van belang dat niet in geschil is dat, voor zover al sprake is van gebruikelijke zorg door de ouders, deze in ieder geval niet aan de gehele hulpvraag van appellante tegemoet komt. De rechtbank heeft dit niet onderkend. De Raad zal dan ook de aangevallen uitspraak vernietigen. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaren en dat besluit vernietigen.

4.3.

Met het oog op de definitieve beslechting van het geschil zal de Raad onderzoeken welke aanspraken appellante aan de Wmo 2015 kan ontlenen.

4.4.

Partijen zijn tijdens dit geding overeengekomen dat aan appellante een maatwerkvoorziening individuele begeleiding wordt verstrekt voor 90 minuten per week in de vorm van een pgb voor het klaar- en terugzetten van de rolstoel, al dan niet met smartdrive/handbike, het aan de rolstoel hangen van de (school)tas, het begeleiden bij bezoek aan medisch hulpverleners, het bieden van praktische ondersteuning bij schoolwerk, het ondersteunen bij de administratie, het begeleiden bij aanvragen om voorzieningen en het begeleiden bij het doen van aankopen. Onderdeel van deze bereikte overeenstemming is dat de maatwerkvoorziening wordt verstrekt met terugwerkende kracht vanaf de datum van de aanvraag. Nu uit het dossier geen eenduidige aanvraagdatum blijkt, dient naar het oordeel van de Raad te worden aangesloten bij de datum van het huisbezoek, te weten 25 februari 2015.

4.5.

Het voorgaande betekent dat tussen partijen enkel nog in geschil is of de te verstrekken maatwerkvoorziening individuele begeleiding ook begeleiding bij het paardrijden moet omvatten en of een door het college te verstrekken pgb gebaseerd op het tarief voor een zorgverlener uit het sociale netwerk/niet-professioneel zorgverlener, zijnde het bedrag van het wettelijk minimumuurloon toereikend is.

4.6.1.

De Raad is van oordeel dat sportbeoefening een maatschappelijke activiteit betreft en daarmee onder het begrip ‘participatie’ in de zin van de Wmo 2015 valt. De Raad wijst hierbij op de geschiedenis van de totstandkoming van de Wmo 2015. De memorie van toelichting (Kamerstukken II 2013-2014, 33 841, nr. 3, p. 123) vermeldt: “(…) Bij <<participatie>> gaat het om deelnemen aan het maatschappelijke verkeer, dit wil zeggen dat iemand, ondanks zijn lichamelijke of geestelijke beperkingen, op gelijke voet met anderen in redelijke mate mensen kan ontmoeten, contacten kan onderhouden, boodschappen kan doen en aan maatschappelijke activiteiten kan deelnemen (…)”.

4.6.2.

In het geval van appellante vormt haar sportbeoefening het ‘in redelijke mate’ deelnemen aan een maatschappelijke activiteit. Appellante heeft toegelicht dat paardrijden de enige sport is die zij beoefent en dat zij dit al vele jaren doet. Verder blijkt uit de door appellante overgelegde verklaring van revalidatiearts dr. W.M.A. van der Slot dat paardrijden voor iemand met appellantes aandoening positieve effecten kan hebben en dat gezien de ernst van spastische bilaterale cerebrale parese het aantal sporten waaraan iemand, ook appellante, kan deelnemen beperkt is. Dit betekent dat aan appellante in beginsel een maatwerkvoorziening zou kunnen worden verstrekt waarbij rekening wordt gehouden met de begeleiding die zij nodig heeft bij het paardrijden.

4.6.3.

Ter zitting heeft appellante toegelicht dat zij slechts met hulp van meerdere personen in staat is om haar paard te bestijgen. Appellante heeft echter onvoldoende aannemelijk gemaakt dat deze hulp enkel kan worden geboden door een eigen uit het pgb te betalen begeleider, in de praktijk haar vader en dat de door haar ondervonden beperking niet kan worden weggenomen met bijvoorbeeld de hulp van de op de manege aanwezige vrijwilligers en haar rij-instructrice. Dit betekent dat het college in dit geval bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening geen rekening hoeft te houden met de begeleiding bij het paardrijden.

4.7.

Over de hoogte van het te verstrekken pgb heeft het college ter zitting verklaard dat is gekozen voor het laagste bedrag binnen de gehanteerde bandbreedte, het wettelijk minimumuurloon, omdat de hulp wordt geboden vanuit het sociale netwerk en geen speciale deskundigheid vereist is. Appellante heeft niet onderbouwd waarom in dit geval hiervan niet mag worden uitgegaan.

4.8.

De Raad zal zelf in de zaak voorzien als bedoeld in artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht. Uit wat is overwogen onder 4.4 tot en met 4.7 volgt dat appellante met ingang van 25 februari 2015 recht heeft op een maatwerkvoorziening individuele begeleiding voor 90 minuten per week in de vorm van een pgb gebaseerd op het tarief voor een zorgverlener uit het sociale netwerk/niet-professioneel zorgverlener ter hoogte van het wettelijk minimumuurloon. Uit het vorenstaande volgt dat het verzoek van appellante om veroordeling van het college tot vergoeding van geleden schade in de vorm van wettelijke rente over het na te betalen pgb voor toewijzing vatbaar is.

5. Aanleiding bestaat om het college te veroordelen in de kosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 1.002,- in bezwaar, € 1.002,- in beroep en € 1.252,50 in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 15 januari 2016;

- herroept het besluit van 7 april 2015;

- verstrekt aan appellante met ingang van 25 februari 2015 een maatwerkvoorziening
individuele begeleiding voor 90 minuten per week in de vorm van een pgb gebaseerd op het
tarief voor een zorgverlener uit het sociale netwerk/niet-professioneel zorgverlener ter
hoogte van het wettelijk minimumuurloon en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt
van het vernietigde besluit;

- veroordeelt het college tot betaling aan appellante van een vergoeding van schade bestaande
uit de wettelijke rente over het aan appellante na te betalen pgb met toepassing van artikel
4:102, tweede lid van de Awb;

- veroordeelt het college in de kosten van appellante tot een bedrag van € 3.256,50;

- bepaalt dat het college aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht
van in totaal € 170,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. Schaap als voorzitter en M.F. Wagner en D.S. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van R.P.W. Jongbloed als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 oktober 2018.

(getekend) A.J. Schaap

(getekend) R.P.W. Jongbloed

ew