Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:3310

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-10-2018
Datum publicatie
25-10-2018
Zaaknummer
16/3658 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het verzoek van appellant om terug te komen van het besluit van 3 februari 2006 is door Uwv terecht afgewezen. De rechtbank heeft op goede gronden geoordeeld dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de klachten niet zijn toegenomen binnen vijf jaar, voor 3 april 2011.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 3658 WAO, 17/5771 WAO

Datum uitspraak: 24 oktober 2018

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraken op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Amsterdam van 25 april 2016, 15/7668 (aangevallen uitspraak 1) en van 3 augustus 2017, 17/832 (aangevallen uitspraak 2)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. D. Gürses, advocaat, hoger beroepen ingesteld.

Het Uwv heeft verweerschriften ingediend.

De onderzoeken ter zitting hebben plaatsgevonden op 12 september 2018. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Gürses. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Anandbahadoer.

OVERWEGINGEN

1.1.

Bij besluit van 3 februari 2006 heeft het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) met ingang van 3 april 2006 van 80 tot 100% herzien naar 15 tot 25%. Appellant heeft destijds tevergeefs rechtsmiddelen aangewend tegen deze herziening. Bij uitspraak van de Raad van 31 december 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BG9801, is deze herziening in rechte vast komen te staan.

1.2.

Bij besluit van 24 april 2015 heeft het Uwv een verzoek van appellant van 20 april 2015 om herziening van de WAO-uitkering, vier weken na toename van arbeidsongeschiktheid, afgewezen omdat er niet wordt voldaan aan het vereiste dat binnen vijf jaar na de herziening de arbeidsongeschiktheid moet zijn toegenomen.

1.3.

Bij beslissing op bezwaar van 20 oktober 2015 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 24 april 2015 ongegrond verklaard.

1.4.

Bij besluit van 16 augustus 2016 heeft het Uwv het verzoek van appellant terug te komen van het besluit van 3 februari 2006, afgewezen. Volgens de verzekeringsarts van het Uwv heeft appellant geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat er sprake is van nieuwe feiten en/of omstandigheden die voorheen niet bekend waren en ook niet bekend konden zijn.

1.5.

Bij beslissing op bezwaar van 20 januari 2017 (bestreden besluit 2) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 16 augustus 2016 ongegrond verklaard.

2.1.

Bij aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat niet is gebleken dat de toename van de arbeidsongeschiktheid is ingetreden binnen vijf jaar na 3 april 2006 (dus voor 3 april 2011).

2.2.

Bij aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat niet is gebleken dat de rugklachten destijds bekend waren en dat appellant deze klachten had kunnen aanvoeren in de procedure over het besluit van 3 februari 2006.

3.1.

Appellant heeft in beide zaken in hoger beroep aangevoerd dat de herziening in 2006 evident onjuist is omdat onvoldoende beperkingen zijn vastgesteld doordat het Uwv niet op de hoogte was van medische informatie – die wel voorhanden was bij de behandelaars – maar die het Uwv destijds niet heeft opgevraagd, dan wel dat zijn klachten daarna zijn toegenomen en de mate van arbeidsongeschiktheid moet worden verhoogd. De huidige klachten hebben hun oorsprong in het verleden en zijn destijds niet erkend door het Uwv en hij is tussen 2006 en 2011 continu behandeld voor zijn klachten. Zijn toenmalige advocaat heeft destijds zijn werk niet goed gedaan.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraken bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Als eerste zal het verzoek van appellant om terug te komen van het besluit van 3 februari 2006 worden beoordeeld.

4.2.

Zoals ook door de rechtbank in overwegingen 7 en 8 van aangevallen uitspraak 2 is weergegeven is er sprake van een beoordeling op grond van artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Dit betekent dat de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als het bestreden besluit die toets doorstaat, kan de bestuursrechter niettemin aan de hand van de beroepsgronden tot het oordeel komen dat het bestreden besluit evident onredelijk is, verwezen wordt naar de uitspraak van de Raad van 27 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:5115.

4.3.

Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd.

4.4.

