Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:3339

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-10-2018
Datum publicatie
30-10-2018
Zaaknummer
18/1693 AW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om toekenning van arrangement C. Gezien de duidelijke bewoordingen van genoemd artikel 3a van de Tijdelijke regeling, waarin uitsluitend wordt gesproken over eervol ontslag en niet over bijvoorbeeld een overplaatsing naar een andere functie binnen de sector Rijk, kon dit voor appellant ook redelijkerwijs duidelijk zijn. Geen beroep op het

gelijkheidsbeginsel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2018/514
TAR 2019/33
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 1693 AW

Datum uitspraak: 25 oktober 2018

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

12 februari 2018, 17/178 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Minister van Justitie en Veiligheid (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B.C. Schmidt hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 september 2018. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Schmidt. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. F.A.M. Wuijts en B. Rekker.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was sinds 14 september 1987 werkzaam in een substantieel bezwarende functie (SB-functie). In 2001 is hij aangesteld in algemene dienst van het Rijk.

1.2.

Op 2 december 2015 heeft de minister besloten om zijn functie van teamleider beveiliging per 31 december 2015 op te heffen in verband met de sluiting van de Penitentiaire Inrichting (P.I.) Amsterdam Over-Amstel per 1 januari 2016. Daarbij is meegedeeld dat appellant per diezelfde datum verplicht Van Werk Naar Werk-kandidaat (VWNW-kandidaat) zal worden.

1.3.

Bij brief van 24 december 2015 is aan appellant meegedeeld dat hij per

31 december 2015 verplicht VWNW-kandidaat is en formeel onder de Administratieve Organisatie VWNW (AO) valt, maar nog niet ontheven wordt uit zijn formele functie omdat de P.I. Amsterdam Over-Amstel nog tot 1 juni 2016 operationeel blijft en appellant nog een aantal maanden zal doorwerken.

1.4.

Op 4 april 2016 heeft appellant een verzoek ingediend om te worden overgeplaatst naar de [naam functie] bij de Rijksbeveiligingsorganisatie (RBO) van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Per 1 mei 2016 is appellant overgeplaatst naar deze functie, zijnde een niet SB-functie.

1.5.

Appellant heeft in mei 2016 een aanvraag gedaan om toekenning van arrangement C, betreffende een loopbaanpremie, van de Tijdelijke regeling overstap naar een niet SB-functie (Tijdelijke regeling). Bij besluit van 23 juni 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van

30 november 2016 (bestreden besluit), heeft de minister deze aanvraag afgewezen, omdat appellant niet voldoet aan een van de voorwaarden van artikel 3a van de Tijdelijke regeling. Aan appellant is immers niet binnen zes maanden na aanwijzing als verplichte

VWNW-kandidaat op eigen verzoek ontslag verleend.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank, samengevat, het volgende overwogen. Niet in geschil is dat appellant niet valt onder artikel 3a van de Tijdelijke regeling, nu aan hem als verplichte VWNW-kandidaat geen eervol ontslag is verleend. Gezien de duidelijke bewoordingen van genoemd artikel 3a, waarin uitsluitend wordt gesproken over eervol ontslag en niet over bijvoorbeeld een overplaatsing naar een andere functie binnen de sector Rijk, kon dit voor appellant ook redelijkerwijs duidelijk zijn. Er is ook niet gebleken van een toezegging, inhoudende dat hij in aanmerking komt voor arrangement C, die een beroep op het vertrouwensbeginsel zou doen slagen. Aan het enkele feit dat zijn toenmalige leidinggevende hem in de gelegenheid heeft gesteld de aanvraag in te dienen en die aanvraag mede heeft ondertekend, kon appellant niet het gerechtvaardigd vertrouwen ontlenen dat de aanvraag zou worden gehonoreerd.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Niet in geschil is dat de aanvraag van appellant niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 3a van de Tijdelijke regeling, nu geen sprake is van een ontslag als bedoeld in

artikel 94 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR).

4.2.

