Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:3329

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-10-2018
Datum publicatie
30-10-2018
Zaaknummer
18/1553 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Subsidieaanvraag van betrokkene ten onrechte niet ingewilligd. Het Uwv heeft ten onrechte art. 4:25, lid 2, Awb aan de weigering van de scholingsvoucher ten grondslag gelegd. Een andere grondslag voor de gemaakte schatting van het subsidieplafond heeft het Uwv ter zitting niet kunnen geven. Het subsidiaire standpunt van het Uwv, dat ook als bij de aanvraag van de subsidie geen rekening zou zijn gehouden met de daadwerkelijk nog te slagen bezwaar- en beroepszaken, appellant nog steeds niet voor een subsidie in aanmerking zou zijn gekomen, wordt evenmin gevolgd, reeds omdat op grond van de thans beschikbare gegevens moet worden vastgesteld dat het subsidieplafond nog steeds niet is bereikt. Het bestreden besluit is genomen in strijd met art. 4:25, Awb, zodat het beroep van betrokkene tegen bestreden besluit 2 slaagt. Het Uwv zal worden opgedragen om met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2018/497
JB 2018/211
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 1553 WW, 18/1554 WW, 18/2281 WW

Datum uitspraak: 18 oktober 2018

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak in verband met de hoger beroepen tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 13 september 2017, 17/1915 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen namens de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (Uwv)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Het Uwv heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. F. Güner, een verweerschrift ingediend en incidenteel hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend in verband met het incidenteel hoger beroep.

Het Uwv heeft op 8 februari 2018 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen, waarop betrokkene heeft gereageerd.

Het Uwv nadere stukken ingediend en vragen van de Raad beantwoord. Betrokkene heeft eveneens nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft gevoegd met de zaak 18/657 plaatsgehad op 26 juli 2018, waar betrokkene en mr. Güner zijn verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. dr. J.H. Ermers. Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst.

OVERWEGINGEN

1.1.

Betrokkene heeft op 11 januari 2017, door het Uwv ontvangen op 12 januari 2017, een scholingsvoucher (ook wel: subsidie) op grond van de Tijdelijke regeling subsidie scholing richting een kansberoep (Regeling) aangevraagd. In de aanvraag heeft appellant vermeld dat hij de opleiding Masterclass Riskmanagement, Compliance & Governance wil volgen. De kosten daarvan bedragen € 3.165,90.

1.2.

Bij besluit van 14 februari 2017 heeft het Uwv de aanvraag van betrokkene afgewezen, op de grond dat hij niet behoort tot de doelgroep van de Regeling, aangezien betrokkene geen WW-uitkering ontvangt, geen arbeidsovereenkomst heeft en ook niet werkt als zelfstandige. Op 1 maart 2017 heeft het Uwv het besluit naar het juiste adres van betrokkene gezonden.

1.3.

Bij beslissing op bezwaar van 10 maart 2017 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 14 februari 2017 ongegrond verklaard. Aan bestreden besluit 1 ligt ten grondslag dat betrokkene op het moment van de ontvangst van de aanvraag niet tot de doelgroep van de Regeling behoorde.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen bestreden besluit 1 gegrond verklaard, bestreden besluit 1 vernietigd en het Uwv opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen.

3.1.

Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft het Uwv vervolgens het besluit van 8 februari 2018 (bestreden besluit 2) genomen. Bij bestreden besluit 2 heeft het Uwv het bezwaar van betrokkene wederom ongegrond verklaard. Aan bestreden besluit 2 ligt ten grondslag dat betrokkene op 3 maart 2017 weliswaar alsnog voldeed aan de voorwaarden om voor een scholingsvoucher in aanmerking te komen, maar dat het subsidieplafond op 10 februari 2017 is bereikt, zodat de subsidieaanvraag van betrokkene niet kon worden ingewilligd. Volgens het Uwv is de subsidie dan ook met toepassing van artikel 4:25, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) terecht afgewezen.

3.2.

