Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:3299

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-10-2018
Datum publicatie
26-10-2018
Zaaknummer
16/6043 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen dringende redenen voor bijstandsverlening in buitenland gedurende een langere periode dan was toegestaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 6043 PW, 16/6775 PW

Datum uitspraak: 16 oktober 2018

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Amsterdam van 14 juli 2016, 15/7885 (aangevallen uitspraak 1), en 16 augustus 2016, 16/3023

(aangevallen uitspraak 2), en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. S.L. Soedamah, advocaat, hoger beroepen ingesteld en in zaak 16/6043 PW een verzoek om vergoeding van schade ingediend.

Het college heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting in de zaken heeft gevoegd plaatsgehad op 24 juli 2018. Appellante is, met bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. D.A. Ahmed.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving ten tijde hier van belang bijstand op grond van de Participatiewet (PW), naar de norm van een alleenstaande.

1.2.

Appellante heeft op 13 juli 2015 aan haar klantmanager gemeld dat zij in verband met de begrafenis (en repatriëring) van haar moeder op 14 juli 2015 naar Suriname afreist. Haar vertrek is door de uitvaaronderneming geregeld en appellante heeft vanwege drukte de terugreisdatum niet te horen gekregen. In overleg met de klantmanager heeft appellante op het daartoe bestemde formulier “Melden verblijf in het buitenland” gemeld dat zij van 14 juli 2015 tot en met10 augustus 2015 in het buitenland zal verblijven. Hierop heeft het college appellante bij brief van 20 juli 2015 meegedeeld dat zij maximaal 28 dagen per jaar met behoud van bijstand naar het buitenland mag gaan. Bij brief van 27 augustus 2015 heeft appellante gemeld dat zij op 27 augustus 2015 in Nederland is teruggekeerd.

1.3.

Bij besluit van 7 september 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van

20 november 2015 (bestreden besluit 1), heeft het college appellante over de periode van

12 augustus 2015 tot en met 26 augustus 2015 uitgesloten van het recht op bijstand en de bijstand over die periode ingetrokken. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante langer dan 28 dagen verblijf heeft gehouden buiten Nederland zodat zij over de periode van 12 augustus 2015 tot en met 26 augustus 2015 geen recht op bijstand heeft.

1.4.

Bij besluit van 23 november 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van

22 december 2015 (bestreden besluit 2), heeft het college met toepassing van artikel 58, tweede lid, aanhef en onder a, van de PW de ten onrechte gemaakte kosten van bijstand over de periode van 12 augustus 2015 tot en met 26 augustus 2015 tot een bedrag van € 442,50 van appellante teruggevorderd.

2. Bij de aangevallen uitspraken heeft de rechtbank de beroepen van appellante tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraken gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Aangevallen uitspraak 1 (intrekking in verband met uitsluiting recht op bijstand)

4.1.

Vaststaat dat appellante de maximale termijn van vier weken als genoemd in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder e, van de PW heeft overschreden en dat zij om die reden gedurende de periode van 12 augustus 2015 tot en met 26 augustus 2015 was uitgesloten van het recht op bijstand.

4.2.

Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de PW kan het college, gelet op alle omstandigheden en in afwijking van onder meer artikel 13 van de PW, bijstand verlenen aan een persoon die geen recht op bijstand heeft, indien zeer dringende redenen daartoe noodzaken. Zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de WWB doen zich voor als sprake is van een acute noodsituatie en de behoeftige omstandigheden waarin de belanghebbende verkeert op geen enkele andere wijze zijn te verhelpen, zodat het verlenen van bijstand onvermijdelijk is. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 27 november 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BY4808), welke rechtspraak onder de PW zijn gelding heeft behouden, is een acute noodsituatie aan de orde indien een situatie van levensbedreigende aard is of blijvend ernstig psychisch of lichamelijk letsel of invaliditeit tot gevolg kan hebben.

4.3.

Appellante heeft aangevoerd dat het college gebruik had moeten maken van zijn in

artikel 16, eerste lid, van de PW neergelegde bevoegdheid. Zij verkeerde in een overmachtssituatie, omdat zij niet eerder dan op 27 augustus 2015 kon terugkeren naar Nederland. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft appellante gewezen op de informatie van de uitvaartonderneming en de reisorganisatie. Appellante heeft alle mogelijke vluchten van Suriname naar Nederland van alle luchtvaartmaatschappijen geraadpleegd. Familieleden van appellante hebben de gemeente ook geïnformeerd over het langere verblijf van appellante in het buitenland. Appellante heeft verder aangevoerd dat de strikte wetgeving en de rechtspraak in haar geval heel hard uitpakt. Zij woont al 40 jaar in Nederland en het langere verblijf in het buitenland is niet in strijd gekomen met de arbeidsverplichtingen. Van deze verplichtingen is appellante vrijgesteld in verband met een verkregen onderscheiding van lid van de Orde van Oranje-Nassau voor haar inzet voor de maatschappij.

4.4.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Terecht heeft de rechtbank geoordeeld dat appellante met wat zij heeft aangevoerd niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake was van een acute noodsituatie in de hiervoor bedoelde, zin zodat zich al om die reden geen zeer dringende redenen voordoen als onder 4.2 vermeld.

Aangevallen uitspraak 2 (terugvordering)

4.5.

De rechtbank heeft vastgesteld dat de beroepsgronden van appellante zich enkel richten tegen de intrekking van de bijstand. Ook in hoger beroep heeft appellante tegen de terugvordering geen zelfstandige beroepsgronden aangevoerd, zodat de terugvordering verder geen bespreking behoeft.

4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat de hoger beroepen niet slagen, zodat de aangevallen uitspraken moeten worden bevestigd. Voor veroordeling tot vergoeding van schade is daarom geen grond. Het verzoek daartoe van appellante moet worden afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep


- bevestigt de aangevallen uitspraken;
- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut, in tegenwoordigheid van S.H.H. Slaats als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 oktober 2018.

(getekend) E.C.R. Schut

(getekend) S.H.H. Slaats

MD