In zijn verzoek van 11 juli 2016 heeft appellant aangevoerd dat er destijds ten onrechte geen lichamelijke beperkingen zijn vastgesteld, terwijl evident was dat hij rugklachten had. Daarnaast zijn volgens appellant destijds onvoldoende beperkingen vastgesteld voor zijn mentale klachten. Appellant heeft zijn verzoek ondersteund met een verslag van orthopeed J.A.M. Bramer van 19 juni 2008, een huisartsenjournaal over de periode van 4 september 2006 tot en met 30 maart 2015 en verslagen van fysiotherapeuten van 10 maart 2016, 15 december 2016 en van 19 april 2017.

4.5.

Bij de einde wachttijdbeoordeling in 2003 heeft het Uwv rekening gehouden met mentaal verminderde belastbaarheid en beperkingen aan de linkerschouder. In de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 20 januari 2006 zijn minder beperkingen opgenomen dan in 2003. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in 2006 medische informatie opgevraagd bij de huisarts en de behandelend psycholoog. De fysieke gevolgen als gevolg van de schotwonden zijn volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep beperkt. Als gevolg van de PTSS acht de verzekeringsarts bezwaar en beroep appellant wel aangewezen op werk zonder stress van deadlines en conflicthantering. Appellant heeft in 2006 geen rugklachten gemeld bij het Uwv. Ook uit de uitspraak van de Raad van 31 december 2008 blijkt niet dat appellant rugklachten heeft aangevoerd. De brief van de orthopeed van 19 juni 2008 en de registratie van spreekuurconsulten bij de huisarts in 2007 en 2008 over rugklachten had appellant tijdens deze procedure, waarvan de zitting bij de Raad op 19 november 2008 heeft plaatsgevonden, kunnen indienen. Er is dan ook geen sprake van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden, aangezien appellant de gronden over de rugklachten die hij nu aanvoert al had kunnen aanvoeren in de procedure over de herziening in 2006. De informatie van de fysiotherapeuten ziet op een datum van ver na 2006 en geeft geen inzicht over de klachten van appellant in 2006.

4.6.

Het Uwv mocht het verzoek van appellant dan ook afwijzen. In wat appellant heeft aangevoerd wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre evident onredelijk is. De rechtbank heeft het beroep tegen bestreden besluit 2 dan ook terecht ongegrond verklaard.

5.1.

Ten tweede en tot slot wordt het verzoek beoordeeld van appellant van 20 april 2015 om herziening van de WAO-uitkering, vier weken na toename van arbeidsongeschiktheid. Voor de weergave van de toepasselijke regelgeving wordt voor artikel 39a van de WAO verwezen naar overweging 3.2 van aangevallen uitspraak 1. Uit overweging 1.1 volgt dat de herziening in 2006 in rechte vaststaat.

5.2.

Bij de herziening in 2006 zijn in de FML van 20 januari 2006 alleen beperkingen vastgesteld als gevolg van de PTSS. De rugklachten waren in 2006 niet in beeld en hebben destijds niet geleid tot arbeidsongeschiktheid. Vraag is dan ook alleen of er nadien sprake is van een toename van klachten als gevolg van PTSS binnen vijf jaar na de herziening met ingang van 3 april 2006. Uit de informatie van PuntP, psychotherapeut A.N.P. Oud, van 4 maart 2008 en 7 januari 2011 blijkt dat tussen 2006 en 2008 iets meer veiligheid in de leefsituatie van appellant is gekomen en dat de PTSS in 2011 in remissie is en appellant tot juli 2010 werd behandeld. Appellant heeft zich in 2015 gemeld bij PuntP met toegenomen klachten als gevolg van de PTSS. Appellant heeft geen medische stukken ingediend waaruit blijkt dat er binnen vijf jaar na de herziening sprake was van toegenomen beperkingen. De rechtbank heeft dan ook op goede gronden geoordeeld dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de klachten niet zijn toegenomen binnen vijf jaar, voor 3 april 2011. De rechtbank heeft het beroep tegen bestreden besluit 1 terecht ongegrond verklaard. Indien sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid dan geldt een wachttijd voor appellant van 104 weken.

6. Uit 4 en 5 volgt dat de hoger beroepen niet slagen. De aangevallen uitspraken zullen worden bevestigd.

7. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskosten in de veroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van B. Dogan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 oktober 2018.

(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen

(getekend) B. Dogan

IJ