In hoger beroep heeft het Uwv zich primair op het standpunt gesteld dat hij met toepassing van dit artikellid is uitgegaan van een redelijke schatting wanneer het subsidieplafond was bereikt. Over deze schatting heeft het Uwv gesteld, zoals nader ter zitting gecorrigeerd en toegelicht, dat voor alle aanvragen die uiterlijk op 10 februari 2017 waren ingediend een budget resteerde van € 0,29 miljoen. Gelet op het aantal bezwaarzaken is besloten aanvragen die na 10 februari 2017 zijn binnengekomen, af te wijzen. Inmiddels was gebleken dat een derde van de bezwaarzaken leidt tot een herroeping van het afwijzingsbesluit en tot toekenning van een scholingsvoucher. Gelet op het aantal bezwaarzaken op 10 februari 2017 was de inschatting juist dat met de uitkomst van procedures in bezwaar en beroep een bedrag van bijna € 0,4 miljoen zou zijn gemoeid. Ter zitting heeft het Uwv verder nog toegelicht dat tot september 2017 nog een groot bedrag aan subsidies is uitgegeven en dat toen nog ongeveer een bedrag van € 20.000,- over was. Mede als gevolg van het feit dat betrokkenen in het laatste kwartaal van 2017 spontaan subsidies zijn gaan terugbetalen, is achteraf gebleken dat er op 31 december 2017 nog een budget van € 107.349,01 resteerde. De omstandigheid dat er uiteindelijk sprake is geweest van een onderbesteding is volgens het Uwv mede hierdoor te verklaren. Subsidiair heeft het Uwv zich op het standpunt gesteld dat ook als aan de vaststelling of het subsidieplafond is bereikt geen schatting ten grondslag mag worden gelegd, de aanvraag appellant niet kan worden ingewilligd. Als de aanvragen die zijn ontvangen op 13 en 14 februari 2017 zouden zijn ingewilligd, zou het subsidieplafond op

15 februari 2017 zeker zijn bereikt.

3.3.

In reactie op bestreden besluit 2 heeft betrokkene zich op het standpunt gesteld dat het Uwv niet inzichtelijk heeft gemaakt dat en wanneer het subsidieplafond is bereikt. Volgens betrokkene heeft het Uwv bij de inwilliging van de subsidieaanvragen ook gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel en het verbod van willekeur, nu onder meer is gebleken dat het Uwv in ieder geval 119 aanvragen heeft gehonoreerd die na 10 februari 2017 zijn ingediend.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ter zitting heeft het Uwv het hoger beroep (geregisteerd onder zaaknummer 18/1554 WW) ingetrokken en heeft betrokkene het incidenteel hoger beroep (geregistreerd onder zaaknummer 18/1553 WW) ingetrokken. Bestreden besluit 2 (geregistreerd onder zaaknummer 18/2281 WW) wordt, gelet op de artikelen 6:19 en 6:24 van de Awb, mede in de beoordeling betrokken. Dit betekent dat slechts het beroep van betrokkene tegen bestreden besluit 2 ter beoordeling voorligt.

4.2.

De volgende bepalingen, zoals deze golden ten tijde hier in geding, zijn van belang.

Op grond van artikel 4:16, tweede lid, van de Awb wordt bij de bekendmaking van het subsidieplafond de wijze van verdeling vermeld.

In artikel 4:22 van de Awb is bepaald dat onder subsidieplafond wordt verstaan het bedrag dat gedurende een bepaald tijdvak ten hoogste beschikbaar is voor de verstrekking van subsidies krachtens een bepaald wettelijk voorschrift.

Op grond van artikel 4:25, tweede lid, van de Awb wordt een subsidie geweigerd voor zover door verstrekking van de subsidie het subsidieplafond zou worden overschreden.

Op grond van artikel 11, tweede lid, van de Regeling bedraagt voor (…) rechthebbenden het subsidieplafond voor de periode vanaf de datum van inwerkingtreding van deze regeling tot en met 31 december 2017 € 36.000.000,-.

Op grond van artikel 12, eerste lid, van de Regeling, worden voor het bepalen van het bereiken van het subsidieplafond de subsidieaanvragen op volgorde van binnenkomst behandeld, waarbij alleen volledige subsidieaanvragen in behandeling worden genomen.

Op grond van artikel 12, tweede lid, van de Regeling geldt, wanneer de subsidieaanvrager op grond van artikel 4:5 van de Awb de gelegenheid heeft gehad zijn aanvraag aan te vullen, als datum van binnenkomst de datum van ontvangst van de volledige aanvraag.