De vraag die voorligt is, of artikel 3a van de Tijdelijke regeling niet ruimer moet worden uitgelegd, zodat ook de administratieve overgang van een ambtenaar in algemene dienst van het Rijk wordt beschouwd als een eervol ontslag.

4.2.1.

Op grond van artikel 60 van het ARAR kan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties nadere regels stellen om ambtenaren die werkzaam zijn in een SB-functie te stimuleren na verloop van tijd de overstap te maken naar een niet SB-functie. Met de Tijdelijke regeling is hieraan uitvoering gegeven. Het doel van de Tijdelijke regeling is het stimuleren van uitstroom uit een SB-functie naar een tweede carrière in een niet SB-functie, om zo vroegtijdige uitstroom te verminderen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van

14 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:139).

4.2.2.

De Tijdelijke regeling is van toepassing op de ambtenaar, niet zijnde herplaatsingskandidaat, die is aangesteld in een SB-functie bij het Ministerie van Justitie en Veiligheid. Op grond van artikel 7, tweede lid, onder c, van de Tijdelijke regeling komt de ambtenaar in aanmerking voor een loopbaanpremie als hij ofwel een overstap maakt naar een andere functie, ofwel aan hem eervol ontslag is verleend op grond van artikel 94 van het ARAR.

4.2.3.

In de Regeling, houdende wijziging van de Tijdelijke regeling overstap naar een niet substantieel bezwarende functie van 22 december 2015 (Stcrt. 2015, nr. 46161) is artikel 3a aan de Tijdelijke regeling toegevoegd. Deze bepaling brengt verplichte VWNW-kandidaten, die tot dan toe waren uitgesloten van de Tijdelijke regeling, onder bepaalde voorwaarden onder de werking daarvan, voor zover het arrangement C betreft. Anders dan artikel 7,

tweede lid, spreekt artikel 3a enkel van een ontslag op grond van artikel 94 van het ARAR en niet tevens van een overstap naar een andere functie. In de toelichting staat dat artikel 3a is toegevoegd naar aanleiding van het akkoord dat op 24 juni 2014 is gesloten in het Sectoroverleg Rijk. Eén van de afspraken in dit akkoord is, dat de ambtenaar in een

SB-functie die verplicht VWNW-kandidaat wordt, in de eerste zes maanden als verplichte

VWNW-kandidaat nog gebruik kan maken van een voorziening analoog aan arrangement C van de Tijdelijke Regeling overstap naar een niet SB-functie, als aan hem eervol ontslag wordt verleend op grond van artikel 94 van het ARAR.

4.3.

Uit de volstrekt heldere tekst van artikel 3a van de Tijdelijke regeling kan niet anders worden afgeleid dan dat het de bedoeling van de regelgever en de strekking van de Tijdelijke regeling is dat de ambtenaar in een SB-functie, die verplicht VWNW-kandidaat is, aanspraak maakt op arrangement C indien aan hem in de eerste zes maanden als verplichte

VWNW-kandidaat eervol ontslag als bedoeld in artikel 94 van het ARAR wordt verleend. Daar komt bij dat de redactie van artikel 3a geheel overeenstemt met die van het onder 4.2.3 genoemde akkoord, dat de aanleiding vormde voor de invoering van artikel 3a. De Raad is aan de hand van de toelichting niet gebleken dat strikte uitleg en toepassing van artikel 3a van de Tijdelijke regeling in dit geval niet in overeenstemming zijn te achten met de bedoeling van de regelgever. Voor een andere of ruimere uitleg, zoals appellant voorstaat, bestaat geen grond.

4.4.

Het beroep op het gelijkheidsbeginsel kan niet slagen, reeds omdat het door appellant aangehaalde geval een vrijwillige VWNW-kandidaat en dus geen verplichte

VWNW-kandidaat betrof en daarmee geen gelijk geval is, zoals appellant ter zitting van de Raad ook heeft erkend.

5. Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend als voorzitter en K.J. Kraan en H. Lagas als leden, in tegenwoordigheid van F. Demiroğlu als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 oktober 2018.

(getekend) B.J. Griend

(getekend) F. Demiroğlu

MD