Op grond van artikel 12, derde lid, van de Regeling wordt, indien subsidievaststelling op grond van de subsidieaanvragen die op dezelfde datum zijn binnengekomen leidt tot overschrijding van het van toepassing zijnde subsidieplafond, indien de volgorde van binnenkomst van die aanvragen niet kan worden vastgesteld, in afwijking van het eerste lid, met betrekking tot die aanvragen de volgorde door loting vastgesteld.

4.3.

Het Uwv heeft in april 2017 geconcludeerd dat het op grond van de Regeling beschikbare budget onvoldoende zou zijn om alle subsidieaanvragen, die op of na 13 februari 2017 zijn ontvangen, toe te kennen en heeft ervoor gekozen om al die aanvragen wegens overschrijding van het subsidieplafond af te wijzen. Het in april 2017 nog beschikbare budget heeft het Uwv gereserveerd voor de nog af te handelen bezwaar- en beroepzaken. Gelet op het aantal bezwaar- en beroepszaken en het aantal te verwachten geslaagde bezwaren en beroepen zou volgens het Uwv het subsidieplafond worden bereikt.

4.4.

Allereerst ligt voor de vraag of het Uwv de subsidie mocht weigeren met toepassing van artikel 4:25, tweede lid, van de Awb door zich te baseren op een schatting wanneer het subsidieplafond zou worden bereikt.

4.5.

Uit artikel 4:25, tweede lid, van de Awb volgt dat een subsidie wordt geweigerd voor zover door verstrekking van de subsidie het subsidieplafond zou worden overschreden. Deze bepaling biedt niet de mogelijkheid om subsidieaanvragen definitief af te wijzen op grond van een schatting wanneer dat subsidieplafond zal worden overschreden. Dit betekent dat het Uwv dit artikellid ten onrechte aan de weigering van de scholingsvoucher ten grondslag heeft gelegd. Een andere grondslag voor de gemaakte schatting van het subsidieplafond heeft het Uwv ter zitting niet kunnen geven.

4.6.

Het subsidiaire standpunt van het Uwv, dat ook als bij de aanvraag van de subsidie geen rekening zou zijn gehouden met de daadwerkelijk nog te slagen bezwaar- en beroepszaken, appellant nog steeds niet voor een subsidie in aanmerking zou zijn gekomen, wordt evenmin gevolgd, reeds omdat op grond van de thans beschikbare gegevens moet worden vastgesteld dat het subsidieplafond nog steeds niet is bereikt. In dit geding is een andere situatie aan de orde dan die in de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

(zie onder meer de uitspraken van 26 september 2001, ECLI:NL:RVS:2001:AD4360, 5 juni 2002, ECLI:NL:RVS:2002:AE3643 en 20 augustus 2003, ECLI:NL:RVS:2003:AI1204), waarnaar het Uwv heeft verwezen.

4.7.

Wat in 4.5 en 4.6 is overwogen, leidt ertoe dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 4:25 van de Awb, zodat het beroep van betrokkene tegen bestreden besluit 2 slaagt. Het Uwv zal worden opgedragen om met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen. Met het oog op een voortvarende afdoening van het geschil bestaat aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen de nieuwe beslissing op bezwaar slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.

5. Aanleiding bestaat, mede gelet op artikel 8:118 van de Awb, het Uwv te veroordelen in de kosten van betrokkene voor in hoger beroep verleende rechtsbijstand. Deze kosten worden begroot op € 1.252,50.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    verklaart het beroep tegen het besluit van 8 februari 2018 gegrond;

  • -

    bepaalt dat het Uwv een nieuwe beslissing op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    bepaalt dat tegen de nieuwe beslissing op bezwaar slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld;

  • -

    veroordeelt het Uwv in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 1.252,50.

Deze uitspraak is gedaan door C.C.W. Lange als voorzitter en H.G. Rottier en

G.A.J. van den Hurk als leden, in tegenwoordigheid van G.D. Alting Siberg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 oktober 2018.

(getekend) C.C.W. Lange

(getekend) G.D. Alting Siberg

MD